Eduard Douwes Dekker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eduard Douwes Dekker
Eduard Douwes Dekker - 001.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Eduard Douwes Dekker
Pseudoniemen Multatuli
Geboren 2 maart 1820
Overleden 19 februari 1887
Land Nederland
Werk
Jaren actief 1859-1876
Bekende werken Max Havelaar
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 2 maart 1820Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887) was een Nederlandse schrijver die ook bekend is geworden onder het pseudoniem Multatuli.

Eduard Douwes Dekker werkte als ambtenaar in Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië), waar, toen hij er op negentienjarige leeftijd aankwam, naar eigen zeggen zijn 'ziel ontwaakte', maar waar hij ook de vele wantoestanden zag onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse koloniale bewind. Zijn bekendste werk is de kaderroman Max Havelaar, waarin hij - op basis van zijn eigen ervaringen - de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelde. In dit boek koos Dekker het pseudoniem Multatuli, Latijn voor 'ik heb veel (leed) gedragen' (=multa tuli).

In juni 2002 werd Max Havelaar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalig letterkundige werk aller tijden. In 2004 eindigde Multatuli op de 34e plaats in de verkiezing van De grootste Nederlander.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en leertijd[bewerken]

Eduard Douwes Dekker werd geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam[1] uit een doopsgezinde familie. Zijn vader, Engel Douwes Dekker, was een scheepskapitein afkomstig uit de Zaanstreek.[2] Engels ouders waren Pieter Douwesz en Engeltje Dekker. Engel Douwes gebruikte hun beider achternamen.[3] De officiële achternaam zou echter Dekker zijn geweest; op de trouwakte van Eduard Douwes Dekker en Maria Hamminck-Schepel (1875) wordt de achternaam van de bruidegom vermeld als "Dekker, zich noemende en schrijvende Douwes Dekker".[4] Eduards moeder Sietske Eeltjes Klein (soms ook "Klijn") was huisvrouw, afkomstig van Ameland. In het gezin zouden vijf kinderen geboren worden: Catharina (1809-1849), Pieter Engel (1812-1861), Jan (1816-1864), Eduard (1820-1887) en Willem (1823-1840). Eduard was een intelligent kind. Hij bezocht de Latijnse school aan het Singel, een voorloper van het huidige Barlaeus Gymnasium.[4] Al vroeg stelde hij kritische vragen over het geloof en schreef hij gedichten.[bron?] Na twee of drie jaar verliet hij de Latijnse school zonder diploma,[4] en in 1838 reisde Eduard aan boord van het schip waar zijn vader het commando over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad Eduard Douwes Dekker in dienst van het Nederlands Bestuur als commies van de Algemene Rekenkamer. In de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar - los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu - een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.

Bestuursambtenaar In Nederlands-Indië[bewerken]

Zo werd Douwes Dekker in 1842 op 12 oktober benoemd tot controleur van het roerige district Natal aan de westkust van Sumatra. Onder Dekkers controleurschap bleek hier echter een kastekort, waarover hij een ernstige berisping kreeg van de gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Michiels. Het leverde hem het etiket "eerloos" op, waardoor Douwes Dekker zich bijzonder gegriefd voelde. Toen hij wegens het tekort te Natal door Michiels tijdelijk was geschorst, en naar eigen zeggen zelfs honger leed, schreef hij, om zich te revancheren, het toneelstuk De eerloze, later uitgegeven als De bruid daarboven. Tooneelspel in vijf bedrijven. Overigens is het de vraag of Dekker voor het kastekort te Natal wel verantwoordelijk was; door zijn bemoeienis met plaatselijke conflicten had hij nauwelijks tijd om zich met de financiën bezig te houden. Het tekort dateerde al van voor Dekkers komst, en was volgens de Max Havelaar, waarin deze episode uitgebreid beschreven wordt, ontstaan doordat gelden voor troepenzendingen naar het binnenland niet waren geadministreerd.

Uiteindelijk werd de geharde generaal, die de vele opstanden op West-Sumatra met succes had neergeslagen, door de Algemene Rekenkamer te Batavia in het ongelijk gesteld. Maar Dekker was als jong bestuursambtenaar de strijd met hem aangegaan, en moest daarom onherroepelijk het veld ruimen. Nadat hij het tekort uit eigen middelen had aangevuld, werd hij op wachtgeld gezet en naar Java overgeplaatst. Het zou echter nog lang niet het laatste conflict zijn in Dekkers ambtelijke carrière, en nadien in zijn schrijverschap.

Huwelijk, carrière en verloftijd[bewerken]

Terug op Java trouwde Dekker in 1846 met Tine van Wijnbergen (eigenlijk Everdina Huberta baronesse van Wijnbergen). Uit dit huwelijk zouden twee kinderen geboren worden: zoon Edu in 1854 en dochter Nonni in 1857. Met zijn zoon Edu bleef de verhouding zijn leven lang moeilijk. Dat hij naast zijn vrouw ook andere vrouwen meer dan aardig vond, was voor Tine een zware beproeving, vooral na hun terugkeer naar Nederland en het begin van zijn literaire carrière.

Na functies in 's lands dienst te Karawang en Purworejo, waar hij in ondergeschikte posities werkte, werd Dekker in 1848 benoemd tot secretaris van de residentie Manado op het eiland Celebes, waarmee hij volledig herstel van zijn ambtelijke carrière genoot. Zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel voor de inlandse bevolking vond hier waardering bij resident Scherius, die bij zijn vertrek in 1851 Dekker als zijn opvolger aanbeval. Het gouvernement ging hier niet op in; Dekker maakte opnieuw privéschulden en tijdens zijn latere verlof in Nederland bleek bovendien dat hij ook hier een bestuurlijk kastekort achterliet, waarvan de precieze oorzaken niet zijn opgehelderd. Uit zijn tijd in Menado is verder een toespraak van Dekker tot de inlandse hoofden overgeleverd, die sterke gelijkenis vertoont met de beroemde toespraak uit Lebak, die de schrijver Douwes Dekker later zou verwerken in zijn Max Havelaar.

