Schlieffenplan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het Schlieffenplan en het Franse Plan XVII.

Het Schlieffenplan is de naam voor het plan dat de Duitse generaal Alfred von Schlieffen (1833-1913) had ontwikkeld om in geval van oorlog met Frankrijk laatstgenoemd land zo snel mogelijk te kunnen overrompelen.

Motivatie[bewerken]

Alfred von Schlieffen

Als gevolg van de Frans-Russische samenwerking in het begin van de jaren negentig van de 19e eeuw was de Duitse generale staf zich intensief gaan voorbereiden op een tweefrontenoorlog.

Het Duitse opperbevel ging ervan uit dat het Duitse leger niet sterk genoeg was om het Franse en het Russische leger tegelijkertijd te verslaan. Aanvankelijk was de doctrine defensief: men zou verdedigen in het westen en voorzichtig aanvallen in het oosten. Dit was een voorzichtige en conservatieve strategie, waarbij men bovendien ervoor beducht was zich het Russische achterland in te laten lokken, zoals Napoleon Bonaparte een eeuw eerder. Von Schlieffen bedacht voor het westelijk front echter een gedurfder plan, dat een snelle uitschakeling van Frankrijk beoogde, waarna met Rusland zou worden afgerekend.

Deze aanpak werd in 1906 bepleit in een definitieve notitie, beter bekend als het Schlieffenplan. Dit plan ging ervan uit dat Rusland ten minste zes weken nodig zou hebben om volledig te mobiliseren, door het gebrek aan industrialisatie, infrastructuur en de enorme afmetingen van het land. Von Schlieffen veronderstelde bovendien dat Frankrijk de neutraliteit van de Lage landen en Zwitserland niet zou schenden en haar hoofdmacht zou concentreren tussen Belfort en Sedan. De Duitsers zouden een schijnaanval doen en zich vervolgens in Elzas-Lotharingen terugtrekken. De hoofdmacht zou, met als draaipunt de regio Thionville-Metz, een sikkelbeweging maken met een zo sterk mogelijke rechtervleugel, en zou zo het Franse leger insluiten. Het noordoosten van Frankrijk speelde in het plan een secundaire rol. In Lotharingen moest nog een bescheiden strijdmacht worden gelegerd, terwijl de Elzas nauwelijks zou worden verdedigd. Het wijken voor een te verwachten Franse opmars in deze streken paste zelfs uitstekend in het plan; de tegenstander zou op deze wijze namelijk steeds dieper in de val lopen.

Plan[bewerken]

Het plan behelsde een grote cirkelvormige beweging door België en Nederland, waardoor Frankrijk in feite langs een breed front vanuit het noorden werd aangevallen. Het plan sloeg geen acht op de Belgische en Nederlandse neutraliteit en vereiste durf bij de uitvoering ervan. Een belangrijk onderdeel van het plan was de verovering van de versterkte forten rond Luik en Verdun en de stad Parijs. In de aanvankelijke versie van het plan zou overigens slechts opgerukt worden door Luxemburg en het uiterste zuiden van België.

Hierdoor zou Frankrijk in een tijdsbestek van 42 dagen (6 weken) uitgeschakeld worden. Vervolgens moest dan het hele Duitse leger met de trein naar het oosten verplaatst worden, om de Russische aanval te kunnen opvangen. Door het Schlieffenplan zou Duitsland een voor een met zijn vijanden kunnen afrekenen in plaats van met beiden tegelijk te worden geconfronteerd. Voorwaarde voor succes was wel dat de Duitsers het tijdschema strikt aanhielden. Von Schlieffen ging ervan uit dat Duitsland na significante vertraging maar beter kon gaan onderhandelen omdat dan de kans op de overwinning voorbij was.

