Duitse opmars door België tijdens de Eerste Wereldoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Duitse opmars door België tijdens de Eerste Wereldoorlog vond plaats tussen 1914 en 1918, en was een rechtstreeks gevolg van het Von Schlieffenplan voor een Duitse oorlog tegen Frankrijk.

Voorspel[bewerken]

In 1897 volgt Alfred von Schlieffen Waldersee op als chef van de Duitse Generale Staf. Hij maakt meteen zijn plan bekend voor de Grote Europese Oorlog, die later bekend zal worden als de Eerste Wereldoorlog. Volgens zijn plan, het Schlieffenplan genoemd, zal Duitsland de neutraliteit van Luxemburg, België en Nederland schenden. Een Duitse inval in België is noodzakelijk om te kunnen doorstoten naar Frankrijk. Er zal wel formeel vanuit Berlijn een ultimatum naar Brussel worden gestuurd om vrije doortocht voor de Duitse troepen te verkrijgen, maar het antwoord is niet van belang.

Standbeeld van Keizer Wilhelm II te Doorn

In 1904 was het Duitse aanvalsplan in België uitgelekt. De koning en de legerleiding drongen aan op een verhoging van militaire inspanningen, en in 1908 namen ze de legerkwestie onder de loep. Onder leiding van regeringsleider Frans Schollaert en minister van Oorlog generaal Joseph Hellebaut werd de legerhervorming voorbereid en de persoonlijke dienstplicht werd op 1 december 1909 van kracht.

In 1913 maakte Koning Albert I in Berlijn een verontrustend incident mee toen de Duitse keizer Wilhelm II hem meedeelde dat een oorlog met Frankrijk onvermijdelijk was. Verderop aan tafel hoorde hij de Duitse opperbevelhebber Helmuth von Moltke praten over de dwaasheid van België als dit verzet zou bieden bij een Duitse doortocht.
Koning Albert besloot nogmaals naar Frankrijk en Duitsland af te reizen om de Belgische neutraliteit te bepleiten en om te waarschuwen voor verzet bij oorlog tussen de twee landen.

Op 28 mei 1913 voerde de Belgische minister van Oorlog, Charles de Broqueville, in België de veralgemeende dienstplicht in, om de legersterkte van 180.000 man naar 340.000 te verhogen. Dit getal zou echter nooit worden gehaald.
De Broqueville beloofde aan de Vlaamse katholieken de verplichte tweetaligheid van het officierenkorps en hij probeerde de publieke opinie tevreden te houden met het systeem van regionale rekrutering. Nadat Duitsland officieel bekend maakte de Belgische neutraliteit niet te zullen eerbiedigen draaien ook zijn meest fervente tegenstanders bij.

België mobiliseert[bewerken]

Op 27 juli 1914 bestond het leger uit 15 gevechtsklare eenheden waarvan er elf door loting waren samengesteld, drie door persoonlijke dienstplicht en één door opgevoerde dienstplicht.[bron?]
Het veldleger bestond formeel uit 143.000 man, maar hiervan waren 40.000 man niet komen opdagen. Verder waren er 14.000 beroepsmilitairen, 65.000 in het vestingsleger en 19.000 rijkswachters en leden van het officierskader.

Op 31 juli 1914 kondigde België de algemene mobilisatie af. Het veldleger bestond uit zes divisies, één cavaleriedivisie (4500 ruiters) en legertroepen. Een legerdivisie bestond uit drie of vier brigades, op hun beurt bestaande uit twee infanterieregimenten, een artilleriegroep (twaalf kanonnen na 75 mm), een regiment cavalerie, een regiment artillerie (36, 75 en 150 mm kanonnen), genietroepen en diensten.

Verder beschikte het leger over 37.600 paarden, 2600 wagens en 1500 auto's.[bron?]

Het veldleger beschikte over 93.000 geweren, 6000 sabels, 324 kanonnen en 102 machinegeweren.[bron?]

Het kader had geen ervaring en er bestond geen opleiding voor soldaten, zodat ze met hun verschillende uniformen en zonder wapens een ordeloze troep vormden. De infanterie was in reorganisatie en beschikt daardoor niet over voldoende zwaar geschut.

Dit alles stond onder het bevel van generaal Gérard Leman.