Eind 1851 beklom Dekker een nieuwe sport op de bestuurlijke ladder door zijn plaatsing te Ambon als assistent-resident, maar om gezondheidsredenen werd hem reeds na enkele maanden een langdurig verlof naar Nederland toegestaan, waar hij van 1852 tot mei 1855 verbleef. Hij maakte er vele plannen onder andere voor boekuitgaven, maar verwezenlijkte er weinig. Wel maakte hij bovenop zijn verlofgeld tal van schulden, naar het schijnt in de ijdele veronderstelling, dat hem geld zou toevloeien via de familie van zijn vrouw. Ondanks zijn later succes als schrijver, werd Dekker vrijwel zijn hele leven door schuldeisers achtervolgd. Daarbovenop kwamen nog Dekkers herhaalde pogingen om in het casino aan de roulettetafel een grote slag te maken. Dat liep telkens weer op een mislukking uit. Multatuli's boek Millioenen-studiën doet daar een verslag van.

De zaak-Lebak[bewerken]

Eduard Douwes Dekker in 1853
Karta Nata Negara Raden Adipati

Na aankomst te Batavia eind 1855 werd Eduard Douwes Dekker benoemd tot assistent-resident van Lebak op Java, waar hij in januari 1856 zijn intrek nam in de hoofdplaats Rangkasbitung. Dekker was slecht bij kas - onder andere door zijn vrijgevigheid - maar zijn toekomst zag er gunstig uit: hij had een goede staat van dienst en zou waarschijnlijk wel tot resident bevorderd worden, met het bijbehorende salaris. Het liep echter anders. In Lebak werd hij geconfronteerd met ernstig machtsmisbruik door de plaatselijke Indische hoofden; bovendien meende hij uit tal van aanwijzingen op te kunnen maken dat zijn voorganger Carolus (in het boek Slotering genoemd) door de regent was vergiftigd, naar hij vermoedde wegens diens pogingen om wantoestanden op het spoor te komen. Op 29 maart 1856 verzocht hij om eervol ontslag, nadat zijn aanklacht tegen Karta Nata Negara, de regent van het district Lebak, die zijn bevolking meedogenloos uitzoog, door het Nederlands-Indische bestuur was afgewezen.

Dekker kon of wilde niet langer in dienst blijven van een ambtelijke top die de andere kant op keek als van de plaatselijke bevolking bijvoorbeeld buffels werden geroofd ten behoeve van de regenten, of wanneer herendiensten werden gevraagd, waardoor de akkers niet konden worden bewerkt, met als gevolg dikwijls hongersnood. Toen ook gouverneur-generaal Duymaer van Twist hem niet wilde ontvangen om zijn klachten aan te horen, was voor Dekker de maat vol. Tevergeefs trachtte hij op Java emplooi te vinden, onder meer op de plantage van zijn broer Jan; het jaar daarop keerde hij definitief terug naar Europa. Aldaar zwierf hij als ambteloos burger enkele jaren alleen door onder andere Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. In 1859 keerden ook Tine en de kinderen naar Europa terug, waardoor Dekkers financiële positie steeds moeilijker werd.

Ontstaan en publicatie van de Max Havelaar[bewerken]

Nog in 1859 schreef Douwes Dekker, berooid in Brussel, Max Havelaar, of De koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij. In de Max Havelaar maakte Douwes Dekker de koloniale misstanden in Nederlands-Indië, die hij van zeer nabij had aanschouwd en waartegen hij tevergeefs had geageerd, op beeldende wijze openbaar: zo staan er meeslepende vertellingen ("Saïdja en Adinda") in over de uitwerkingen van het gezagsmisbruik op de bevolking. In de figuur van koffiemakelaar Batavus Droogstoppel verschijnt een onsterfelijke karikatuur van de Hollands-calvinistische ondernemer ten tonele, die met zijn welbegrepen en godsvruchtig eigenbelang, half-naïef en half doortrapt, het systeem van onderdrukking in stand houdt, terwijl hij er een verwrongen voorstelling op nahoudt van wat er aan de andere kant van de wereld gebeurt. Het boek bevat verder, naast interessante tafelgesprekken (waarin Douwes Dekkers periode op Sumatra wordt beschreven), letterlijke weergaven van ambtelijke stukken die Douwes Dekker verstuurde en ontving als assistent-resident van Lebak, waardoor voor de lezer de waarheid onder oppervlakte steeds duidelijker wordt.

Dekker schreef het boek tussen 16 september en 13 oktober 1859 in klad, en werkte daarna nog drie weken aan een netversie, tot zijn ogen ontstoken raakten.[5] Hij liet het handschrift inbinden, en stuurde het boek naar zijn broer Jan, bij wie op dat moment ook Tine met de kinderen logeerde. Jan op zijn beurt stuurde het boek aan mr. W.J.C. van Hasselt, vrijmetselaar, voorzitter van de loge "Concordia Vincit Animos", waar ook Multatuli sinds 1854 als lid was geaccepteerd.[6] Van Hasselt stuurde het handschrift ongelezen door aan een andere broeder in de vrijmetselarij: zijn goede vriend en collega, advocaat en letterkundige Jacob van Lennep. Het was toen inmiddels eind november 1859.