Verandering[bewerken]

Helmut von Moltke

Het Schlieffenplan werd veranderd met de komst van de nieuwe legerchef Helmuth von Moltke. Eén van de wijzigingen die in het plan die hem veelvuldig verweten zijn, is dat hij de linkervleugel versterkt zou hebben ten koste van de rechtervleugel. Een telling van de divisies op de beide vleugels laat echter zien dat dit verwijt geen stand kan houden.[bron?]
In de verwijten die hem gemaakt werden, zou hij de legendarische laatste woorden van Von Schlieffen: 'Macht mir nur den Rechten stark' blijkbaar vergeten hebben.

Nog een belangrijke verandering die Von Moltke aanbracht was dat de Duitse troepen niet meer door Nederland zouden trekken om Frankrijk aan te vallen. Een neutraal Nederland werd nuttig geacht als een "luchtpijp naar de Noordzee".[bron?]

Het Duitse opperbevel raakte door de aanvankelijke Duitse successen in Lotharingen in een euforische stemming. Von Moltke gaf beide legers opdracht om het offensief voort te zetten, om de verdedigingswerken bij Nancy te veroveren. De niet langer defensief opererende linkervleugel zou zo kunnen bijdragen tot een reusachtige herhaling van de slag bij Cannae: de gehele vijandelijke strijdmacht omsingeld in een gelijktijdige tangbeweging vanuit het oosten en het westen. Daartoe moest de in opzet immers zwakkere linkervleugel worden versterkt.

Zwakheden[bewerken]

Alexander von Kluck

Het Schlieffenplan had een aantal cruciale zwakheden, die zouden bijdragen tot Duitslands ondergang in 1918, vooral in het licht van de toenmalige communicatietechnologie. Telefoonlijnen liepen slechts tot de grens of tot het front, waardoor telefonie in een bewegingsoorlog waardeloos was. Hetzelfde gold voor telegrafie, terwijl radio nog niet geavanceerd genoeg was om als communicatiemiddel te worden gebruikt. Men vertrouwde voornamelijk nog op koeriers en viel dus terug op een rigide planning. Het plan moest hoe dan ook gevolgd worden, ongeacht de situatie. Lagere officieren hadden geen enkele vrijheid van handelen.

Allereerst was het plan bedacht voor en door militairen, en volstrekt niet op de politieke situatie ingespeeld. Het plan voorzag in Franse oorlogsdeelname, maar Frankrijk had zich, ondanks zijn Frans-Russische Alliantie met Rusland, in de crisis van juli 1914 afzijdig gehouden en leek niet van plan om zich voor een crisis op de Balkan in een oorlog te willen storten. Omdat het Schlieffenplan echter ervan uitging dat Frankrijk wel aanviel, werd Frankrijk toch bij de oorlog betrokken toen de Duitsers eenzijdig de Fransen de oorlog verklaarden. Bovendien werden neutrale landen aangevallen, landen die Duitsland niets misdaan hadden maar de pech hadden in het pad van de beoogde opmars te liggen. Dit leidde in eerste instantie tot Britse oorlogsdeelname, ook hier met tegenzin, op grond van het Verdrag van Londen (1839), en daarnaast voor de Duitsers ook tot een groot verlies aan politiek krediet. De andere landen waren veel minder geneigd om met de Duitsers te onderhandelen over een 'vreedzame oplossing' van de crisis. Vanaf 1914 zou Duitsland als de grootste agressor van Europa worden gezien, en doordat het zichzelf de vijandigheid van andere staten op de hals had gehaald, had het zijn eigen "boemannen" gecreëerd.

Verder was het wegen- en spoorwegnet van België en Noord-Frankrijk te beperkt voor een optimale troepenverplaatsing. Kortom: het Duitse leger was te groot en kon door deze beperkingen zijn capaciteiten niet optimaal benutten. Dit ging ten koste van de snelheid van het offensief, en snelheid was cruciaal.