Ook de eensgezindheid omtrent de verdediging was ver te zoeken. Luitenant-generaal Selliers de Moranville wilde het leger terugtrekken naar Antwerpen dat als bevoorradingsplaats dienst kon doen, terwijl vestingtroepen in Luik en Namen de Duitse opmars moesten belemmeren. Kolonel baron Louis de Ryckel wilde daarentegen het veldleger positie laten innemen tussen de Ourthe en de Duitse grens, met later eventueel terugtrekking tot Antwerpen. Koning Albert I koos uiteindelijk voor een legerconcentratie op de linkeroever van de Maas, met Antwerpen als basis voor bevoorrading.

Albert I

Een laatste poging[bewerken]

Op 2 augustus 1914 schreef Koning Albert I een persoonlijke brief aan de Duitse keizer, in een laatste poging het onheil af te wenden. Om 19.00 uur kwam als antwoord een ultimatum waarin werd meegedeeld dat Frankrijk Duitsland zou aanvallen door België en dat België niet in staat zou zijn deze aanval af te weren. Duitsland verzocht toestemming door België heen te trekken om Frankrijk tegen te houden.
Op datzelfde moment passeerden Duitse troepen reeds de Luxemburgse grens. De Luxemburgse regering ontving een telegram waarin stond dat Duitsland op de hoogte was van de Franse optocht naar Luxemburg en dat Duitsland daarom uit zelfverdediging de Luxemburgse neutraliteit moest schenden. Diezelfde dag nog kwam Luxemburg in Duitse handen.

Koning Albert I gaf op 3 augustus een ontkennend antwoord aan Duitsland nadat hij de bevestiging voor gewapende steun ontving van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Als antwoord hierop verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk.

De Belgische legers werden hierop als volgt verplaatst:

  • 1e divisie van Gent naar Tienen
  • 2e divisie van Antwerpen naar Leuven
  • 3e divisie zou verhuizen naar Tongeren (want Koning Albert I vreesde een inval via Nederlands-Limburg) maar minister van oorlog De Brocqueville hield deze divisie in Luik[1]
  • 4e divisie bleef in Namen
  • 5e divisie van Bergen naar Perwez
  • 6e divisie van Brussel naar Waver

De aanval[bewerken]

Op 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen zonder formele oorlogsverklaring. De aanval werd geleid door het 1e Duitse leger onder generaal Alexander von Kluck en het 2e leger van generaal Karl von Bülow.

Om 7.30 uur vielen Duitse troepen binnen bij Gemmenich, bij Luik. En terwijl de Belgische legertop ruzie maakte over de verdediging van Luik, naderden 34.000 Duitsers onder leiding van generaal Von Emmich met 125 stukken geschut de forten rond Luik. De forten werden verdedigd door de Belgische 3e divisie (ca. 23.000 man) onder generaal Gérard Leman, de 15e brigade van de 4e divisie uit Namen, 4 vestingsinfanterieregimenten, wat kleinere eenheden, 500 burgerwachten en de bemanning van de forten (ca. 32.000 man). Samen beschikten ze over circa 250 nieuwe kanonnen, een honderdtal verouderde stukken en 30 machinegeweren.

In Brussel sprak de koning om 10.00 uur het parlement toe. Hij vroeg de politieke onenigheid te negeren voor de duur van de oorlog. Er werd goedkeuring verleend voor 200 miljoen frank oorlogskredieten. 's Middags besloot de Kroonraad beroep te doen op Britse, Franse en Russische steun.

Via Hombourg bereikten de Duitsers Wezet (Visé). Toen ze een bruggenhoofd over de Maas probeerden te slaan werden ze door artillerie vanuit het Fort Pontisse teruggedreven. Als represaille haalden ze alle bewoners uit hun huizen en brachten ze naar het station. De woningen werden in brand gestoken, de vrouwen moesten de stad verlaten en ongeveer 600 mannen werden naar een kamp in Münder gebracht. 36 mensen werden neergeschoten.

Om 23.00 uur gebood Groot-Brittannië in een ultimatum Duitsland België te verlaten en verklaarde na weigering de oorlog aan Duitsland. De Britse Veldmaarschalk Horatio Kitchener gaf het bevel het Kanaal over te steken.

's Nachts bouwden de Duitsers de eerste pontonbrug bij Wezet.

