Max Havelaar (boek)
| Max Havelaar | ||||
| Vijfde druk 1881 | ||||
| Auteur(s) | Eduard Douwes Dekker | |||
| Land | Nederland | |||
| Taal | Nederlands | |||
| Uitgever | J. de Ruyter K.H. Schadd G.L. Funke Uitgevers-maatschappij Elsevier Van Munster en Zonen Edmonston Bas Lubberhuizen |
|||
| Medium | ||||
| Verfilming | Max Havelaar | |||
|
||||
Max Havelaar, of de koffi-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy is een in 1860 gepubliceerde roman van Multatuli (het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) over een man die probeert te vechten tegen het corrupte regeringssysteem van Nederlands-Indië. Het werk heeft een grote invloed gehad op zowel de Nederlandse literatuur als de Nederlandse koloniale politiek. Max Havelaar geldt als een van de belangrijkste werken uit de canon van de Nederlandse literatuur. Het boek werd in 1976 verfilmd.
Achtergrond[bewerken]
De politieke heerschappij over Indonesië was in het begin van de negentiende eeuw van de VOC overgegaan naar de Nederlandse regering. Om de winst te vergroten werd het Cultuurstelsel ingevoerd, een serie maatregelen die de planters in staat stelde waardevolle landbouwproducten te verbouwen, in plaats van alleen voedingsmiddelen zoals rijst. Daarbij werd een belastingstelsel ingevoerd waarvan de ambtenaren volgens een commissiesysteem werden beloond. De combinatie van deze twee maatregelen veroorzaakte een wijdverbreide corruptie, die resulteerde in grote armoede en hongersnood onder de inheemse bevolking.
Douwes Dekker schreef Max Havelaar uit protest tegen deze koloniale maatregelen. En hoewel hij zo goed als onbekend was als auteur ten tijde van publicatie, wist hij met zijn boek bij Nederlanders het bewustzijn op te roepen dat de weelde die zij genoten het resultaat was van menselijk lijden in andere delen van de wereld.
Thematiek[bewerken]
Multatuli schreef Max Havelaar als een aanklacht tegen het misbruik van het cultuurstelsel, tegen herendiensten, en tegen plichtsverzuim door Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië.
Tot Dekkers frustratie werd het werk als zodanig niet serieus genoeg genomen. Het maakte van Multatuli echter meteen een bekende schrijver. Daarnaast was er nog een ander motief: na zijn ontslag als "assistent-resident" in Nederlandsch Indië was Multatuli tot bittere armoede vervallen, waarna hij hoopte op eerherstel en een nieuwe ambtelijke functie in de kolonie. Hij was zelfs bereid van publicatie af te zien, indien door de toenmalige regering aan zijn "wensen" zou worden voldaan. In een brief aan zijn vrouw Tine gedateerd 20 november 1859 licht hij dat toe. Die wensen hielden onder andere in:[1]
-
- resident op Java, Speciaal Passaroeang om mijne schulden te betalen;
- herstel van diensttijd voor het pensioen;
- een ruim voorschot;
- een lintje: de orde van de Nederlandse Leeuw.
Dat lintje zag hij vooral als eerherstel en als een blijk van erkenning. In de onderhandelingen werd Dekker zelfs "eene convenable betrekking" aangeboden in West-Indië, in ruil voor het achterhouden van het boek. Maar dat was Dekker niet genoeg. In een brief aan koning Willem III schrijft Dekker:
| "Ik heb dat aanbod afgewezen met de verachting die ik koester voor lieden die geen begrip hebben van belangelooze pligtsvervulling. In Oost-Indië kon ik nuttig wezen. Eene eervolle functie dáár, zou het principe kroonen dat ik heb voorgestaan. Maar eene plaatsing in de West, hoe winstgevend ook, zou de prijs wezen mijner stilzwijgendheid, de prijs alzoo van mijne eer. En Uwer Majesteits minister heeft geene betrekkingen te begeven, hoog genoeg bezoldigd voor zoodanigen ruilhandel"[2] — Eduard Douwes Dekker
|
Ook door anderen, onder wie bijvoorbeeld Van Lennep, werd gepoogd Dekker een functie toe te spelen, om zo de publicatie te voorkomen.[3]
De titel: Max Havelaar, of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy door Multatuli[bewerken]
Het boek draagt een dubbele titel: Max Havelaar, of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy door Multatuli. Die titel lijkt wat vreemd, voor een boek waarin verrassend weinig over koffie en koffie-veilingen te vinden is, en nog minder over de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Daar waren al snel klachten over van lezers in die tijd.
Maar deze dubbele titel was zeer belangrijk, Multatuli had vele redenen om voor deze ondertitel te kiezen:
- het gebruik van een ondertitel was heel gebruikelijk in de negentiende eeuw.
-
- Een ondertitel kon worden gebruikt om het roman-karakter van het boek te onderstrepen of om de moraal van het verhaal samen te vatten. De ironie van Multatuli komt al direct in deze ondertitel naar voren, de lezer wordt op het verkeerde been gezet, door te verwijzen naar een bestaande instelling, die iedereen kende in die tijd. Voor de lezer bleef de vraag open: is dit wel of geen fictie?
- Ook Droogstoppel wordt erdoor misleid. Hij schrijft dat het boek de koffijveilingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappy[4] zal gaan heten, een onderwerp dat hem zeer interesseert, maar gaandeweg merkt hij dat het boek daar niet over gaat. Hij lijkt niet te merken dat de titel slechts een ondertitel is.
- De koffieveilingen alleen droegen voor een belangrijk deel - dertig tot vijftig procent en indirect nog meer - bij aan de Nederlandse staatsinkomsten.
-
- De Nederlandsche Handel-Maatschappij werd zo voor Dekker het symbool bij uitstek voor de onderdrukking en uitbuiting van de Javaan en de koloniale politiek als geheel.
- In die tijd was er veel te doen over de gang van zaken bij de tweejaarlijkse koffieveilingen in Amsterdam.
-
- In het parlement waren er lange discussies.[5] Kranten als de Nieuwe Rotterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad stonden vol met felle ingezonden stukken in de jaren voorafgaand aan de uitgave van de Max Havelaar. Met de ondertitel speelde Multatuli in op de actualiteit van die dagen.
- De grote koffiemakelaars in Amsterdam vormden een zeer gesloten gemeenschap.
