Paalworm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Paalworm
boven: binnenzijde, onder: buitenzijde van de schelp
boven: binnenzijde, onder: buitenzijde van de schelp
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Mollusca (Weekdieren)
Klasse: Bivalvia (Tweekleppigen)
Orde: Eulamellibranchia
Familie: Teredinidae
Geslacht: Teredo
Soort
Teredo navalis
Linnaeus, 1758
Portaal  Portaalicoon   Biologie
De gevreesde paalworm volgens een pamflet uit 1733

De paalworm (Teredo navalis) is een in zee levend tweekleppig weekdier.

Beschrijving[bewerken]

Paalwormen hebben een langgerekt wormvormig lichaam dat slechts ten dele door de schelp wordt bedekt. Vorm en sculptuur van de schelp zijn volledig aangepast aan een borende levenswijze. De gangwanden zijn met kalk bedekt ter bescherming van het niet door de schelp bedekte deel van het lichaam. Omdat het hele dier een hele gang bewoont kunnen gangen in tegenstelling tot bij andere borende tweekleppigen elkaar niet kruisen: gangen van verschillende dieren ontwijken andere gangen. Aan het eind van het lichaam bevinden zich twee accessorische schelpstukken die bij paalwormen paletten worden genoemd. De vorm van de paletten is vaak een goed determinatiekenmerk.

Bepaalde boormossels zoals Xylophaga dorsalis hebben een op paalwormen gelijkende schelp en een vergelijkbare levenswijze. Bij Xylophala bedekt de schelp echter bijna het gehele dier, het lichaam is niet wormvormig ontwikkeld en paletten ontbreken. Doordat Xylophaga-soorten slechts in het voorste deel van de geboorde gang leeft, kan de gang dwars door oudere gangen geboord zijn. De gangwand is ook niet met kalk bedekt.

Levenswijze[bewerken]

Zoals bijna alle mariene tweekleppigen hebben paalwormen een vrijzwemmende veligerlarve. Als de schelp van de larve te zwaar wordt dan zet het dier zich op het substraat vast. Als dit geschikt is begint de borende levenswijze. Volwassen dieren leven borend in een matig hard substraat van plantaardige oorsprong zoals dood hout en veen.

Tot voor kort waren biologen van oordeel[bron?] dat de paalworm het hout niet eet, maar alleen als schuilplaats gebruikt. Via de opening van het geboorde gat zuigt het dier zeewater naar binnen, waaruit hij voedseldeeltjes filtert. Volgens nieuwere inzichten[bron?] leeft de paalworm in symbiose met bepaalde bacteriën die cellulose kunnen verteren en zou een deel van de voeding langs deze weg worden verkregen. Naarmate de paalworm groeit (hij kan enkele tientallen centimeters lang worden), wordt de gang verder uitgeboord waardoor deze langer wordt. De wanden van de boorgang worden met een kalklaagje bedekt.

Exoot[bewerken]

Lange tijd heeft men[bron?] aangenomen dat de paalworm afkomstig was uit Oost-Azië en met schepen onbedoeld was geïmporteerd; dan zou het dus om een exoot gaan. Latere onderzoekers[bron?] hebben echter vastgesteld dat de paalworm ook pelagisch kan leven en gaan ervan uit dat de soort destijds ook in de Noordzee voorkwam, mede door gevonden fossiele resten. Toegenomen scheepvaart na de Middeleeuwen zou dan het dier in Europa de kans hebben gegeven zich verder te verspreiden. In Nederland werden omstreeks 1730 paalwormen aangetroffen en toenmalige houten dijkbeschoeiingen ernstig aangetast. Om overstromingsrampen te voorkomen, moest men deze dijkbeschoeiingen door zware stenen vervangen.

De paalworm vormde ook een ernstige bedreiging voor houten schepen. De schepen kregen een tweede huid van grenenhout, die na aangetast te zijn, afgenomen kon worden. Als extra bescherming werden tussen de eiken- en grenenhouten romp koeienhuiden gestopt.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Turner, R.D., 1966. A survey and illustrated catalogue of the Teredinidae (Mollusca: Bivalvia). Museum of Comparative Zoology, Harvard University, Cambridge, Massachusetts, 1-265.
  • Vrolik, W., Harting, P., Storm Buysing, D.J., van Oordt, J.W.L. en von Baumhauer, E.H., 1860. Verslag over den Paalworm. Natuurkundige Afdeeling der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, Amsterdam, C.G. van der Post, 158 pp.