Van Lennep had al eerder op deze manier werk van Douwes Dekker in handen gekregen, namelijk het toneelstuk De Eerlooze, later bekend geworden onder de titel De bruid daarboven. Tooneelspel in vijf bedrijven. Van Lenneps oordeel over De Eerlooze was heel welwillend geweest, maar tot een uitvoering ervan was het niet gekomen. Door de Max Havelaar nu werd Van Lennep volledig van zijn stuk gebracht: het boek was "b....(bliksems) mooi". Ondanks de bleke, met water aangelengde inkt las hij het boek in krap een week uit.

Reeds het manuscript van dit over de bestuurscultuur van Nederlands-Indië uiterst kritische boek maakte op deze manier diepe indruk in leidende kringen in Nederland. Met Douwes Dekker - maar ook achter Douwes Dekkers rug om - werd onderhandeld om hem een 'convenabele betrekking' in West-Indië te bezorgen, op voorwaarde dat Douwes Dekker van publicatie zou willen afzien. Maar Douwes Dekker weigerde zich te laten afschepen naar Suriname of de Nederlandse Antillen, en gaf Van Lennep de opdracht het boek te doen uitgeven.

Van Lennep vroeg Multatuli in een brief gedateerd 23 januari]] 1860 - het zogenaamde "advocaten-briefje" in de Multatuli-literatuur - om een bewijsstuk dat hij over het kopijrecht kon beschikken.

Aanhalingsteken openen Om nu met de Ruijter een kontrakt te kunnen maken, dien ik het bewijs te hebben, dat ik daartoe het recht heb. Nog hij noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven, zonder overdracht van 't Kopijrecht, en dat kan ik hem niet overdragen zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij, met het adres aan Sire, een stuk op Zegel Belgisch te zenden, waarbij gij verklaart mij het kopijregt over het werk getiteld enz. te hebben afgestaan en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen. Ik kan dat stuk doen inlasschen in de overeenkomst, die ik met R. maak.
— Van Lennep
Aanhalingsteken sluiten

Per ommegaande voldeed Douwes Dekker hieraan, en raakte zo al zijn rechten in juridische zin kwijt op zijn werk. Van Lennep had het schriftelijk bewijs in handen. Het auteursrecht was in die dagen beroerd slecht geregeld voor auteurs. Uitgevers waren enkel bereid iets te drukken als alle rechten aan hen werden overgedragen.[7]

Van Lennep, een rijke conservatieve gentleman, gedroeg zich dubbelzinnig. Enerzijds herkende hij de grote literaire waarde van het werk en wilde hij dat het werk werd uitgegeven, maar aan de andere kant was hij doodsbenauwd dat het boek een opstand zou kunnen inleiden en de Nederlandse koloniale belangen zou schaden.[8]

In mei 1860 verscheen het boek dan eindelijk bij uitgeverij De Ruyter te Amsterdam, voor het destijds bijzonder hoge bedrag van vier gulden. Van Lennep had bovendien alle Nederlands-Indische plaatsnamen onherkenbaar gemaakt en tal van andere ingrepen toegepast. Hierdoor duurde het enige tijd voor het boek de gewenste verspreiding kreeg. Niettemin werd Douwes Dekker als Multatuli in de luttele maanden na de verschijning ervan beroemd en "de meest besproken man in Holland."[9]

Dat Multatuli na enige tijd teleurgesteld raakte in Van Lennep en De Ruijter ligt voor de hand: zijn boek was in Indië vrijwel niet verkrijgbaar, en door de hoge prijs enkel voor gegoede burgers betaalbaar. Van Lennep en De Ruijter weigerden bovendien in te gaan op de wens van de schrijver om een goedkope volksuitgave uit te brengen. Eind 1860 kwam het hierover tot een proces tussen Multatuli en Van Lennep, van wie Douwes Dekker "rekening en verantwoording" eiste. Hierbij leed hij tweemaal een nederlaag tegen de ervaren jurist Van Lennep.[10]

Reacties op het boek[bewerken]

De reacties in Nederland op het boek varieerden van geschokte afwijzing tot hartstochtelijke bewondering, al werd ook gepoogd de schrijver verdacht te maken en het boek te negeren. Tevergeefs: Max Havelaar werd in heel Europa verkocht en bewonderd. Tot verdriet van Dekker werd het echter vooral geprezen om zijn literaire kwaliteiten, en minder om de zaak-Lebak en het lot van de inlanders, waar het de schrijver vooral om te doen was geweest. Daarnaast had hij ermee gestreefd naar eerherstel door de Nederlandse regering en een leidinggevende functie in Nederlands-Indië, teneinde aldaar de nodige veranderingen te bewerkstelligen; verwachtingen waarin hij in de daaropvolgende jaren zwaar werd teleurgesteld.

Schrijverschap en laatste jaren[bewerken]

Hierna besloot Dekker zich voortaan als Multatuli te wijden aan het schrijverschap. In 1866 emigreerde hij - gegriefd en teleurgesteld in zijn hooggespannen verwachtingen - naar Duitsland, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.

Directe aanleiding tot zijn emigratie was een conflict in een theater op 1 december 1865: Dekker stoorde zich aan het onbeleefde gedrag van een paar toeschouwers, die zich vrolijk maakten over het uiterlijk van mevrouw Sauvlet, de sopraan op het toneel. Hij riep de heren achter hem tot de orde en deelde daarbij een paar rake klappen uit. Deze heren deden enkele dagen later, op 5 december, aangifte bij de politie van mishandeling. Bijgevolg ontving Dekker op 8 januari een dagvaarding om op de 18e van die maand op de arrondissementsrechtbank te verschijnen. De reis naar Duitsland was al in de planning, maar werd nog uitgesteld. Een rechtszitting met Multatuli, dat trok veel belangstelling. Toen hij ter zitting verscheen, stipt op het aangegeven tijdstip, moest hij evenwel wachten tot de zaak vóór hem was afgedaan. Daar had Dekker geen zin in, dus hij verliet de rechtbank, en de zaak werd bij verstek behandeld. Het vonnis - "een gevangenisstraf van 15 dagen, in eenzame opsluiting te ondergaan, en tot betaling van twee geldboetes van acht guldens elk..." - vernam Dekker pas veel later in Duitsland. Hij was nu wel gedwongen om daar te blijven, want hij kon niet terug. Deze ballingschap zou ruim twee jaar duren: tot 3 maart 1868, toen de straf en het vonnis hem kwijtgescholden werden na onderhandelingen met de conservatieve regering van dat moment.