-
- Deze makelaars beheersten de markt volledig, speelden elkaar de bal toe, sloten andere beroepsgroepen uit, er was sprake van prijsopdrijving en zo konden geweldige winsten gemaakt worden.[6]
In die tijd werd er geen inkomstenbelasting geheven in Nederland. Dat was ook niet nodig: de winsten uit de kolonie waren meer dan genoeg. Dat alles kon niet anders dan afgunst wekken. Nog een reden voor Multatuli om een Droogstoppel op te voeren.[7]
-
- Zou het wonder zijn, indien Multatuli uit dergelijke uitlatingen, die in de couranten herhaald en vaak nog verscherpt werden, zijn kennis van de koffieveilingen puttend, zulk een schoen passend had gevonden voor zijn Batavus Droogstoppel ? [8] C. te Lintum.
Multatuli wilde gelezen worden, en greep daarvoor elk middel aan: de ondertitel trok de aandacht, en verleidde lezers om het boek aan te schaffen en te lezen.
De Opdracht[bewerken]
| Aan E. H. v. W.[9] | AAN DE[10] DIEP VEREERDE GEDACHTENIS |
| ,, J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poète, et, sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité n'est de trop. Le plus rare ensemble de mérites n'est que le strict nécessaire, et ne suffit même pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, — recueillir dans ses bras et soigner ce poète qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche; — ou bien le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère, . . . . voilà l'ordinaire de l'existence pour une femme de poète. Oui, mais aussi il y a le chapître des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnées à la sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme légitimement aimée; aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde à cet ,,aveugle errant"; --
Car, ne vous-y-trompez pas; presque tous les petits-fils d'Homère sont plus ou moins aveugles à leur façon; — ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut et plus au fond que les nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie." |
Vaak heb ik dichtersvrouwen zich horen beklagen, en ongetwijfeld is het waar dat geen bekwaamheid in het leven groot genoeg is om deze moeilijke positie waardig te kunnen bekleden. Slechts buitengewone eigenschappen zijn onontbeerlijk, en zelfs dat is niet altijd genoeg als het om het gemeenschappelijk geluk gaat. Voortdurend de muze als derde bij uw intiemste gesprekken te moeten aantreffen, en te zien dat zij de dichter, die toch haar echtgenoot is, dat zij hem in haar armen neemt en verzorgt wanneer hij zwaar getroffen vanwege de desillusies van zijn opdracht thuiswaarts keert naar haar, of hem plotseling te zien wegfladderen om na te jagen wat hem voor ogen zweeft. Ziedaar het dagelijks leven van een dichtersvrouw. Ja, maar dan is er nog het uur van de beloning, het moment dat hij de laueren oogst die hij met het zweet van zijn genie heeft verkregen, wanneer hij ze eerbiedig neerlegt aan de voeten van zijn wettige gezellin, die als Antigone in deze wereld haar “dolende blinde” tot gids dient.
— Want, vergist u zich niet: bijna alle kleinzonen van Homerus zijn enigemate blind op hun manier; — ze zien wat wij niet zien; hun blikken dringen dieper en verder door dan de onze; maar ze kijken niet vlak voor zich, naar het dagelijks bestaan; ze zouden in staat zijn om over het kleinste kiezelsteentje te struikelen en hun neus te stoten, als zij zonder ondersteuning moesten wandelen door de prozaïsche velden waarin het leven zich afspeelt. |
| (Henry de Pène) | vertaling: G.Wolf |
Drie dagen voordat Dekker zijn manuscript in het net klaar had, las hij in een Belgisch tijdschrift: Le Nord. Journal international[13] bovenstaande tekst.
Henri de Pène (1830-1888) was een Franse journalist, hij verzorgde een soort van roddelrubriek over wat er zich in de theaterwereld te Parijs afspeelde. De betreffende aflevering bevatte een opdracht uit een stuk van Jules Lacroix.[14] Deze auteur was door zijn toenemende blindheid niet meer in staat zijn eigen teksten te lezen en had daarvoor de hulp van zijn vrouw nodig:
Daarna kwam het stuk, dat Multatuli had overgenomen. Daarbij liet hij twee zinsneden weg:
- na: leur petit bonhomme de chemin stond nog: comme on dit vulgairement.
- na: la vie stond een komma, en: tantôt dans des palais, et tantôt sous le chaume.
In een ietwat pompeus Frans schildert De Pène hier de bovenmenselijke eisen die er aan de wettige echtgenote van een dichter worden gesteld, maar ook hoe groot de beloning voor haar zal zijn. De vrouw van Lacroix, en in haar alle vrouwen van dichters, wordt vergeleken met Antigone uit de tragedie Oedipus te Colonus van Sophocles. Daar is het Antigone, die haar blinde vader door de woestijn leidt tijdens zijn verbanning. Daarbovenop komt dan nog de verwijzing naar Homerus, die als de aartsvader van alle dichters werd beschouwd. Ook Homerus zou op latere leeftijd blind zijn geworden en als zanger hebben rondgezworven.
Met deze opdracht zet Multatuli zichzelf neer als romantisch dichter, en impliciet zijn boek als een artistieke creatie. Tegelijkertijd dicht hij — bij monde van De Pène — zijn vrouw alle eigenschappen toe die in het citaat aan een echtgenote van een dichter worden toegeschreven. En passant vergelijkt Dekker zich met de blinde zwerver Oedipus, want ook Dekker was op de vlucht — voor zijn schuldeisers — en moest zwerven, verbannen van huis en haard.
Met dit alles speelt dan — net als bij de dubbele titel — voor de lezer wederom de vraag: is dit boek fictie of toch "waar" gebeurd? Met deze dubbelzinnigheid blijft Dekker spelen door het hele boek heen, tot op het moment dat hij in het laatste hoofdstuk Droogstoppel laat stikken in koffie, Stern wegstuurt, en zich als Multatuli bekend maakt.
Het pseudoniem Multatuli[bewerken]
Dit pseudoniem is ontleend aan Horatius, het tweede boek met brieven, dat moet Dekker in zijn schooltijd onder ogen hebben gehad. Daarin vindt men de volgende versregels:[15]
|
Qui Studet optatem cursu contingere metum, |
Deze regels laten zich vertalen als: Wie ernaar streeft iets in de loop van het leven te bereiken, moet als jongeman veel dragen, veel doen, veel zweten en kou lijden, en zich onthouden van vrouwen en wijn.
