Julius Civilis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rembrandts versie van De samenzwering van Julius (dan wel Claudius) Civilis

Gaius Julius Civilis (25 - ?) leidde de opstand van de Bataven tegen de Romeinen in de jaren 69 en 70. De enige kennis over hem komt van de Historiae van de Romeinse schrijver Tacitus. Julius Civilis wordt vaak, waarschijnlijk ten onrechte, aangeduid als Claudius Civilis, omdat hij in de oudste handschriften van Tacitus zo genoemd wordt.

Civilis' persoonlijkheid[bewerken]

Hoewel Civilis van geboorte een Bataaf was, was hij Romeins burger. Hij had ook al jaren in het Romeinse Rijk gediend toen hij zich tegen zijn broodheer keerde. Volgens Tacitus lagen daar trouwens wat Civilis betreft geen politieke redenen aan ten grondslag. Aan het einde van de zestiger jaren van de eerste eeuw werden zijn broer Claudius Paulus en hij beschuldigd van verraad tegen de Romeinse keizer Nero. Paulus werd daarom vrijwel onmiddellijk geëxecuteerd en Civilis werd voor zijn rechtszaak naar Rome gestuurd. Julius Civilis zou ongetwijfeld hetzelfde lot hebben ondergaan als zijn broer Paulus wanneer Galba Nero niet als keizer had opgevolgd. Civilis werd vrijgesproken en keerde terug naar het gebied van de Neder-Rijn. Ondanks zijn vrijlating was hij een verbitterd man, en hij zwoer de dood van zijn broer te wreken.

De Bataafse opstand[bewerken]

Crisis in Rome[bewerken]

Die kans kreeg hij toen er opnieuw opstanden uitbraken in het Romeinse Rijk. Kort nadat Galba de troon had bestegen riep Aulus Vitellius zich uit tot keizer, daarbij gesteund door de troepen van Germania Inferior en Superior (grofweg de gebieden ten zuiden en westen van de Rijn). Vitellius kreeg de steun van de Bataven omdat Galba kort daarvoor de Bataafse ruiterij had ontslagen die dienst deed als keizerlijke wacht. Dit was een enorme vernedering.

Mede met steun van de Nederrijnse legioenen slaagde Vitellius erin zich in Rome tot keizer uit te roepen. Daarmee leek hij zijn doel bereikt te hebben, maar er dreigde gevaar. Vanuit het oosten trok generaal Vespasianus op naar Rome. Ook hij had zich uitgeroepen tot keizer van Rome. Vitellius had daarom meer troepen nodig en gaf de bevelhebber van de Rijnlegers, Marcus Hordeonius Flaccus, het bevel om nog meer dan de al toegezegde soldaten naar Rome te sturen. Flaccus weigerde, maar ook de Bataafse edelen spoorden hun stamgenoten aan om niet in het Romeinse leger dienst te nemen, hoewel de Bataven relatief veel soldaten aan Rome leverden. Civilis nodigde vervolgens de andere edelen uit voor een feestmaal in een heilig woud, een sacrum nemus - verbasterd tot Schaker- of Schakenbos?- en toen de stemming er in zat, begon Civilis aan zijn toespraak. Volgens Tacitus roemde hij het verleden van de Bataven en beschreef hij hoe de relatie met de Romeinen was veranderd van één van gelijkwaardigheid in één van meesters en slaven. Verder somde hij al de onrechtvaardige daden jegens de Bataven op gepleegd door de Romeinen. De opstand tegen de Romeinen was geboren.

Bataafse successen[bewerken]

Civilis besloot daarbij handig gebruik te maken van een opstand die kort daarvoor was uitgebroken onder de Cananefaten gesteund door de ten noorden van de Rijn levende Friezen. Onder leiding van de Cananefaat Brinno verwoestten zij twee Romeinse kampen en zetten openlijk de jacht op Romeinen in. Civilis besloot zich te verbinden aan de opstand.

De eerste slag vond plaats bij het huidige Arnhem. Deze ging gelijk op tot de Tungri, Germaanse hulptroepen in dienst van de Romeinen, overliepen naar de opstandelingen. De Romeinen verloren de strijd, waarop bevelhebber Flaccus – door Tacitus consequent neergezet als een volslagen incompetente militair - besloot veel sterkere eenheden naar het gebied te sturen. Vanuit Vetera (het huidige Xanten in Duitsland) vertrokken twee legioenen met hulptroepen: in totaal zo'n 6000 man. Bij het huidige Nijmegen kwam het tot een veldslag. Opnieuw werden de Romeinen geconfronteerd met deserterende hulptroepen en zij werden opnieuw verslagen. De resten van het leger trokken zich weer terug op Vetera.