Dekker was inmiddels een veelgelezen schrijver wiens stilistische kwaliteiten alom erkend werden, onder andere door zijn Minnebrieven en zijn diverse bundels Ideën (waar zijn onvoltooide jeugd- en ideeënroman Woutertje Pieterse en Vorstenschool deel van uitmaken).

Toch bleef hij wegens zijn compromisloze houding bij zijn tijdgenoten omstreden en kampte hij voortdurend met geldgebrek. Wat daarbij ook niet hielp was zijn gokverslaving, en de vele pogingen aan de speeltafel de bank te laten springen. In 1874 overleed in het verre Italië zijn vrouw Tine, van wie hij al langere tijd gescheiden leefde.

Op 1 april 1875 hertrouwde hij in Rotterdam met Maria Hamminck-Schepel (ook wel bekend als Mimi). Een beetje ook als knieval voor de heersende moraal van die dagen. Er waren vergevorderde plannen voor een eerste opvoering van zijn toneelstuk Vorstenschool, Dekker was ook betrokken als regisseur/auteur bij de repetities. Ongetrouwd samenwonen werd bepaald niet geaccepteerd. In Duitsland ging het stel door voor "gehuwd". Daar kon het paar dus niet naar het stadhuis. Zo werd het toch iets gemakkelijker om samen de eerste voorstellingen bij te wonen.

Die première in Utrecht, de toejuichingen en de huldigingen die ermee gepaard gingen, vormden een hoogtepunt in Multatuli's schrijversloopbaan.[bron?]

Niet lang daarna, in 1877, besloot hij wegens zijn slechte gezondheidstoestand, maar meer nog zwaar teleurgesteld in zijn lezers omdat hij zo bitter weinig verandering zag, definitief met het schrijven van nieuw proza te stoppen. Wel bleef hij betrokken bij de uitgave van herdrukken van zijn werk. Hij verzorgde de correctie van drukproeven, en veel noten en commentaar zijn van later datum. Een voorbeeld hiervan is de zesde uitgave van de Max Havelaar uit 1880 bij Elsevier.

In 1887 overleed Dekker op bijna 67-jarige leeftijd tijdens een astma-aanval in zijn huis te Ingelheim am Rhein.

Na Multatuli's dood ontfermde zijn weduwe zich - min of meer door geldnood gedwongen - over zijn omvangrijke nalatenschap aan brieven, waaruit zij in tien boekdelen veel publiceerde. Ze heeft evenwel ook veel weggelaten en voor altijd vernietigd.

Crematie[bewerken]

Vier dagen later werd Multatuli als eerste Nederlander gecremeerd, in het crematorium te Gotha. De urn met de as stond tot 1930 bij Hamminck Schepel, en kwam na haar overlijden in het Multatuli Museum (dat toen nog onderdeel was van de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam). Op 6 maart 1948 werden de urnen met de as van Multatuli en van zijn weduwe in een monument voor Multatuli op de begraafplaats Westerveld te Driehuis geplaatst. Het monument was een initiatief van de Vereniging voor Facultatieve Lijkverbranding. De originele urn maakt deel uit van de permanente tentoonstelling op het Multatuli Museum.

Het pseudoniem Multatuli[bewerken]

Zijn schuilnaam werd mogelijk ontleend aan Ovidius' Tristia, een dichtwerk over diens ballingschap in Tomis, of aan Horatius' Ars Poetica,[11] een boek dat Dekker al tijdens zijn schooltijd moet hebben bestudeerd. Hierin vindt men de volgende versregels:[12]

Aanhalingsteken openen

Qui studet optatam cursu contingere metam
Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit,
Abstinuit venere et vino
[13]

Aanhalingsteken sluiten

Deze regels laten zich vertalen als:

Aanhalingsteken openen

Wie ernaar streeft het gewenste einddoel in de renbaan te bereiken,/moet reeds als knaap veel hebben ondervonden en gedaan, en veel hitte en kou geleden;/hij heeft zich onthouden van minnespel en wijn.[14]

Aanhalingsteken sluiten

De betreffende passage bij Ovidius luidt:

Aanhalingsteken openen

Quid referam comitumque nefas famulosque nocentes? Ipsa multa tuli non leviora fuga.[15]

Aanhalingsteken sluiten
Aanhalingsteken openen

Waarom zou ik spreken over de goddeloosheid van mijn metgezellen en over de knechten die mij geschaad hebben? Veel heb ik gedragen dat niet lichter was dan de ballingschap zelf.

Aanhalingsteken sluiten

Dekker gebruikt de aanduiding Multatuli voor de eerste keer in een brief d.d. 24 september 1859 aan mr. W.J.C. van Hasselt:[16]

Aanhalingsteken openen Mag ik u verzoeken te willen bedingen dat ik op affiches etc. Multatuli heet? Het is mogelijk dat ik later nog eens in betrekking kom of als publicist over ernstige zaken optreed, en er zijn er in ons land die den man niet voor serieus houden die eene komedie geschreven heeft. Br. v.L. staat boven dat vooroordeel, maar dat zou niet gelden voor mij.
— E.D.Dekker
Aanhalingsteken sluiten

In die brief probeert Dekker het toneelstuk De bruid daar boven aan de man te brengen, dit in de hoop dat de uitvoering daarvan het pseudoniem al enige naamsbekendheid zal gaan brengen, zodat als zijn boek uitkomt het extra lezers zal trekken.