Dekker gebruikt de aanduiding Multatuli voor de eerste keer in een brief dd. 24 september 1859 aan mr. W.J.C. van Hasselt:[16]
Multatuli is een zeer welluidend pseudoniem dat nu, honderdvijftig jaar later, verduidelijking en vertaling behoeft. Negentiende-eeuwse lezers die het zich konden veroorloven het boek te kopen, waren meestal ook in staat het pseudoniem te vertalen. Ook waren Latijnse pseudoniemen in Multatuli's tijd niet ongewoon. Dat belette Dekker niet om op de laatste pagina's van zijn boek de vertaling van zijn pseudoniem nadrukkelijk te vermelden, en met de betekenis ervan in het boek te spelen.[17]
|
Ja, ik, Multatuli «die veel gedragen heb» neem de pen op. |
Op meerdere plaatsen in het boek werd door Multatuli zeer nadrukkelijk met het lijden van Havelaar gespeeld. Die heeft veel geleden, veel gedragen, veel ondervonden. In het zesde hoofdstuk noemt Multatuli zo ongeveer alle rampen op, die een mens kunnen overkomen:[18][19]
In het zevende hoofdstuk is er nóg een passage, waarin het lijden van Havelaar wordt aangestipt:
Het lijden slaat echter niet alleen op Havelaar, maar is evenzeer van toepassing op de inlander. Dit lijden komt vooral tot uitdrukking in de vertelling over Saïdjah en Adinda.
Meer informatie over het pseudoniem is te vinden bij het lemma over de schrijver Multatuli.
Een toneelspel als motto[bewerken]
Als "motto" fungeert een Onuitgegeven toneelspel waarin Lothario - hoewel onschuldig - veroordeeld wordt tot ophanging omdat hij schuldig zou zijn aan eigenwaan. Met dit motto verwees Dekker naar die lieden die hem zullen verwijten zelfingenomen te zijn nu hij zich in de Max Havelaar vrij pleitte van schuld. In een brief meldde Dekker daarover aan Tine:[20]
De naam Lothario is door Dekker ontleend aan Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre.[21] Lothario, door Goethe opgevoerd als prototype van een edel mens, wordt onterecht beschuldigd. Hij zou einen liederlichen jungen Edelmann zijn. Wilhelm gaat naar Lothario toe om hem eens duchtig de "waarheid" te zeggen. Maar Wilhelm komt er uiteindelijk achter dat hijzelf de schuldige is. De overeenkomsten met de edele Havelaar, die ook onterecht beschuldigd en veroordeeld wordt, zijn overduidelijk.
In het "onuitgegeven Tooneelspel" wordt Lothario beschuldigd van het vermoorden en inzouten van Barbertje. Zonder enig bewijs, neemt de rechter dit voor waar aan: "Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan". De echo van dat "zeer verkeerd gedaan" is te vinden aan het eind van hoofdstuk acht in het boek: Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan.,[22] en ook in hoofdstuk dertien: Omdat ik hem te Natal zo gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men eraan toe, zeer verkeerd had gedaan.[23]
Als de beschuldigde zich verdedigt en vraagt om getuigen, die kunnen bevestigen, dat hij een edel mens is, wordt hij beschuldigd van "eigenwaan". Wanneer het vermeende slachtoffer komt getuigen, dat Lothario een goed mens is, blijkt de beschuldiging van moord weliswaar onterecht, maar de "eigenwaan" blijft, en ook daar staat de doodstraf op. De rechter is enkel uit op een veroordeling...
De veroordeling op grond van hoogmoed is ontleend aan Nathan der Weise van Lessing. In de laatste zin van het toneelspel verwijst Dekker rechtstreeks naar dit drama. Er zijn heel veel meer overeenkomsten dan enkel dat: de hele scène in het toneelstukje is in feite geplagieerd.[24] Wel is elke verwijzing naar religie door Dekker eruit verwijderd.
Het tafereel is te vinden in het vierde bedrijf, tweede toneel, van Nathan der Weise. Daar wordt de rechter een "hypothetische casus voorgelegd: een joodse man heeft zich ontfermd over een meisje, dat wees was geworden. Hij heeft het kind in alle deugd opgevoed, enkel niet in de Christelijke leer. Juist dat is dus het hals-misdrijf.[25] Maar eigenlijk gaat het over Nathan en zijn pleegdochter.
Zeker nu het een jood betreft: een christen tot geloofsafval brengen... dan is de brandstapel nog niet eens genoeg straf. De tegenwerping, dat het meisje het zonder zijn hulp niet had overleefd, die wordt weggewuifd met: Thut nichts! Der Jude wird verbrannt. De tekst gaat verder met:
Ook in dit stuk beroemt de beklaagde zich op zijn braafheid, net zo is hier een "vreemdeling" geadopteerd. Zoals de naam "Barbertje" al aangeeft, want mogelijk afgeleid van het Griekse "barbaros".[26]
Buiten dit is er nog een ander stuk van Goethe: Faust waaraan de naam "Barbertje" ontleend zou kunnen zijn. Bärbelchen heet daar het meisje, zij is het mikpunt van haar omgeving, want zij is ongehuwd zwanger en de "vader" van haar kind heeft haar verlaten. Ook hier is sprake van onterechte verachting door omstanders. Bij Multatuli wordt evenwel niet het meisje bedreigd, maar is haar beschermer degene, die moet vrezen voor zijn leven, op grond van een vals gerucht.[27]
De argumentatie van de rechter is zo absurd, dat geen lezer de ironie, die erin verscholen ligt, zal kunnen missen. Soortgelijke redeneringen vindt men ook elders in de Max Havelaar, als Droogstoppel en Wawelaar op dreef zijn.
Telkens is hier de tegenstelling tussen waarheid, eerlijkheid en medemenselijkheid tegenover schijnheiligheid en gevoelloosheid. En deze tegenstelling geldt voor de gehele Max Havelaar.
De lezer kan weten wat hem te wachten staat, welk ander doel kan een motto dienen?
De indeling in hoofdstukken[bewerken]
In de twee uitgaven die Dekker zelf kon verzorgen merkte hij daarover op:[28]
In tegenstelling tot wat Dekker hier beweert, was de tekst in het handschrift door hemzelf wel degelijk in hoofdstukken ingedeeld. Elk hoofdstuk was door een streep aan het einde gemarkeerd. Dekker gaat direct daarna door met de tekst van het volgende hoofdstuk, een nieuw hoofdstuk begint niet bovenaan een nieuwe pagina. Ook een nummering ontbreekt. In het handschrift zijn er op deze manier in totaal 39 hoofdstukken aan te wijzen.