De aanval op Luik[bewerken]

Belgische troepen in Luik

Op 5 augustus om 22.00 uur opende generaal Otto von Emmich een aanval op de forten rond Luik. Deze forten vormden een blokkade voor het Duitse 1e en 2e leger in hun opmars naar Frankrijk. De Duitse 38e en 43e brigades probeerden in het zuiden tussen Boncelles en de Ourthe door te breken. De Duitse 34e brigade ging in het noorden bij Lieze (Lixhe) de Maas over.
De Belgische generaal Leman trok zich met zijn hoofdkwartier in de Citadel terug. 's Nachts begon de werkelijke slag om Luik. De volgende dag kwamen ook Franse legers te hulp

Slag der zilveren helmen[bewerken]

Vanaf 6 augustus gingen Duitse troepen provincie Limburg binnen. Op 12 augustus vond in Halen een confrontatie plaats tussen Duitse cavalerie en Belgische troepen in de slag der zilveren helmen. De Duitse opmars naar het noorden werd even gestuit.

Represailles in Aarschot[bewerken]

Aarschot werd door de 8e Infanteriebrigade onder kolonel Johannes Stenger bezet. Stenger werd in het centrum doodgeschoten. Zie hiervoor het artikel Duitse represailles in Aarschot op 19 augustus 1914.

De Slag der Grenzen[bewerken]

Op 20 augustus was Brussel in handen van het Duitse 4e legerkorps onder generaal Sixt von Arnim. Het Duitse 1e, 2e en 3e leger trokken verder België binnen. De Duitsers stuurden 60.000 man naar Antwerpen om de Belgische koning en zijn troepen daar vast te houden terwijl de rest van hun troepen naar de Frans-Belgische grens oprukte.
Vanaf 20 augustus tot 25 augustus woedde de Slag der Grenzen tussen de Ardense regio en het noorden van Metz.

Ondertussen: Leuven[bewerken]

De Leuvense universiteitsbibliotheek

Op 25 augustus doodden de Duitsers in Leuven 218 burgers en brandden ze de stad gedeeltelijk plat. Koning Albert I organiseerde een uitval naar Haacht en het Duitse garnizoen was even van zijn stuk gebracht. 's Avonds kwam het Duitse bevel Leuven te vernietigen. De Duitse troepen zetten vele eeuwenoude gebouwen, waaronder de universiteitsbibliotheek, in brand en gijzelden de inwoners. 173 Leuvenaars werden gefusilleerd. Ook het gebied tussen Mechelen en Brussel deelde in de klappen.

Ondertussen: Mechelen - Zemst[bewerken]

In het dorpje Zemst op 5 km ten zuiden van Mechelen werden door de Duitse Uhlanen burgers vermoord en mishandeld, alsook huizen in brand gestoken.[2]

Nuvola single chevron right.svg Zie Gruweldaden te Zemst in 1914 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ondertussen: Dendermonde[bewerken]

Dendermonde is samen met Leuven de stad die het meest geleden heeft tijdens de inval van de Duitsers. De helft van de huizen werd volledig vernield. Er stond niets meer recht met uitzondering van de gotische Onze-Lieve-Vrouwekerk uit de 15e eeuw. Wegens zijn karakter van vesting- en garnizoensstad en de talrijke verwoestingen en onrust is Dendermonde, ondanks zijn gunstige ligging, nooit uitgegroeid tot een belangrijk handels- of industriecentrum.

Antwerpen[bewerken]

Vlucht uit Antwerpen over de Schelde

Op 25 augustus kreeg Antwerpen voor het eerst in haar geschiedenis te maken met luchtbombardementen vanuit een zeppelin. Vanuit het Duitse luchtschip werden negen bommen gedropt op de binnenstad in de buurt van de Falconrui en de Stadswaag. De ontploffingen maakten verschillende doden en gewonden. De dag erna gaven de plaatselijke overheden het bevel 's nachts en 's avonds alle lichten te doven[3]

De Belgische 4e divisie trok zich op 2 september terug tot Antwerpen om zich bij de rest van het leger te voegen.

Toen op 9 september de Britse lieutenant commander Scott Littlejohns aankwam met zes kanonnen van 12 cm en van 15 cm lanceerde koning Albert I een aanval op de Duitse strijdkrachten. De kanonnen werden opgesteld op treinen in de spoorwegplaatsen te Hoboken. 70 Belgische militairen onder bevel van kapitein Servais bemanden de trein. Op 23 september vertrok het eerste spoorwegkanon om, in samenwerking met een vliegtuig, vijandelijke stellingen te bombarderen. De Duitse keizer schrok van dit initiatief en beval de inname van de Antwerpse haven.