Wanneer men een cirkel bepaalt met Sedan als middelpunt en de afstand Sedan-Maastricht als straal, valt op dat deze cirkel vér van de Kanaalkust blijft. Met andere woorden: naarmate de Duitsers verder oprukten werd het front breder, zodat ze hun strijdkrachten steeds meer moesten verspreiden. Alexander von Kluck met zijn buitenste leger kwam in Noord-Frankrijk dan ook voor een onaangename keus te staan: op de Kanaalkust afgaan en de Fransen de gelegenheid geven een wig te drijven in zijn dan verzwakte linkerflank of naar binnen draaien en zijn dan verzwakte rechterflank bloot stellen aan Franse tegenacties. Hij koos voor deze laatste optie, mede ingegeven door de overtuiging dat de British Expeditionary Force (BEF), gelegerd op de uiterste linkerflank van het Franse dispositief, in eerste instantie weigerachtig was om zich bij een offensief betrokken te raken. Daarenboven was het Franse vijfde leger op de terugtocht. Von Kluck wilde dit leger omsingelen en besloot daarom af te wijken van zijn lijn en niet ten zuiden - maar ten noorden van Parijs de Schlieffen-tang te sluiten. Hierdoor gaf hij zijn rechterflank bloot aan de Franse troepen die Parijs verdedigden en die tot de aanval overgingen. De slag aan de Marne begon. Als gevolg daarvan bleef Parijs buiten bereik.

Daarnaast had het Duitse opperbevel niet geleerd van de Frans-Pruisische oorlog van 1870: wanneer een leger verslagen is, is het land nog niet verslagen. Na de nederlaag van het Franse leger, de gevangenneming van de Franse keizer, en de omsingeling van Parijs bleek Frankrijk, nu als republiek, nog steeds in staat zich te verdedigen. Het Duitse opperbevel ging er in het Schlieffenplan van uit dat Frankrijk zich zou overgeven, en dat het omsingelde Franse leger geen last stand zou maken of het op een confrontatie zou laten aankomen. Ook bleek dat het Belgische leger en de Belgische wil tot verzet danig waren onderschat. Dat zou allemaal leiden tot vertragingen die Duitsland zich niet kon veroorloven.

Ten slotte ging het plan ervan uit dat Rusland acht weken lang niet in staat was tot actie. Ook deze veronderstelling bleek onjuist. Rusland bezat zelfs in vredestijd een formidabel staand leger aan de grens, dat in augustus 1914 dan ook direct Oost-Pruisen kon binnenvallen. Hoewel Duitsland dit leger in twee eclatante overwinningen wist te verslaan (de Slag bij Tannenberg en de veldslag bij de Mazurische Meren) was het Duitse opperbevel aanvankelijk in paniek en besloot het talrijke gevechtseenheden te onttrekken aan het Westfront en deze te transporteren naar het Oostfront. Hierdoor werd de rechterflank van de 'Schlieffen tang' verzwakt, waardoor onder andere het leger van Von Kluck verzwakt werd. Daardoor heeft de nederlaag van de Russen de facto veel bijgedragen tot het overleven van het Franse verzet aan het westelijke front. En ook na deze Duitse overwinning wist het Russische opperbevel veel sneller nieuwe lichtingen te mobiliseren en in te zetten dan het Schlieffenplan had voorzien.

Ook kan gesteld worden dat het Schlieffenplan als zodanig een belangrijke factor is geweest in het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Omdat, althans volgens dit plan, Frankrijk "moest" worden verslagen terwijl Rusland mobiliseerde, zou een Russische mobilisatie direct moeten worden beantwoord met een aanval op Frankrijk. Op het moment dat een conflict tot voorbij een diplomatiek conflict escaleerde, was er nog maar een weg open: naar de grote pan-Europese oorlog.

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Toen de oorlog in 1914 uitbrak, werd het in deze gewijzigde vorm uitgevoerd en een aantal factoren leidden tot zijn mislukking, waaronder gebrek aan mobiliteit bij de Duitsers, effectieve Franse weerstand, onderschatting van de problemen aan het Russische front, het hardnekkige Belgische verzet (tijdwinst voor de tegenpartij) en de tegenzin bij Helmut von Moltke, de opvolger van Alfred von Schlieffen als hoofd van de Generale Staf, om troepen weg te halen aan het Oostfront zodat ook hierdoor de Duitse legers in Frankrijk te weinig slagkracht hadden om Parijs te omsingelen.