De indeling in hoofdstukken is bovendien verankerd in de tekst zelf. Op bladzijde 8[29] wordt de lezer door Droogstoppel geïnformeerd:
|
Daar ik nu voor het oogenblik afscheid van u neem... noodig ik U straks op een tweede hoofdstuk. |
Op bladzijde 95[29] staat er:
|
... en als gij gesteld zijt op wat afwisseling in mijne vertelling, moet ge mij het volgend hoofdstuk lezen, waarin ik U mededeel wt er zoo al gesproken werd bij dat maal. |
In het vervolg van de tekst wordt er ook naar deze passage terugverwezen:
Verder op midden hoofdstuk negen, volgens de telling van Van Lennep, doet Droogstoppel zijn beklag over Sterns opstel. In het handschrift staat daar:
|
Met de laatste tien hoofdstukken heeft hij [Stern] ons drie kransavonden bezig gehouden. |
Door Van Lennep is dit veranderd in: Met zijn opstel heeft hy ons al drie kransavonden bezig gehouden.... Zo werd Multatuli's indeling in hoofdstukken onzichtbaar gemaakt voor de lezer. En deze indeling in hoofdstukken bleef gehandhaafd in de uitgaven die Dekker zelf corrigeerde, want vijftien jaar later was dit detail uit zijn geheugen weggezakt. Het handschrift, dat hem hierbij had kunnen helpen, heeft Dekker nooit teruggezien.
A.L. Sötemann schrijft over dit alles:[30]
Van Lennep was zich heel wel bewust van de betekenis van de strepen in het manuscript, en hij volgde ze ook wel, vooral in de eerste hoofdstukken van Droogstoppel, maar daarna veel minder. Kennelijk vond hij negen-en-dertig hoofdstukken iets te veel van het goede of vond hij de hoofdstukken te kort. Hoofdstukken werden bij elkaar gevoegd: door met rode en paarse inkt de strepen door te krassen. Zo brengt Van Lennep het aantal hoofdstukken in het manuscript eerst terug tot zeventien. Het uiteindelijke aantal hoofdstukken in druk is iets groter, namelijk twintig. Ook tijdens de correctie van het zetsel veranderde Van Lennep nog een groot aantal zaken.
Het gevolg is dat Droogstoppel steeds halverwege een hoofdstuk de pen van Stern overneemt. Het betreft: hoofdstuk IX, XVI, XVIII en XX. Bij Multatuli's indeling is van dergelijke wisselingen geen sprake, behalve aan het einde, als Multatuli Stern en Droogstoppel congé geeft voordat hij een nieuw hoofdstuk begint met zijn slotwoord, manifest en opdracht.
De onderstaande tabel is ontleend aan Sötemanns analyse, de paginanummering is uit het "handschrift", zoals door Stuiveling uitgegeven in 1949.[31][32]
| hoofdstuk van Multatuli aangeduid met een witregel en een streep |
blz. | auteur | hoofdstuk indeling Van Lennep in manuscript |
hoofdstukken in eerste druk |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 3-8 | Droogstoppel | I | Eerste Hoofdstuk |
| 2 | 8-14 | II | Tweede Hoofdstuk | |
| 3 | 14-22 | III | Derde Hoofdstuk | |
| 4 | 22-31 | IV |
Vierde Hoofdstuk |
|
| 5 | 31-38 | |||
| 6 | 38-41 | Stern | V |
Vijfde Hoofdstuk |
| 7 | 41-45 | |||
| 8 | 45-52 | |||
| 9 | 52-57 | VI |
Zesde Hoofdstuk. |
|
| 10 | 57-65 | |||
| 11 | 65-74 | VII |
Zevende Hoofdstuk |
|
| 12 | 64-81 | |||
| 13 | 81-89 | VIII | Achtste Hoofdstuk. |
|
| 14 | 89-95 | IX, doorgestreept |
||
| 15 | 95-97 | Negende Hoofdstuk |
||
| 16 | 97-104 | Droogstoppel |
X | |
| 17 | 104-107 | XI, later:X |
Tiende Hoofdstuk | |
| 18 | 107-114 | Stern | Elfde Hoofdstuk |
|
| 19 | 114-121 | |||
| 20 | 121-130 | XI | Twaalfde Hoofdstuk. |
|
| 21 | 130-134 | XII |
Dertiende Hoofdstuk. |
|
| 22 | 134-140 | |||
| 23 | 140-149 | XIII |
Veertiende Hoofdstuk. |
|
| 24 | 149-160 | |||
| 25 | 160-169 | XIII |
Vijftiende Hoofdstuk. |
|
| 26 | 169-172 | |||
| 27 | 172-179 | XIV |
Zestiende Hoofdstuk. |
|
| 28 | 179-185 | Droogstoppel | ||
| 29 | 185-193 | Stern | XV |
Zeventiende Hoofdstuk. |
| 30 | 193-203 | |||
| 31 | 203-206 | |||
| 32 | 206-211 | XVI |
Achttiende Hoofdstuk. |
|
| 33 | 212-216 | Droogstoppel | ||
| 34 | 216-221 | Stern | XVII |
Negentiende Hoofdstuk. |
| 35 | 221-223 | |||
| 36 | 223-225 | |||
| 37 | 225-233 | Twintigste Hoofdstuk. |
||
| 38 | 233-236 | |||
| 38 | 236 | Stern,afgekapt door Multatuli, met een interruptie van Droogstoppel |
||
| 39 | 236-239 | Multatuli |
Het verhaal verteld door drie "auteurs": Droogstoppel, Stern en Multatuli[bewerken]
Max Havelaar bevat meerdere raamvertellingen en minstens twee hoofdthema's, waarvan het ene min of meer losstaat van het andere. Het is dankzij deze structuur een typisch voorbeeld van een dubbelroman.[33]
In het begin is Droogstoppel aan het woord, het prototype van een benepen, gierig man zonder een greintje fantasie, die erg ingenomen is met zichzelf. Droogstoppel ontmoet na vele jaren een voormalige schoolgenoot, Sjaalman (een alter ego van Multatuli), die hem vraagt een manuscript uit te geven. Droogstoppel laat dat werk doen door de Duitse stagiair Ernest Stern.