In een brief aan Tine, een paar dagen later, namelijk op 27 september, informeert hij ook haar over zijn nieuwe pseudoniem.[17] Tevens gaat hij uitvoerig in op het "hoe" en "waarom" ervan:

Aanhalingsteken openen

Dus zeg ik, ik verzoek U het aftestaan voor niets! Doch ik wil mijn naam niet op affiches hebben want daar men in Holland, dom genoeg, dikwijls een vooroordeel heeft tegen menschen die frivole dingen schrijven, en ik misschien later nog weêr in betrekking komen zal, daarom wil ik onder anderen naam gedrukt of gespeeld worden. Ik noem mij Multatuli, dat is: ik heb veel gedragen, een vreemde naam, niet waar? Welnu als nu mijn stuk gespeeld wordt dat nooit zo spoedig zijn kan daar de repetitien enz. veel tijd weg nemen, hoop ik niet lang daarna klaar te zijn met mijn boek en als dat dan met dien naam Multatuli in de wereld komt, die als mijn stuk een beetje lukt, welluidend klinkt, dan moet dat op mijn boek doen letten. En dat boek, beste tine, moet ons er boven op helpen. Want al is dan de letterkunde nog zoo schraal beloond in Holland, ik hoop dat men voor mijn boek zelve eene uitzondering maken zal. ....
A propos, als gij later in de Courant iets leest van mijn tooneelstuk denk dan dat het heet «de bruid daarboven» en niet «de eerlooze» door Multatuli. -

Ook dáárom moest ik onder een vreemden naam beginnen, omdat mijn boek onder een vreemden naam in de wereld moet. Ik zal u zeggen waarom. Er zijn vele scherpten in. Nu weet de regering en alle Indische menschen heel goed dat ik het schrijf maar het volk moet in twijfel staan of het een roman is, — wèl op waarheid gegrond maar toch verdicht en opgesierd. De zaken die ik mededeel zijn toch zóó dat men er over moet twisten òf het waar is. Niets zal mij liever zijn dan dat men het betwijfelt. Daarop kan dan gebaseerd worden het uitgeven van bewijzen, die men lezen zal zoodra het in verband staat met eene kwestie over een veelgelezen boek, maar die niemand zouden interesseren als dat boek niet was voorafgegaan. Nu, bij dat alles wat ik voorzie wil ik het aan mij houden of ik al dan niet als Dekker voor den dag wil treden. — Kortom ik hoop op mijn boek.
— E.D.Dekker
Aanhalingsteken sluiten

Het komt echter niet zo snel tot een uitvoering, want Dekkers plannen lopen wel vaker mis. De eerste keer dat Dekker het pseudoniem bij een publicatie gebruikt is in 1859 bij die van de Geloofsbelydenis in De Dageraad, een tijdschrift van de "vrijdenkers".[18][19]

Terzijde mag worden opgemerkt dat Multatuli zich in die tijd ook aansloot bij de vrijmetselaars: Br. Van Lennep was er duidelijk ook een van, en een andere metselbroeder was Rudolf Charles Meyer d'Ablaing van Giessenburg, boekhandelaar en uitgever in Amsterdam en de man die de twee eerste Ideën-bundels uitgaf.

Multatuli is een zeer welluidend pseudoniem dat nu, honderdvijftig jaar later, verduidelijking en vertaling behoeft. Negentiende-eeuwse lezers die het zich konden veroorloven het boek te kopen, waren meestal ook in staat het pseudoniem te vertalen. Ook waren Latijnse pseudoniemen in Multatuli's tijd niet ongewoon. Dat belette Dekker niet om op de laatste pagina's van zijn boek de vertaling van zijn pseudoniem nadrukkelijk te vermelden, en met de betekenis ervan in het boek te spelen.[20]

Betekenis van zijn werk[bewerken]

Multatuli verscheen op het toneel toen de Nederlandse literatuur nog werd beheerst door het protestantse domineesmoralisme. Dat dit in de tweede helft van de 19e eeuw sterk veranderde, is in niet geringe mate aan zijn invloed te danken. In zijn vroegste werk klinkt een sterke echo door van de Romantiek, een beweging die Nederland bijna had overgeslagen. Een blijk daarvan in de Max Havelaar is te vinden in citaten van de vroege Heine en de Duitse gedichten van Douwes Dekker in Heines trant. De romantiek zat Multatuli al vroeg in het bloed, getuige onder andere de wens van zijn kinder-alter ego Woutertje Pieterse om Koning van Afrika te worden; zijn romantische instelling laat zich mede verklaren door het feit dat hij zich al vroeg had losgemaakt van zijn protestants-christelijke achtergrond, die in doopsgezinde gedaante al moderner was dan gebruikelijk voor zijn tijd, alsmede door de invloed van Rousseau.

Standbeeld van Multatuli op de Torensluis over het Singel in Amsterdam, onthuld door koningin Beatrix in 1987; buste door Hans Bayens, belettering van Gerrit Noordzij.

