Horatio Kitchener

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Horatio Kitchener

Horatio Herbert Kitchener, sinds 1914 graaf Kitchener, (County Kerry, Ierland, 24 juni 1850 - 5 juni 1916) was een Britse oorlogsheld, staatsman en veldmaarschalk.

Soedan[bewerken]

In 1884 maakte hij deel uit van de expeditie die vanuit Egypte de Britse generaal Charles George Gordon uit de omsingeling van Khartoem diende te redden. Twee dagen voor hun aankomst viel de stad echter in handen van de troepen van de Mahdi Mohammed Ahmad ibn Abd Allah, die vervolgens overgingen tot moordpartijen en plundering onder de bevolking van Khartoem. Gordon kwam daarbij om en zijn hoofd werd afgehakt en op een staak gezet. Kitchener was daarna een tijd lang gouverneur-generaal van Soedan tot hij in 1892 bevorderd werd tot hoogste chef van het (Britse) Egyptische leger. In 1898 wist hij, na een drie jaar durende campagne, Soedan te heroveren, waarbij hij zijn belangrijkste faam verwierf. Hij behaalde de overwinning tijdens een beslissende veldslag (slag van Karari) tegen het leger van Abdallahi ibn Muhammad, die zich had uitgeroepen tot opvolger van de inmiddels overleden eerste Mahdi, bij Khartoem op 4 september 1898. Het was een daverende en gemakkelijke overwinning, dankzij de superieure bewapening van de Britten, met hun artillerie en hun Maxim machinegeweer. De jonge officier en oorlogscorrespondent Winston Churchill schreef er een goed verkocht boek over (The River War), waarin hij niettemin kritiek had op Kitchener en anderen, vooral met betrekking tot de logistiek. Ook het opgraven van het lijk van de vorige Mahdi en het afhakken van diens hoofd vermeldde hij en keurde hij af. Zoals gebruikelijk bij zulke gelegenheden mocht Kitchener de plaats van zijn heldendom aan zijn naam verbinden. Sindsdien stond hij in het Britse Gemenebest bekend als Lord Kitchener of Khartoum en durfde niemand meer aan zijn autoriteit te twijfelen. Hij verhoogde zijn prestige in datzelfde jaar nog meer bij het Fashoda-incident, waarbij nog net een gewelddadige confrontatie met de Fransen kon worden voorkomen over de afbakening van de Britse en Franse koloniale invloedssferen.

Zuid-Afrika[bewerken]

Later was Kitchener commandant in de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika, waar hij in mei 1902 de Verdrag van Vereeniging sloot.
Kitchener besloot in 1900 tot de beproefde "Verschroeide Aarde" tactiek, toen hij tijdens de 2de Boerenoorlog opperbevelhebber was geworden. Meer dan 30.000 boerderijen en een veertigtal kleine steden gingen in vlammen op. Veestapels werden geplunderd of afgeslacht door de Engelse troepen en talloze families werden vanuit hun hoeve naar Britse concentratiekampen gestuurd. Bijna 120.000 Afrikaners, hoofdzakelijk burgers, en evenveel zwarten werden hierin gedetineerd en nog eens 28.000 krijgsgevangen strijdende boeren werden naar overzeese kampen gestuurd. Er waren 45 concentratiekampen voor Afrikaners en 64 voor zwarten. Hun huisvesting bestond uit op één rij gezette miserabele tentjes. Hygiënische voorzieningen werden niet getroffen of waren sterk onvoldoende, ook naar de toenmalige maatstaven. De voedselrantsoenen van vrouwen en kinderen waren onvoldoende en werden verminderd indien één van hun familieleden deel uitmaakte van het Boerenleger. Buikloop, buiktyfus en mazelen waren algemeen in de kampen. Na de oorlog is gebleken dat 27.927 Afrikaners de kampen niet overleefden: onder hen 22.074 kinderen, jonger dan 16. Onder de zwarten werden 14.154 doden geteld, hoewel er beweerd wordt dat de cijfers zwaar onderschat zijn. Het was grotendeels dankzij de Engelse verslaggeefster Emily Hobhouse dat vanaf de tweede helft van 1901 de situatie in de concentratiekampen verbeterde en de sterftecijfers terug begonnen te lopen.

India[bewerken]

Wegens zijn optreden in India, van 1902 tot 1909, werd hij in 1910 bevorderd tot veldmaarschalk en op 29 juni 1914 werd Kitchener in de adelstand verheven (Earl van Kharthoum en van Broome in het graafschap Kent).

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij van zijn post in Egypte ontboden naar Londen om deel te nemen aan de Oorlogsraad. Hij werd Minister van Oorlog. Hij voorzag, anders dan veel optimisten aan het begin van de oorlog, dat het een langdurige en uitputtende oorlog zou worden en hij heeft veel gedaan voor het oprichten van een groot landleger, waaraan het de Britten ontbrak aan het begin van deze oorlog, zodat dit grotendeels uit vrijwilligers bestaande leger wel eens 'Kitchener's army' werd genoemd.

Kitchener was een heel bekende persoonlijkheid.

Zijn gezicht stond dan ook op het klassiek geworden recruteringsaffiche. Hij werd in 1915 echter verantwoordelijk gehouden voor de aanvankelijk falende bevoorrading met granaten voor het Britse expeditieleger, dat aan het Westelijk Front moest constateren dat de Duitsers vijf granaten terugschoten voor elke granaat die ze zelf konden afschieten.

Na de voor de Geallieerden rampzalige slag om Gallipoli, die bedoeld was om de Ottomaanse bondgenoten van de Duitsers uit te schakelen, werd Kitchener uit de Oorlogsraad gezet. Zogenaamd om inlichtingen te winnen, maar in feite omdat niemand aan het publiek wilde verkopen dat een oorlogsheld als Kitchener kon falen. Met zijn portret op de wervingsaffiches was hij voor het Britse volk uitgegroeid tot het symbool van de strijd tegen de Duitsers.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hem voorspeld dat hij, als hij over zee zou varen, de dood zou vinden[bron?]. Hij ging bij Scapa Flow, de basis van de Britse 'Home Fleet', toch aan boord van de kruiser HMS Hampshire voor een diplomatieke missie naar Rusland. Op 5 juni liep het schip tijdens een zware storm op een mijn op weg naar de Russische haven Archangelsk. Kitchener en 643 van de overige 655 opvarenden overleefden het niet. Na zijn dood werd er een berg naar hem genoemd in het Canadese Rotsgebergte, Mount Kitchener, en in Australië (Victoria, Geelong) is er een hospitaal naar hem genoemd; 'the Kitchener Memorial Hospital'.