Dit eerste deel waarin Droogstoppel het woord neemt vult vijf hoofdstukken uit het handschrift. Later komt Droogstoppel nog een paar keer aan het woord, volgens eigen zeggen om het boek een solide voorkomen te geven. Deze delen zijn korter: een keer twee hoofdstukken en twee keer een hoofdstuk. In de hoofdstukindeling van Van Lennep neemt Droogstoppel midden in een hoofdstuk de pen over.
Dan is er het verhaal geschreven door Stern, het belangrijkste deel van het boek. Dit verhaal volgt in grote lijnen de werkelijke belevenissen van Max Havelaar (zoals Dekker hier wordt genoemd) als assistent-resident in Nederlands-Indië.
Dit deel is op zich weer een kaderverhaal, want in een aantal hoofdstukken vertelt Havelaar zijn voorgeschiedenis, onder andere op Sumatra. Hij vertelt er ook de parabel van de Japanse steenhouwer, oorspronkelijk van Wolter Robert van Hoëvell (1812-1879). Die wenst zich niet te schikken in zijn nederige lot en krijgt de kans via een aantal identiteitswisselingen steeds hogerop te komen. Hij verandert zelfs in de regen, en in de rots waarin hij had gehakt — "doch tevreden was hij niet". Ten slotte keert hij terug in zijn oude beroep. Het is een verhaal met een moraal (een subtekst waaruit de lezer een les kan trekken): ambitie maakt ongelukkig, tevredenheid is beter dan verlangen.
Naast de geschiedenis van Havelaar, bevatten de Stern-fases ook vele uitweidingen: daartussen is ook het beroemde verhaal van Saïdjah en Adinda te vinden. Het gaat hier om de avonturen van een onderdrukte Javaan. Dit verhaal, dat lezers vanaf de verschijning van het boek sterk heeft aangesproken, is een felle aanklacht tegen de uitbuiting van de Javanen, de uitzichtloosheid van het volk en het werkeloos toezien van de autoriteiten. Dekker vergelijkt het verhaal met De hut van Oom Tom: een gefantaseerde roman met de belevenissen van onderdrukte personen, wat veel meer indruk maakt dan een waarheidsgetrouwe, maar droge beschrijving van de onderdrukkingen.
Mulatuli werd vele malen aangevallen, over zijn haast terloopse opmerkingen over de koloniale krijgsmacht. Maar juist hier liet Dekker zijn twijfels over het koloniale beleid zo overduidelijk zien.
Aan het einde van het voorlaatste hoofdstuk neemt de schrijver, met het pseudoniem Multatuli, zelf het woord. Hij bedankt Stern vriendelijk voor zijn schrijfwerk. Hij scheldt Droogstoppel uit (ellendig produkt van vuile geldzucht en Godslasterlijke femelarij) en beveelt hem te verdwijnen. Nu komt een aanklacht tegen de beschreven corruptie en de reden waarom het boek geschreven werd. Uiteindelijk schrijft Multatuli een opdracht aan het staatshoofd, koning Willem III. Hij waarschuwt de koning voor wat er in zijn naam gebeurt in het rijk van Insulinde, de "gordel van smaragd".
De aanhef en het laatste appel[bewerken]
De aanhef en de eerste zin uit de Max Havelaar is een der bekendste passages uit Multatuli's oeuvre en uit de Nederlandse literatuur:
|
Deze "ik" is Batavus Droogstoppel, en het is geen toeval dat het boek met het woord "ik" begint. Droogstoppel staat voor het egoïstische type zakenman dat alles op zichzelf en op eigen gewin betrekt, en niet in staat is buiten de eigen enge denkkaders te treden.
Het boek besluit met een indringend appel, waarin Multatuli nog eenmaal zijn vermogens tentoonspreidt, zowel retorisch als typografisch, inspringen aan het begin van de alinea, kleine kapitalen, grote kapitalen, cursief, witregels, dubbele witregels, alles staat in dienst van de aanklacht en de smeekbede, die het ook is, hieronder een weergave zoals het op pagina 338 van de editie uit 1881 te vinden is:
|
Uitgeefgeschiedenis[bewerken]
Jaren voor er sprake was van een boek als de Max Havelaar had Dekker een kopie van zijn toneelstuk De Eerloze aan de Amsterdamse advocaat en schrijver Jacob van Lennep gestuurd. Toen het manuscript van Max Havelaar af was, kwam het uiteindelijk ook bij "broeder" Van Lennep terecht, die zeer enthousiast was over het boek.
Tijdens een bijeenkomst in Amsterdam op 11 januari 1860 viel het besluit om het boek te gaan uitgeven. Van Lennep beloofde een uitgever te zoeken, en kende Dekker voor de eerste zes maanden een uitkering van 200 guldens per maand toe. Bovendien deed Van Lennep aan Dekker de belofte te zullen zorgen voor gunstige voorwaarden voor de auteur.
Deze 1200 guldens gaven Dekker de mogelijkheid voor een tijdje zijn gezin te onderhouden. Alleen was Van Lennep niet geheel duidelijk waarvoor precies dit geld is bedoeld. Op 11 januari werd er niet over betaling van het kopijrecht gerept. Het geld was bedoeld als ondersteuning, het kon ook als lening worden opgevat. Later zal Van Lennep aanvoeren dat het een betaling was voor het kopijrecht.[34] Achteraf is wel duidelijk, dat Van Lennep deze 1200 gulden uit eigen zak betaalde. Bij de afrekening later, werd dan ook die 1200 guldens geheel afgetrokken van de winst-deling waarin Dekker mocht meedelen.
Op 23 januari schreef Van Lennep in een brief aan Dekker, dat hij zonder het eigendom van het kopijrecht het boek niet bij een uitgever kon onderbrengen. Deze brief heeft in de literatuur als naam gekregen: "het advocatenbriefje".[35]
Nadat Dekker dit bericht kreeg, zond hij een gezegeld document aan Van Lennep, waarin alles zo geregeld werd. Pas daarna maakte Van Lennep een aanvang met het persklaar maken van het boek.
Voor deze afdracht heeft Dekker nooit enige betaling ontvangen, en ook in juridische zin is hier geen sprake van een koop-overeenkomst.
Van Lennep veranderde een aantal gedichten omdat hij vond dat 'ij' niet op 'ei' rijmt (Dekker noemde dat kinderachtig) en hij verwijderde een aantal delen, zoals de vragen die Frits stelde over de Bijbel. Bovendien deelde Van Lennep de tekst in hoofdstukken in, en voegde zelf samenvattingen toe aan het begin van de hoofdstukken.