Multatuli neigde in de loop van zijn schrijverschap echter steeds meer naar een atheïstisch-rationalistisch wereldbeeld zoals dat onder invloed van met name de Franse Verlichtingsfilosofen ontstond. Aldus streefde hij, in de woorden van Philip Vermoortel[21] naar "een combinatie van hart en verstand", die zich niet in één bepaald systeem of literaire stroming laat vangen, en waarvoor hij vaak anekdoten uit zijn eigen leven als voorbeeld aanhaalt: bijvoorbeeld het verhaal in de Minnebrieven dat hij ooit een Amsterdamse gracht in sprong om het keppeltje van een joods jongetje te redden.
Aan de ene kant kan het werk van Multatuli als romantisch-idealiserend gekarakteriseerd worden, aan de andere kant getuigt het van een sterk sociaal engagement dat berust op een realistische beschrijving van de feiten.

Wie Multatuli leest is ver verwijderd van regels en modellen, behalve misschien van de wiskundige modellen die hij uitdacht om succes te hebben aan de speeltafel - men vindt ze in zijn Miljoenenstudiën - maar de wiskunde was dan ook een van de weinige specialismen die hij beheerste. Op het soort specialisme, dat de héle mens achter de coulissen laat verdwijnen, had hij het niet begrepen. Zijn Duizend- en eenige hoofdstukken over specialiteiten zijn tegen deze mentaliteit een aanklacht, die in veel opzichten vermakelijk is, maar voor de schrijver een zeer serieuze zaak was; zeker als men bedenkt dat hij in Nederland vaak in zijn ogen onbekwame figuren zag worden benoemd in zíjn Nederlands-Indische 'specialisme.' Meestal waren dat dan voormalige hoge bestuursambtenaren, die in Nederlands-Indië niet veel meer hadden gezien dan de hoofdplaats Batavia, en daar een risicoloos leven hadden geleid.

Menno ter Braak[22] meende dat het steeds weer positie kiezen in allerlei kwesties, waar Multatuli's werk oppervlakkig gezien toe uitnodigt, ten koste dreigt te gaan van het grotere thema dat aan heel zijn werk ten grondslag ligt: namelijk dat van de menselijke waardigheid. De liberale cultuur erkende hem als burger en schrijver, maar niet als mens, aldus Ter Braak. Tijdens Multatuli's leven viel zijn motto 'De roeping van de mens is mens te zijn!', dan ook op weinig vruchtbare bodem in de kringen die ertoe deden, al slaagde hij er wel in, een bonte schare aanhangers te verwerven.[23] Maar het motto getuigt wel van zijn blijvende actualiteit, die hem, mét zijn stilistische kwaliteiten, met kop en schouders doet uitsteken boven de meeste Nederlandse schrijvers uit de negentiende eeuw.

Multatuli's Ideën zijn aforistisch geschreven, en bevatten voornamelijk maatschappijkritiek. In de stijl ervan schudt hij oude vormen van zich af, zich uitdrukkend in een directe spreektaal, die niettemin van een grote taalbeheersing getuigt. Naast de Max Havelaar, die als een van de weinige Nederlandse romans tot de wereldliteratuur is gaan behoren, is verder de beeldende kracht van zijn parabelen te noemen, zoals de Geloofsbelydenis uit 1859, de Negende geschiedenis van Gezag uit de Minnebrieven, en het Onuitgegeven toneelspel aan het begin van de Max Havelaar - meestal verkeerd geciteerd als Barbertje moet hangen.[24] Van zijn toneelstukken is vooral het drama in verzen Vorstenschool geliefd door zijn geestige sarcasme en de idealistische boodschap.

Kritiek[bewerken]

Vrijwel alle werken van Multatuli ademen een geest van afrekening met een kleinburgerlijke omgeving, waar de schrijver zich in het buitenland aan had kunnen onttrekken, maar waar hij in Nederland, zich richtend tot de publieke opinie aldaar, opnieuw mee werd geconfronteerd. Zijn latere bewonderaar E. du Perron heeft hierover gezegd: "Men ontkomt niet aan de akoestiek van de zaal waarvoor men spreekt." In dit laatste schuilt wellicht de adder onder het gras in zijn werk: veel critici hebben gesteld dat Multatuli meer had kunnen bereiken - mogelijk zelfs het door hem begeerde ministerschap van koloniën - als hij niet zo impulsief was geweest; zich minder op de voorgrond had geplaatst en zijn leven en werk beter had gestileerd, zoals hij toch had gedaan in zijn Max Havelaar - behalve dan aan het einde van dat boek, waarin hij zijn aanklacht tegen het Nederlandse gezag als het ware in het gezicht van de koning slingert. Maar de schrijver, wie het naar eigen zeggen in de eerste plaats om waarheid en eerlijkheid ging, kon zich zeer boos maken om dit soort kritiek, die hij al vroeg voorzag, getuige de volgende passage uit het slot van de Havelaar:

"..het was mij niet te doen om goed te schrijven...ik wilde zó schrijven dat het gehoord werd. En, evenals iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig bekommert over den styl zyner geïmproviseerde toespraak aan 't publiek, is het ook my geheel om 't even, hoe men de wyze zal beoordelen, waarop ik myn "houdt den dief!" heb uitgeschreeuwd."

Men dient dus te bedenken, dat Multatuli zijn literaire roem niet als doel op zichzelf zag, maar bleef streven naar een belangrijke maatschappelijke rol, hoe onrealistisch ook in het licht van zijn tijd, en hoe vager zijn doel om 'het lot van de Javaan' te verbeteren, allengs ook werd.