De samenwerkende legers van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk slaagden er, ondanks deze problemen voor het Duitse opperbevel, slechts ternauwernood in het Duitse leger tot staan te brengen voordat Parijs werd bereikt. Na de Race naar de Zee, de eerste slag bij Ieper, de slag aan de Marne en de eerste slag bij Verdun kwam de oorlog in het najaar van 1914 tot stilstand in een verschrikkelijke loopgravenoorlog over een front van 700 kilometer die pas in 1918 eindigde.

Uiteindelijk, wanneer men het krijgsverloop na deze eerste veldtocht van 1914 overziet, dan blijkt dat de Duitse strategie terug was gevallen op de oude doctrine die vóór het Schlieffenplan was aangehangen: verdedigen in het westen en voorzichtig aanvallen in het oosten. Men had echter nu, behalve met Frankrijk en Rusland, ook met het Verenigd Koninkrijk en een zeeblokkade te maken.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Erich von Manstein

Bij de start van de Tweede Wereldoorlog werd een plan gebruikt dat wel succesvol bleek. Dat plan was bedacht door de Duitse Generale Staf-generaal Erich von Manstein. Het naar hem genoemde plan en het Schlieffenplan verschillen wezenlijk van elkaar.

Het Schlieffenplan beoogde de vernietiging van de Franse strijdkrachten op de Frans-Duitse grens door een brede omtrekkende beweging van de hoofdmacht via het toegankelijke terrein van Noord-België om Frankrijk uit het Noorden binnen te vallen en dan naar het oosten te zwenken.

Het Mansteinplan ging er terecht van uit dat de geallieerden op een heruitgave van het Schlieffenplan zouden zijn voorbereid en naar België zouden oprukken om de Duitse aanval daar op te vangen.

In het Mansteinplan moest de inval in België en Nederland vooral dienen om de Britten en Fransen te misleiden en hun strijdkrachten naar België lokken. De hoofdkrachtsinspanning echter moest door de pantserdivisies geleverd worden die moesten oprukken door de voor pantsertroepen ontoegankelijk geachte Ardennen. In de buurt van Sedan moesten ze de Maas oversteken en dan onversaagd doorstoten naar de Kanaalkust langs het gunstig tankterrein van de waterscheidingslijn tussen het Seine- en Sommebekken in het Zuiden en het Maas- en Scheldebekken in het Noorden.

De uitvoering van het Mansteinplan was een succes voor het Duitse leger en een complete verrassing voor de Belgische, Britse en Franse strijdkrachten. In de Angelsaksische wereld staat de Duitse inval in Nederland, België, Frankrijk in mei 40, bekend als de Blitzkrieg.

Discussie[bewerken]

Er is veel discussie geweest - en nog gaande - of Von Moltke's aanpassingen in het Schlieffenplan het plan versterkt of verzwakt hebben. Schlieffen zelf toonde zich een tegenstander van de wijzigingen die zijn opvolger aanbracht. Analyses in de jaren tachtig wezen echter op een vergroting van het aantal divisies dat Von Moltke hierdoor effectief via België kon inzetten. Maar feit is dat zijn aangepaste Schlieffenplan mislukte.

De documenten van het Schlieffenplan[bewerken]

De originele documenten van het Schlieffenplan, waarvan werd aangenomen dat deze in 1945 bij de bombardementen op het Reichsarchiv in Potsdam verloren waren gegaan, zijn in 1953 door de historicus Gerhard Ritter herontdekt tussen de archiefstukken die de Amerikanen in Duitsland in beslag hadden genomen. Ze werden in 1956 gepubliceerd in zijn boek: "Der Schlieffenplan. Kritik eines Mythos".[1]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zie PDF-document de Engelse vertaling van dit boek.