Eerste druk[bewerken]
De eerste druk verscheen 17 mei 1860 in twee delen bij uitgeverij J. de Ruyter in Amsterdam.[36] Drie dagen eerder, op 14 mei was het boek reeds in de handel verkrijgbaar.[37][38]
De oplage van 1300 exemplaren werd op groot octavo gedrukt bij drukkerij Van Munster en Zonen op een snelpers.[39] Er waren twee delen, van 212 en 185 pagina's. De boeken werden verkocht voor 4 gulden, een heel bedrag in die tijd - veel gezinnen moesten daar een week of langer van rond zien te komen.
Multatuli had het boek bedoeld als een aanklacht voor de massa, maar Van Lennep had de politieke boodschap afgezwakt door plaatsnamen en jaartallen door puntjes te vervangen. Ook het aantal exemplaren dat naar de "Oost" werd gezonden was zeer klein.
Toch was Dekker in eerste instantie zeer tevreden met de uitgave. Het duurde even, maar toen kwam er een "rilling door het land". Ondanks de vrij hoge prijs, werden de 1300 exemplaren van de eerste editie zeer goed verkocht. Nog hetzelfde jaar bleek een tweede editie nodig. Dekker drong er bij De Ruyter op aan, dat die volgende editie een "volkseditie" zou worden: vele duizenden exemplaren en een lage prijs, zodat het boek een ruime verspreiding zou kunnen krijgen, en ook wilde Dekker dat er exemplaren naar de "Oost" zouden worden gestuurd.
Pas toen werd hem duidelijk, dat hij alle zeggenschap kwijt was over zijn boek, en zo werd de woede van de schrijver gewekt. Er kwam geen reactie van De Ruyter. Dekker beklaagde bij Van Lennep, maar ook die liet niets horen. Dekker was hierover zeer ontstemd, want zo kreeg het boek zeker niet de verspreiding waarop hij gehoopt had. Eerst probeerde Dekker nog via bemiddeling een reactie te krijgen, maar ook dit leverde niets op.
De frustraties liepen hoog op, en uiteindelijk zou het tot een proces leiden, waarbij Dekker via het gerecht "rekening en verantwoording" probeerde af te dwingen. Maar dit proces werd door Multatuli in 1861 tot in hoger beroep verloren.
Ook het manuscript kreeg Dekker nooit meer terug. Dat kwam pas weer boven water bij de viering van 50 jaar Max Havelaar in 1910. Toen een nazaat van de Ruyter het vond tussen zijn papieren, en het ter beschikking stelde aan het Multatuli-genootschap in oprichting.
Er verscheen nog een tweede druk van dit boek bij de Ruyter. En ook nog een "dubbeldruk" daarvan: dat wil zeggen: een editie die op de titelpagina vermeldt de "tweede druk" te zijn, maar die verder geheel gedrukt is van nieuw handzetsel. Hoe groot de oplaag van dit boek was, is onbekend. Exemplaren van deze editie zijn gemakkelijk te herkennen aan het "lieve lezers" op pagina 1 van het boek.
Hierna werden de rechten op het boek geveild, en daarmee raakte Dekker elk recht op winstdeling op de verkoop zijn boek kwijt.
Derde druk[bewerken]
De nieuwe eigenaar, Karel Hermanus Schadd, bracht zeer snel (december 1871) een goedkope uitgave uit in een grote oplage: 5000 stuks à f2.40 ingenaaid of f2.90 gebonden. Nu was er wel de volks-uitgave, die Dekker had gewild... maar hij had geen enkele inbreng en invloed meer. Bovendien had hij geen enkele inkomsten meer uit zijn boek: de nieuwe eigenaar liet de auteur niet meedelen in de winsten gemaakt op de verkoop van het boek.
Voor deze editie werd een exemplaar gebruikt van de "dubbeldruk" van de tweede druk als "legger" of tekstbron, want ook hier is het "lieve lezers" op pagina 1 gehandhaafd. Pas in de volgende uitgaaf, die Multatuli zelf zou corrigeren, werd dit teruggedraaid.
Engelse vertaling door Nahuijs[bewerken]
Wel werd Dekker gevraagd een bijdrage te leveren aan de eerste vertaling van het boek in het Engels. Hier was het Dekker voor het eerst mogelijk de puntjes van Van Lennep te vervangen door de volledige plaats- en persoonsnamen. Daarnaast leverde Dekker een aantal noten, om de tekst voor de Engelse lezer begrijpelijk te maken.
De vertaling was gemaakt door een Nederlander: Baron Alphonse Nahuijs, die in Engeland werkte voor een telegraaf-maatschappij. Deze uitgave verscheen begin februari 1868 bij uitgeverij Edmonston & Douglas voor een prijs van 12 shilling. Vanaf 12 maart 1868 was het boek ook in Nederland te koop. Dit boek draagt als titel: Multatuli, Max Havelaar or the Coffee auctions of the Dutch Trading Company. Translated from the original manuscript by A. Nahuijs, Edinburgh, 1868.
Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat Nahuijs over het originele manuscript kon beschikken, want dat kwam pas vele decennia later -- in 1910 -- boven water bij de erven van De Ruyter. Zo bleef in deze uitgaaf bijvoorbeeld de indeling in hoofdstukken door Van Lennep gehandhaafd. De opmerking 'from the original manuscript' diende eerder om juridische procedures uit te sluiten, aangezien de rechten op vertalingen van het boek nog nog altijd bij Van Lennep berustten. Daarvoor was in het contract tussen Van Lennep en De Ruyter een aparte clausule opgenomen.
Vierde en vijfde druk[bewerken]
De derde druk was in minder dan anderhalf jaar vrijwel uitverkocht. Schadd verkocht voorjaar 1873 de kopij-rechten. Via een Leidse drukkers-firma kwamen de rechten uiteindelijk in handen van G.L.Funke. Deze heer wist uiteindelijk het vertrouwen te winnen van de auteur, en bracht samen met Dekker een "vierde - door den auteur herziene - druk" uit. Het is dan 1875. Ook financieel ging Dekker erop vooruit: hij werd voortaan betaald voor elk vel, dat hij van de drukproeven corrigeerde.
Voor het eerst kon Dekker in een Nederlandse editie proberen de ingrepen door Van Lennep terug te draaien. Alles, dat kon niet, aangezien Dekker niet de beschikking had over het handschrift. Dat zou pas in 1910 boven water komen -- lang na de dood van Dekker in 1887. Wel kon Multatuli een groot aantal noten aan de tekst toevoegen, wat de waarde van de uitgave zeer ten goede kwam.