Multatuli's personages, hoewel vaak beeldend beschreven, zijn veelal niet zeer subtiel - zo staan ook in Max Havelaar goed en kwaad ongenuanceerd tegenover elkaar: Max Havelaar, door zijn Tine gesteund, tegenover Droogstoppel, de Regent en het perfide Nederlandse gezag. Tussenfiguren, zoals de Controleur Verbrugge of de Resident Slymering, worden nauwelijks psychologisch beschreven en staan uiteindelijk wel of niet aan de "goede" kant. Merkwaardig genoeg lijkt Multatuli's moralisme in dat opzicht dus op het 'zwart-wit'-schema van zijn Droogstoppel en van veel burgerlijke politici die hij bestreed. Zijn grieven golden meestal de politiek; het beheerste en beeldend beschrijvende van het grootste deel van de Max Havelaar, waarin hij zich bewust in acht nam teneinde een zo groot mogelijk effect te sorteren, heeft hij in geen enkel ander werk meer bereikt.[25] Dit ondanks de anekdotische stijl en de onverwachte wendingen van bijvoorbeeld de Ideën, die toch minder vloeiend lezen dan de Max Havelaar. Zijn polemieken tegen dominees en politici uit zijn tijd, die nu grotendeels vergeten zijn, vergen van de huidige lezer een vertaalslag, maar laten anderzijds juist zien, hoezeer ook huidige maatschappelijke toestanden steeds door menselijke zwakheden worden beïnvloed.

Bibliografie[bewerken]

Werken verschenen tijdens Multatuli's leven[bewerken]

Postuum verschenen[bewerken]

Verzamelbundels[bewerken]

  • 1880 - De geschiedenis van Woutertje Pieterse. Uit zijn Ideën verzameld door zijne Weduwe, 2 delen
  • 1888-1889 - Verzamelde Werken Eerste naar tijdorde gerangschikte uitgave bezorgd door zijne weduwe (tien delen)
  • 1919 - Bloemlezing uit Multatuli's werken (een keur uit zijn werken, ingeleid door J. van den Berg)
  • 1937 - Bloemlezing (verzameld en ingeleid door Julius Pée)
  • 1950-1995 - Volledige Werken (25 delen) (redactie Garmt Stuiveling en Hans van den Bergh)
  • 1955 - Barbertje moet hangen, Verhalen, parabelen, aforismen (verzameld en ingeleid door Garmt Stuiveling)
  • 1973 - Bloemlezing uit de werken van Multatuli (samengesteld en ingeleid door G.W. Huygens, gebaseerd op de bloemlezing door Heloïse uit 1876)
  • 1974 - De roeping van de mens. Een keuze uit zijn gehele werk door C. Bij

Brieven en overige publicaties[bewerken]

  • 1890-1896 - Brieven van Multatuli. Bijdragen tot de kennis van zijn leven. Gerangschikt en toegelicht door M. Douwes Dekker geb. Hamminck-Schepel, 10 delen, Amsterdam W. Versluys
  • 1912 - Multatuli, Brieven. Bijdragen tot de Kennis van zijn Leven (onder redactie van M. Douwes Dekker geb. Hamminck-Schepel) (tweede herziene uitgaaf in 1912), 10 delen, Amsterdam, Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur
  • 1907 - Briefwisseling tusschen Multatuli en S.E.W. Roorda van Eysinga' (uitgegeven door M. Douwes Dekker geb. Hamminck-Schepel)
  • 1937 - Multatuli en zijn zoon: brieven van Multatuli aan J. van der Hoeven (uitgezocht en ingeleid door Menno ter Braak)
  • 1941 - Multatuli, Reisbrieven aan Mimi en andere bescheiden (onder redactie van J. Pée)
  • 1942 - Brieven van Multatuli aan Mr Carel Vosmaer, R.J.A. Kallenberg van den Bosch en Dr Vitus Bruinsma. Documenten (onder redactie van J. Pée)
  • 1944 - Keur uit de brieven van Multatuli (onder redactie van J. Pée)
  • 1947 - Briefwisseling tusschen Multatuli en G.L. Funke (onder redactie van G.L. Funke [jr.])
  • 1947 - Brieven aan J. Waltman Jr. (met een inleiding door en aantekeningen van Henri A. Ett)
  • 1948 - Multatuli-literatuur. Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (door A.J. de Mare) (vergelijk ook Maatstaf, 1970, 677-773)
  • 1948 - Twee brieven uit Menado (met een inleiding door en aantekeningen van Henri A. Ett)
  • 1979 - Liefdesbrieven (bezorgd en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Paul van 't Veer) (ISBN 90-295-3205-X)
  • 1987 - Max Havelaar (editie Willem Frederik Hermans)
  • 1987 - Multatuli-literatuur 1948-1977. Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (door P.C. van der Plank)
  • 2001 - "Men moet van myn gestreken lans, een vlaggestok maken": brieven van Multatuli en Tine Douwes Dekker aan de redersfamilie Smit (ingeleid en van aantekeningen voorzien door Chantal Keijsper et al.) (ISBN 90-76314-70-5)
  • 2006 - Woutertje Pieterse (bewerkt en bekort door Ivo de Wijs) (ISBN 90-76347-61-1)

Literatuur[bewerken]