Op 27 september werd Mechelen door de Duitse generaal Von Beseler veroverd, en daarmee was de Duitse aanval op Antwerpen geopend. De volgende dag beschoten de Duitsers de forten rond Antwerpen met 420-mm en 305-mm granaten. Op 29 september 1914 bereikten de Duitsers de eerste bruggen, maar ze werden onder vuur genomen vanuit het Fort van Walem. Een Duitse granaat kwam in het munitiemagazijn terecht waarna het fort in de lucht vloog. Ook Fort Sint-Katelijne-Waver werd na 30 uur beschietingen ijlings verlaten.

Enkele dagen later, op 2 oktober, gaf koning Albert I opdracht tot de terugtrekking tot Oostende omdat hij vreest dat Antwerpen het niet langer zou uithouden. De Britten arriveerden de volgende dag in Oostende en staken de bevolking en het leger een hart onder de riem. Toen Winston Churchill op 4 oktober Antwerpen bezocht was het reeds te laat en konden de Duitsers niet meer gestopt worden.

Op 6 oktober was de Belgische verdediging van de Antwerpse haven zwaar toegetakeld en moest er geëvacueerd worden. 's Nachts staken de Belgische troepen heimelijk de Schelde over. De volgende dag vertrokken ook de Belgische regering en het Corps Diplomatique naar Oostende.

Vier dagen later, op 10 oktober 1914, was de val van Antwerpen een feit. Admiraal Von Schröder werd de Duitse militaire gouverneur van de stad.[bron?]

De Slag om de IJzer[bewerken]

Op 12 oktober rukten de Duitsers Gent binnen en de volgende dag wapperde de Duitse vlag op het stadhuis. Brugge werd op 14 oktober bezet.

De volgende dag stelden Franse, Britse en Belgische troepen zich achter de IJzer en de Ieperlee op. Uitgeput groeven ze zich in in spoedloopgraven onder de belofte van hun oversten spoedig naar huis terug te keren. De Slag om de IJzer kon beginnen.

De strijd om Ieper[bewerken]

De Britten bezetten Ieper vanaf 14 oktober 1914.

De Eerste Slag om Ieper[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Eerste Slag om Ieper voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Slag van Langemark luidde op 21 oktober 1914 het begin van de Eerste Slag om Ieper in. Pas toen het Duitse oppercommando op 22 november 1914 besloot het offensief te staken, was de slag gestreden.

De Tweede Slag om Ieper[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Tweede Slag om Ieper voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Tweede Slag om Ieper ging op 17 april 1915 van start, toen zware mijnladingen onder de Duitse stellingen op Hill 60 tot ontploffing werden gebracht. Tijdens deze slag werd kennisgemaakt met een nieuw wapen: chloorgas. Nadien krijgen de troepen gasmaskers mee.

Nadat de Tweede Slag om Ieper was afgelopen, bleven de Duitsers en geallieerden de komende jaren toch kleine uitvallen doen om enkele meters grond te bemachtigen.

In tussentijd[bewerken]

Rond Kerstmis 1914 vonden ook aan het Belgische front de zogenaamde kerstbestanden plaats, waarin Belgische, Britse, Franse en Duitse soldaten met elkaar verbroederden. Het bekendste voorbeeld van deze bestanden in België was de overdracht van een gouden monstrans door de Duitsers aan de Belgen op de dichtgevroren IJzer t.h.v. Diksmuide.

Op 18 juli 1915 werd door de Britse 175° Tunneling Company Royal Engineers een ondergrondse mijn van 1.750 kg ammonal onder de Duitse uitkijkpost in 't Hooge tot ontploffing gebracht. Er ontstond een krater van 40 meter diameter en 16 meter diepte. Het 4° Middelsex (8° Brigade van de 3° Divisie) nam de krater onmiddellijk in. Maar op 30 juli 1915 moesten ze de krater vrijgeven omdat ze door de Duitsers met vlammenwerpers werden bestookt.