Die noten werden nog verder aangevuld in een "vijfde - door den auteur herziene - druk". Deze uitgave verscheen in 1881 bij de nieuwe uitgeversmaatschappij Elsevier, en was daarmee ook de laatste uitgave van deze tekst tijdens het leven van Multatuli, waaraan de schrijver een bijdrage leverde.
Een uitgebreide uitleg over de uitgeef-geschiedenis van het boek is te vinden op Max Havelaar (uitgeef-geschiedenis)
Moderne herdrukken[bewerken]
In Nederland heeft het boek herdruk op herdruk beleefd. Anders dan veel ander negentiende-eeuws literair werk is het nog steeds in de winkel verkrijgbaar. De tekst in de herdrukken die men heden in de boekwinkels aantreft is soms gebaseerd op de versie van 1875, soms op het handschrift, maar steeds vaker op de vijfde druk uit 1881, de laatste door de schrijver herziene druk. Dat is met de hoofdstukindeling van Van Lennep, alle niet gecorrigeerde veranderingen, maar met de correcties en de aangevulde noten van Dekker. In die laatste druk heeft Dekker op zeer veel plaatsen nog stilistische veranderingen en aanvullingen toegevoegd aan de tekst. In de editie-wetenschap wordt daarom deze druk als de norm gezien.
Het verhaal van Saïdjah en Adinda is in een aantal losse uitgaven verschenen. Ook andere fragmenten zijn apart uitgebracht, zoals Havelaars "Toespraak tot de hoofden van Lebak". Daarnaast zijn er veel bloemlezingen waarin men teksten uit de Max Havelaar kan vinden.
De Max Havelaar is in meer dan 140 talen uitgegeven. Ook in Indonesië wordt het boek - in vertaling - veel gelezen. De naam Multatuli is voor immer verbonden met de historie van de natie.
De verfilming (Fons Rademakers, 1976) van het boek heeft ervoor gezorgd dat de roman bij een nieuw publiek weer onder de aandacht werd gebracht. In 2007 maakte toneelregisseur Ab Gietelink een toneelstuk over Max Havelaar.
Ontvangst[bewerken]
Nadat het boek was uitgekomen verscheen na ongeveer drie weken de eerste recensie. Typerend voor een deel van de reacties is een ingezonden brief in het conservatieve weekblad Nederlandsch Indië van 4 juni 1860,[40] waarin de schrijver zich meldt als "Droogstoppel" in persoon:
Deze lezer kwam tot de ontdekking dat er uit het boek over de handel in koffie bijzonder weinig te leren viel. Het boek werd gelezen, en Multatuli's romanfiguur Droogstoppel was al aardig bekend.
Nadat Van Lennep zijn contacten bij de kranten had ingeseind, kwamen de recensies los. Sommige waren zuinig, maar de literaire kwaliteiten werden allerwege herkend:
- 3 juni 1860, Nieuwe Rotterdamsche Courant[41]
- 5 juni 1860, A.J. de Bull, Amsterdamsche Courant[42]
- 8 juni 1860, J.W. Tydeman, Algemeen Handelsblad[43]
Men viel vooral over het slot van de roman. Pas later viel de boekbesprekers ook de merkwaardige opbouw op van het boek, dat geen roman is als veel andere uit die tijd.
- P.J.B.C. Robidé, in De nederlandsche Spectator[44]
Op dat moment brak een lawine van reacties los, maar in de Volledige Werken is daarvan zeer weinig opgenomen. Wel is er nog 1 juli en 1 augustus een bespreking van de Max Havelaar in De Gids door prof. dr. Veth, met de titel: Multatuli versus Droogstoppel, Slijmering en Co.[45] Over deze bespreking was Multatuli persoonlijk enthousiast.
De volksvertegenwoordiger baron W.R. van Hoëvell merkte tijdens de vergadering van de Tweede Kamer van 25 september 1860 op:
Daarmee bracht hij zijn partijgenoot en mede-kamerlid A.J. Duymaer van Twist, de man die Multatuli zijn eervolle ontslag had verleend, in verlegenheid. Die wilde zelf niet reageren. Hij heeft er in zijn verdere leven weinig over losgelaten.[46][47][48] Van Hoëvell (ook lid van de Raad van State en oprichter en redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië),[49] publiceerde in de kolonie zelf een van de eerste recensies van het boek van Multatuli.[50] Hij beëindigde zijn uiterst positieve bespreking met de profetische woorden:
Waardering in de 21e eeuw[bewerken]
In de eenentwintigste eeuw wordt Max Havelaar nog steeds gerekend tot de belangrijkste literaire werken uit de Nederlandse literatuur en nog steeds veel gelezen. Vrijwel jaarlijks verschijnen nieuwe drukken. Op de website ‘scholieren.com’, met een bereik van zo'n 5,4% onder de Nederlandse bevolking, scoort Max Havelaar continu hoog in de top honderd van meest gezochte samenvattingen (29e in 2009). In 2002 werd het boek door leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op plaats 1 gekozen in de Canon van de Nederlandse letterkunde. In 2007 koos het ‘Nederlandse publiek’ het boek als derde in de door NRC Handelsblad georganiseerde verkiezing van het beste Nederlandstalige boek ooit.
Keurmerk[bewerken]
De Stichting Max Havelaar heeft haar naam ontleend aan de titel van het boek. Deze stichting verleent een keurmerk Max Havelaar aan producten waarvan de producenten, uit derdewereldlanden, betere kansen op de internationale markt krijgen.
Trivia[bewerken]
- De titel van het boek van Chris De Stoop over drugshandel, "Ik ben makelaar in hasj" (1998) verwijst naar de beroemde openingsregel.
- In het Kiekeboealbum Geld terug (2008) komt een figuur voor die "Max Verkavelaer" heet.
- De prototypes van Frits en Marie zijn Frits en Mathilde uit Losse bladen uit het dagboek van een oud man.
- In hoofdstuk 8 wordt een couplet gebruikt van een gedicht dat Dekker had opgenomen in een brief die hij aan Arie Cornelis Kruseman schreef. In de hoofdstukken 11 en 12 worden andere gedichten uit deze zelfde brief aangehaald.