  • 1874 - Een Zaaier. Studiën over Multatuli's werken (door Carel Vosmaer)
  • 1900 - Eduard Douwes Dekker: Multatuli (door J.B. Meerkerk; herziene versie in 1912)
  • 1920 - Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) (door J. de Gruyter)
  • 1937 - Douwes Dekker en Multatuli (door Menno ter Braak)
  • 1937 - De Man van Lebak: anekdoten en dokumenten betreffende Multatuli (door E. du Perron)
  • 1938 - Multatuli, tweede pleidooi: beschouwingen en nieuwe dokumenten (door E. du Perron)
  • 1944 - De ballingschap van Multatuli (1865-1868) (door P. Spigt; inleiding Garmt Stuiveling) en uitgave: A.G. Schoonderbeek, Laren
  • 1962 - 100 jaar Max Havelaar. Essays over Multatuli (door Pierre H. Dubois, Multatuli-Genootschap, Garmt Stuiveling en D. de Vries)
  • 1976 - De raadselachtige Multatuli (door Willem Frederik Hermans; tweede herziene druk in 1987; ISBN 90-6225-004-1 en ISBN 90-234-0977-9)
  • 1985 - De multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (door Atte Jongstra; ISBN 90-70630-13-3)
  • 1991 - Multatuli, Max Havelaar of de Koffieveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappij, Historisch-kritische uitgave (door A. Kets-Vree; ISBN 90-232-2667-4)
  • 1995 - Multatuli van blanke radja tot bedelman (door Hans van Straten; ISBN 90-73978-43-2 en ISBN 90-73978-38-6)
  • 1995 - K. ter Laan's Multatuli Encyclopedie (onder redactie van Chantal Keijsper; ISBN 90-12-08181-5)
  • 1995 - De schrijver Multatuli (door Philip Vermoortel; ISBN 90-12-08182-3)
  • 2000 - Multatuli voor iedereen (maar niemand voor Multatuli) (door Nop Maas; ISBN 90-75697-12-0)
  • 2000 - Het gelijk van Multatuli - Het handelen van Eduard Douwes Dekker in rechtshistorisch perspectief (door Tom Phijffer; ISBN 90-76314-42-X)
  • 2002 - Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker (door Dik van der Meulen; ISBN 90-5875-202-X)
  • 2009 - Misschien is niets geheel waar... en zelfs dat niet (Red. Bert Gasenbeek; Uitg. Papieren Tijger en de Vrije Gedachte. ISBN 978-90-6728-254-3 – NUR 321 – 176 pagina’s
  • 2010 - De Halve Havelaar, een stripalbum van Suske en Wiske (door Peter Van Gucht, en met tekeningen van Luc Morjaeu)[26]

Dit is slechts een kleine selectie van het werk dat over Multatuli is verschenen. Een uitgebreid overzicht van secundaire literatuur over Multatuli is te vinden op de pagina secundaire literatuur over Multatuli.

Zie ook[bewerken]

Logo Wikisource
Wikisource heeft bronnen van deze auteur: Eduard Douwes Dekker.

Externe links[bewerken]

Logo Wikiquote
Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Eduard Douwes Dekker.
Logo Wikimedia Commons
Commons heeft meer mediabestanden op de pagina Multatuli.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Geboorteakte van Eduard Douwes Dekker
  2. Dik van der Meulen (2002): Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Nijmegen, Sun, ISBN 9789058750549, pp. 34-36.
  3. Multatuli - Engel Douwes, multatuli-museum.nl
  4. a b c De raadselachtige Multatuli, W.F. Hermans; pagina 17
  5. Marita Mathijsen: De Januskop van Jacob van Lennep in "Ik heb u den Max Havelaar niet verkocht", red. Ika Sorgdrager & Dik van der Meulen, Amsterdam, 2010, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, ISBN 978-90-5937-239-9, NUR 621
  6. "Ik heb u den Max Havelaar niet verkocht", red. Ika Sorgdrager & Dik van der Meulen, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2010, p. 105 e.v.
  7. Raster IV, 1970, Izaak Kisch: Het advocatenbriefje
  8. Maatstaf 11, maart 1970, Multatuli 1820-1887, Izaak Kisch: Het proces Douwes Dekker - Van Lennep
  9. Dik van der Meulen (2002): Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Nijmegen, Sun, pp. 413-438.
  10. "'Ik heb u den Havelaar niet verkocht' Multatuli contra Van Lennep", onder redactie van: Ika Sorgdrager en Dik van der Meulen, 2010, uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, ISBN 978-90-5937-239-9, NUR 621
  11. Multatuli Genootschap/Stichting Multatuli Huis, Multatuli Encyclopedie, lemma "Multatuli". Verkregen van http://multatuli-museum.nl/index.php?id=museumkenniscentrum-documentatie-multatuliencyclopedie-m
  12. Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, Arbeiderspers, Amsterdam, p. 428
  13. Hor. Ars Poetica, 412-414.
  14. Vertaling afkomstig van Multatuli Genootschap/Stichting Multatuli Huis, Multatuli Encyclopedie, lemma "Multatuli". Verkregen van http://multatuli-museum.nl/index.php?id=museumkenniscentrum-documentatie-multatuliencyclopedie-m
  15. Ov. Tristia, 4, 10, 101-102.
  16. VW enX, p. 57-59
  17. VW en X, p. 60-65
  18. De Dageraad, jaargang 1859, p. 182
  19. VW-I, p. 515
  20. Sötemann, dr. A.L., Structuur van de Max Havelaar, p. 22
  21. Philip Vermoortel (1995). ‘Ik geef wenken, geen regels.’ In: Philip Vermoortel, De schrijver Multatuli. Den Haag, Sdu, p. 7-17. De elektronische versie is hier te raadplegen.
  22. Douwes Dekker en Multatuli. In: Menno ter Braak, Verzameld Werk deel 4. Amsterdam, van Oorschot, p. 181, e.v. De elektronische versie is hier te raadplegen.
  23. Zie: Atte Jongstra (1985) De multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde. Amsterdam, Nijssen.
  24. De bekende parabel De Japansche steenhouwer die Multatuli in zijn Max Havelaar opnam, is overigens niet van hem, maar van de liberale voorman W.R. Baron van Hoëvell, die al voor Multatuli's optreden in Lebak tegen de uitbuiting van de Javaan agiteerde in zijn Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië.
  25. Sporen van dit beheerst-beschrijvende vindt men nog wel in de tweede helft van Wys my de plaats waar ik gezaaid heb, een brochure van Multatuli in het kader van een inzamelingsactie voor de slachtoffers van de overstromingen op Java van begin 1861.
  26. Album nr. 310 verschenen in oktober 2010