De Duitsers zetten op 2 juni 1916 vanuit hun stellingen op Hill 60 een groot offensief in, De Strijd om Mount Sorrel. Het leverde hen aanvankelijk veel winst, maar die moesten ze deels prijsgeven bij hevige Canadese tegenaanvallen. Uiteindelijk was op 6 juni 1916 het gebied tussen Hill 60 en Hill 62 in Duitse handen. Op 12 juni zette de Canadese infanterie de tegenaanval in op Hill 62. Ze verrasten de Duitsers midden in de nacht. Enkele uren en honderden slachtoffers later was de heuvel weer in Canadese handen.

Op 7 juni 1917 ontploften 19 dieptemijnen onder 21 Duitse stellingen op de heuvelrug van Mesen. De Duitsers waren zo onder de indruk dat ze bij de Britse infanterieaanvallen op Hill 60 en bij Spanbroekmolen op de vlucht sloegen. De dieptemijnen werden geplaatst als voorbereiding op een groot offensief, de Derde Slag om Ieper, gepland door de Britse veldmaarschalk sir Douglas Haig, om de Duitse linies tussen de Noordzee en de Leie te doorbreken. Het Britse 2° leger onder generaal sir Herbert Plumer voerde de uiteindelijke aanval uit en veroverde de heuvel ten koste van 17.000 manschappen. De Duitsers verloren 25.000 soldaten.

De Britten begonnen op 11 juli een luchtoffensief boven Ieper om de Duitsers uit de lucht te halen voor hun groot offensief dat gepland was tegen het eind van de maand. Ze bombardeerden ook de Duitse loopgraven buiten de stad.

De Derde Slag om Ieper[bewerken]

Passendale, voor en na de strijd
Nuvola single chevron right.svg Zie Derde Slag om Ieper voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Met de Slag om Passendale ging op 31 juli 1917 de Derde Slag om Ieper van start. De Britse generaal sir Douglas Haig vermoedde dat deze slag de Duitsers eindelijk zou doen wankelen. Er stonden op dat moment bijna één miljoen manschappen tegenover elkaar. De slag zou tot 10 november van dat jaar duren.

De Vierde Slag om Ieper[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Vierde Slag om Ieper voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 1 maart 1918 bezette het 2° Beierse R.I.R., van generaal-majoor von Dittelberger, Diksmuide. Als oefening voor het Duits offensief dat gepland was op Loos-Armentières door de 1° Beierse Reservedivisie leek het de Duitsers nuttig Diksmuide aan te vallen. Ze planden deze aanval voor 18 maart 1918. Zo werd de Vierde Slag om Ieper gestreden.

Het einde[bewerken]

Het geallieerde tegenoffensief. De Duitsers startten in 1918 een offensief tegen de Britten en Belgen bij Ieper in Vlaanderen. Op het eerste gezicht waren deze offensieven succesvol: de loopgraven werden verlaten en er werd een flinke terreinwinst geboekt. De troepen waren echter aan het eind van hun Latijn. De offensieven liepen alle drie vast in modder, bloed, en een muur van frisse Amerikanen. Over het hele front werden de Duitsers in de herfst van 1918 teruggedreven. De geallieerden waren nu in de aanval vanaf het Ieperfront. Voor de algemene aanval naar de Schelde zie Slag aan de Schelde van 31 oktober tot 1 november 1918 was de uitvalsbasis de weg Anzegem - Waregem en de spoorweg Kortrijk - Deinze. De bezetting van de heuvels tussen Schelde en Leie werd voor de Amerikaanse 37th Div. en de 91st Div. een zware klus. Op 1 november 1918 's avonds, werd Petegem bezet door de 41ème Franse D.I., Oudenaarde - Bevere door eenheden van de 91st A.E.F. Infanteriedivisie en van de 128ème Franse D.I. De Amerikanen voerden in de Spitaalsbossen van Wortegem gedurende twee dagen een korte, maar harde strijd.

De wapenstilstand ging in op 11 november 1918, om 11 's ochtends. Aan alle geallieerde offensieven kwam een eind en enkele dagen later begonnen de Duitsers zich terug te trekken uit de Franse en Belgische streken die ze nog bezetten. De Amerikanen passeerden op 20 november de Luxemburgse grens in de richting van Duitsland.

Noten
  1. Koning Albert nam de minister zijn tussenkomst kwalijk omdat hij ervan overtuigd was dat hij als enige de militaire beslissingen moest nemen.
  2. R. VAN KERCKHOVEN, Een dorp in een Wereldoorlog. Zemst 1914-1918
  3. Gazet van Antwerpen, 25 augustus 1924, p. 4