- In het Suske en Wiske album "De halve Havelaar" reizen Suske en Wiske naar het verleden en proberen ze het boek Max Havelaar te redden.
- Jos Brink maakte een musical van Max Havelaar.
Bronnen[bewerken]
- Dik van der Meulen: Multatuli, leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Sun, Amsterdam, 2002. ISBN 90 5875 202 X
- K. ter Laan (red.: Chantal Keijsper): K. ter Laan's Multatuli-encyclopedie. SDU, Den Haag, 1995. ISBN 90 12 08181 5
- Multatuli: Volledige werken (25 dln.). Van Oorschot, Amsterdam, 1951 - 1995.
- A. Kets-Vree: Multatuli, Max Havelaar. Historisch kritische uitgave, deel 2: Apparaat en commentaar. Van Gorcum, Assen / Maastricht, 1992. ISBN 90 232 2690 9
- A.L. Sötemann: De structuur van Max Havelaar (2 dln.). Wolters Noordhoff, Groningen, 1966, 2e druk 1973. ISBN 90 01 80380 6
- E.M. Beekman: Paradijzen van weleer : koloniale literatuur uit Nederlands–Indië 1600-1950. Prometheus, Amsterdam, 1998. ISBN 90 5333 593 5
Zie ook[bewerken]
Voetnoten[bewerken]
- ↑ Dekker aan Tine, VW-X, p. 122
- ↑ H. v/d Bergh, e.a., Volledige Werken van Multatuli, deel X; p. 197.
- ↑ Dik van der Meulen, Multatuli, p. 390-e.v.
- ↑ vijfde druk, 1881, pagina 22 en 41
- ↑ Handelingen van de Staten Generaal', 26 en 28 februari 1859
- ↑ W.M.F.Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan, twee delen, Haarlem 1924, 1925
- ↑ dr. A.L.Soetemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 21
- ↑ C.Lintum, "De koffie-veilingen", in: Onze eeuw, jaargang XVI (1916) deel IV, blz. 445-259
- ↑ in eerste, tweede en derde druk
- ↑ in vierde en vijfde druk
- ↑ Dekker en Everdine van Wijnbergen waren op 10 april 1846 getrouwd
- ↑ moeder van Pieter Jan Constant Eduard (Edu), geboren 1 januari 1854, en van Elisabeth Agnes Everdine (Nonni), geboren 1 juni 1857
- ↑ Le Nord, Journal International, 10 oktober 1859, 5e jaargang, nr. 248
- ↑ A.Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk. p. 3
- ↑ Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, Arbeiderspers, Amsterdam, p. 428
- ↑ VW,X-blz. 57-59
- ↑ A.L. Sötemann (1966). Structuur van de Max Havelaar. p. 22
- ↑ VW,I-blz. 83-84
- ↑ VW,I-blz. 102
- ↑ Dekker aan Tine, 27 oktober 1859, VW-X, p. 89
- ↑ Wilhelm Meisters Lehrjahre, München, 1962, D.T.V. Goethe Gesamtausgabe 25/26, dl. II
- ↑ VW-I, p. 120
- ↑ VW-I, p. 106
- ↑ Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 24-26
- ↑ Lessing, Sämtlige Schriften Bd. II, blz. 295-298
- ↑ Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 26
- ↑ A. Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk, p. 4
- ↑ Vierde druk, Max Havelaar, 1875, p. 344, Vijfde druk, 1881, p. 350, noot 1, VW-I, blz. 309
- ↑ a b G. Stuiveling, "Nulde Druk"
- ↑ De structuur van de Max Havelaar', hoofdstuk II, p. 35
- ↑ Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 36-37
- ↑ prof.dr. G. Stuiveling, Multatuli, Max Havelaar, naar het authentieke handschrift uitgegeven en ingeleid door dr.G.Stuiveling, 1949, Van Oorschot
- ↑ Dautzenberg. J. Literatuur, geschiedenis en leesdossier. Den Bosch: Malmberg, 2e druk, p. 155.
- ↑ Mr. I. Kisch, Het advocaten-briefje in het conflict Douwes-Dekker-Van Lennep, Raster 4 (1970-1971), p. 38-59
- ↑ Mr. I. Kisch, Het proces Douwes Dekker-Van Lennep, Maatstaf 11, 17e jaargang, p. 712-727, maart 1970, Arbeiderspers
- ↑ verschijningsdatum = datum advertentie in het Nieuwsblad voor den boekhandel
- ↑ Dik van der Meulen, Multatuli, 2002, p. 412: Zoals in de inleiding al bleek, heeft de eerste redacteur van de Volledige Werken, Garmt Stuiveling, ervoor gekozen Eduard Douwes Dekker vanaf 14 mei 1860, de dag dat Max Havelaar in de handel kwam, Multatuli te noemen.
- ↑ A. Kets-Vree, "Max Havelaar, deel 2, p. XXV
- ↑ A. Kets-Vree, Multatuli, Max Havelaar, deel 2, p. XLVIII
- ↑ Dik van der Meulen, Multatuli, Leven en werk van Eduard Douwes Dekker, SUN, 2002, p. 414
- ↑ VW-X, p. 238
- ↑ VW-X, p. 239-241
- ↑ VW-X, p. 245-247
- ↑ Dik van de Meulen, Multatuli, leven en..., p. 415
- ↑ De Gids, 1860, II, p. 58-82 en p. 233-269 (DM 553)
- ↑ Wat Duymaer van Twist wel over Multatuli en de Max Havelaar zei, kan worden nagelezen in: De handelingen van de Tweede kamer van de Staten-Generaal, 25 septembert 1860, pagina 31 (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag).
- ↑ De handelingen van de Tweede kamer van de Staten-Generaal, 1860-1861, p. 31, (DM 543)
- ↑ A.J. De Mare, Lijst der Geschriften van en over Eduard Douwes Dekker, E.J. Brill, Leiden 1948, p. 58
- ↑ Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 22e jaargang. p. ???
- ↑ De Inlandsche hoofden en de bevolking op Java. (Max Havelaar, of De koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-maatschappij, door Multatuli Ams.
Externe links[bewerken]
Max Havelaar , audioboek in het publiek domein op LibriVox- Website van het Multatuli-Genootschap en het Multatuli-Museum
- Max Havelaar op Project Gutenberg
- Max Havelaar (toneel) door Theater Nomade
| Wikiquote heeft één of meer citaten gerelateerd aan Max Havelaar. |
| Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Max Havelaar op de Nederlandstalige Wikisource. |