Formeel was het Bataafse grondgebied nu vrij en Civilis had een enorm prestige gekregen. Bovendien waren de kansen op daadwerkelijke onafhankelijkheid van de Bataven reëel. Vespasianus had Civilis al eerder gevraagd om een opstand te ontketenen om op die manier de macht van Vitellius te verzwakken. Nu Civilis aan dit verzoek had voldaan, verwachtten de Bataven dat Vespasianus niet onwelwillend zou staan tegenover een afscheiding van de Bataven. Gezien de situatie op dat moment had dat een juiste analyse kunnen zijn, maar Civilis besloot Vetera aan te vallen. In september 69 begon de belegering.

De Bataven en hun bondgenoten waren in de meerderheid maar een eerste poging om Vetera te bestormen mislukte. Ook een poging om belegeringsgeschut te maken mislukte – volgens Tacitus wegens gebrek aan de nodige technische kennis. Toen werd besloten de vesting uit te hongeren. Civilis had echter een belangrijke tegenslag toen Bataafse hulptroepen werden verslagen in de slag bij Krefeld (december, 69). De Romeinen waren nu in staat om het belegerde Vetera te hulp te komen. De situatie veranderde echter toen generaal Flaccus door zijn eigen soldaten vermoord werd.

In Vetera waren de soldaten inmiddels gedwongen om zich te voeden met paarden, muilezels en gras. Het was duidelijk dat de zaak ten einde liep en in maart 70 werd de overgave aangeboden. Het kamp werd geplunderd en veel van de belegerden werden omgebracht. Commandant Munius Lupercus werd als geschenk naar de profetes Veleda gezonden. Het “geschenk” bereikte haar echter nooit omdat Lupercus werd omgebracht. Civilis zette nu zijn hoofdkwartier op in Keulen. De Bataven waren de machtigste stam van Noordwest Europa geworden.

Romeinse tegenaanval[bewerken]

De Romeinen konden dit natuurlijk niet op zich laten zitten en stuurden een legermacht onder leiding van Quintus Petillius Cerialis naar het noorden. Zonder veel moeite nam hij Trier in. Een nachtelijke verrassingsaanval van de opstandelingen op Trier werd afgeslagen en vanaf nu hadden de Romeinen de bovenhand in de strijd. Op hetzelfde moment werd bekend dat Keulen zichzelf had bevrijd en daarbij de bezettende troepen van Civilis had uitgemoord. Ook naderde een Romeinse vloot de Noordzeekust waardoor Civilis zich gedwongen zag zich terug te trekken naar het thuisland van de Bataven. Hij slaagde er echter in Vetera opnieuw te bezetten en hier ontstond een type oorlogsvoering die de Nederlanders later zouden gebruiken in hun Hollandse Waterlinie. Uitkomst van de strijd was dat Vetera verloren ging voor Civilis. De opstand was hiermee definitief mislukt.

Cerialis besloot vervolgens het kernland van de Bataven aan te vallen en plunderde wat nu de Betuwe is. Enige dagen later gaf Civilis zich over. Het verslag van Tacitus stopt op het moment dat Civilis onderhandelt (bij de resten van de brug over de Nabalia) over zijn overgave. Wat er daarna gebeurde is dus niet bekend, maar het lijkt zeker dat het oude verbond tussen Romeinen en Bataven werd hersteld. Over het verdere leven van Civilis is niets bekend, maar gezien het lot van andere opstandelingen, zoals Vercingetorix kan dat wel eens kort geweest zijn.

Herinnering[bewerken]

De reputatie van Civilis leefde echter voort in de cultuur. Ten tijde van het Humanisme ontstond opnieuw belangstelling voor Civilis en in de Republiek werden de Bataven als voorouders van de Hollanders beschouwd. Vondel schreef in 1663 het treurspel Batavische Gebroeders, Of Onderdrukte Vryheit: een ode aan Civilis, die in een vergelijkbare situatie strijd had geleverd met een overheerser, net zoals Willem van Oranje dat deed in zijn tijd, een eeuw voordat Vondels stuk ontstond. Het schilderij De Eed van Claudius Civilis (Barend Wijnveld, 1850) heeft hetzelfde thema, maar voordien (1661-62) had Rembrandt al een schilderij aan het onderwerp gewijd; ook Ferdinand Bol (ca. 1658) schilderde Civilis, maar dan in onderhandeling met de Romeinen.

Deze vermeende verbondenheid tussen Nederland en de Bataven leefde later nog voort in namen als Batavia (de hoofdstad van Nederlands-Indië) en de Bataafse Republiek (in de Franse tijd).

Primaire bron[bewerken]

Externe link[bewerken]