Nescio

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
De lezende Nescio (Ronald Tolman, 1991) aan de Rijksstraatweg te Ubbergen
De lezende Nescio (Ronald Tolman, 1991) aan de Rijksstraatweg te Ubbergen

Nescio is het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh (Amsterdam, 22 juni 1882 - Hilversum, 25 juli 1961) was een Nederlands schrijver. 'Nescio' betekent in het Latijn: "Ik weet niet".

Inhoud

[bewerk] Levensbeschrijving

De ouders van Nescio waren Jan Hendrik Frederik Grönloh, winkelier en smid, naar wie Nescio was vernoemd, en Martha Maria van der Reijden. Nescio had als roepnaam Frits om hem van zijn vader te onderscheiden en was het oudste kind. Hij werd geboren in de Amsterdamse Reguliersbreestraat 49 en zou zijn hele leven in Amsterdam blijven wonen. Na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Amsterdam-Oost, waar Nescio na de openbare lagere school in de 1ste Van Swindenstraat naar de driejarige HBS ging aan de Mauritskade te Amsterdam. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Daarna had hij verschillende kantoorbaantjes. Hoewel hij in zijn beroep succesvol was, vervulde het hem bepaald niet met enthousiasme. Zijn oeuvre geeft hier meer dan eens blijk van.

In de jaren 1901-1903 was Nescio betrokken bij het project "Tames". Met een aantal vrienden had hij een idealistische kolonie met deze naam opgericht, in de buurt van Huizen. Dit in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was, ondanks zijn baan als handelsman (hij werd directeur van de Holland-Bombay Trading Company) overtuigd lid van de SDAP. Hij was dus duidelijk een idealist, al had hij zich in het dagelijks leven neergelegd bij de plichten van de moderne maatschappij. Het onhaalbare van zijn idealisme was een belangrijk thema in zijn literaire werk. Zijn idealisme had nog een bijdrage aan zijn oeuvre geleverd: de vrienden, met wie hij "Tames" oprichtte, stonden model voor Bavink, Bekker en Ploeger, "Titaantjes" die in het werk van Nescio een grote rol spelen.

In 1906 trouwde hij met Aagje Tiket. Het echtpaar kreeg vier dochters. Ze woonden eerst op de Ringkade, die later Transvaalkade ging heten, maar verhuisden verschillende keren binnen Amsterdam.

In zijn werk speelt Amsterdam dan ook een belangrijke rol, denk alleen al aan de openingszin van De uitvreter: Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Nescio kon zich nogal opwinden over de veranderingen in de stad. In het emotioneel geladen slot van De uitvreter wordt in een bijzin nog stelling genomen: Den winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende. Behalve de stad Amsterdam speelt ook het platteland rondom de hoofdstad en zeer belangrijke rol in Nescio's werk. Zijn beschrijvingen van het weer, de natuur en het landschap van dit gebied vormen een belangrijk deel van zijn literaire nalatenschap.

Nescio overleed op 79-jarige leeftijd in Sanatorium Zonnestraal te Hilversum. Pas na zijn dood volgde de erkenning die hij verdiende.

[bewerk] Werk

Nescio schreef voornamelijk verhalen. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen: Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes' zijn opgenomen, verscheen in 1918. Zijn talent werd echter niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurt Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceert het verhaal in januari 1911.

[bewerk] De uitvreter

In het verhaal De uitvreter staat Japi centraal ("Zijn achternaam heb ik nooit geweten"). Japi heeft slechts één ideaal, en wel dat van de volmaakte bohemien zijn. Hij wil niet eens een kunstenaar zijn. "Ik ben Goddank helemaal niks," aldus Japi. Via schilder Bavink komt hij in contact met Koekebakker, ook wel bekend als Erik de Man, de ik-persoon van het boek. Japi staat al snel te boek als een profiteur, "die je sigaren oprookte" en "parapluies leende die hij nooit terugbracht". Vandaar zijn bijnaam: de uitvreter.

Japi, Bavink (die een niet-succesvol schilder is), en Koekebakker, een journalist, verzetten zich tegen de maatschappij, waarin mensen worden uitgebuit, en zij zweren langzaam maar zeker het werken af. Van hun idealen komt echter niets; Koekebakker blijft werkzaam bij zijn kantoortje en verdient daar een aardig salaris, maar verliest wel al zijn idealen. Bavink wordt een steeds tragischer figuur, die Japi op een voetstuk zet maar zelf "mal" wordt. Japi zelf weet zich ook geen blijf. Hij trekt naar Friesland, België en Frankrijk maar vindt nergens de betekenis en bevestiging die hij zoekt. Als zijn onbereikbare liefde Jeanne sterft en hij geen ideaal meer te verwezenlijken ziet, trekt hij naar Nijmegen:

Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten. 'Maak je niet druk, ouwe jongen,' had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt.

Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan de muur zes briefjes met G.v.d. er op en een met 'Ziezoo'.

De rivier is sedert naar het Westen blijven stromen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.

Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven." (Citaat: het slot van "De Uitvreter").

Wonderlijke kerel

De meest bekende zin van Nescio is de zin waarmee De uitvreter begint:

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Met "de man die..." verwijst Nescio naar de Nederlandse schrijver en Walden-oprichter Frederik van Eeden. Van Eeden beschreef de Sarphatistraat al in 1888 als een voorbeeld van negentiende-eeuwse wansmaak, terwijl hij zich toch kon herinneren dat hij het vroeger de mooiste straat van Amsterdam vond. Kennelijk was het destijds algemeen bekend dat Nescio Van Eeden bedoelde met de 'wonderlijke kerel' uit de Uitvreter. In een toespraak die hij in 1899 tot Amsterdamse arbeiders richtte, introduceerde Van Eeden zich met de woorden: "Misschien heeft men u verteld dat ik een wonderlijke kerel ben..."

De eerste komma in de openingszin komt in Nescio's manuscript niet voor. Die fout is pas opgetreden nadat het manuscript op de redactie van De Gids aankwam.

[bewerk] Titaantjes

Bijna iedereen kent de openingszin van Titaantjes:

Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf..

Titaantjes is het vervolg op De uitvreter. In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd met Japi en Bavink en hij vertelt hoe Bavink "mal" wordt. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden. Aan het eind gaat het dan alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen.

Het boek heeft als moraal dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en ondanks zelfs de grootste walging van maatschappelijke eisen hij daar toch altijd aan toegeeft, of hij wil of niet. De twee werken zijn dan ook een groot protest tegen de maatschappij, maar geven ook de tweestrijd weer tussen Nescio (De schrijver) en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company), die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten. Dit thema vinden wij ook terug in de boeken van Willem Elsschot (A.J. de Ridder) die deze tegenstelling schrijver-zakenman in zijn Laarmans-Boorman boeken laat terugkomen. Nescio en Elsschot worden mede hierom vaak met elkaar vergeleken.

[bewerk] Dichtertje

De novelle Dichtertje uit 1918 behandelt op ironische en ontluisterende wijze het als burgerlijk bestempelde huwelijk, gekoppeld aan de tegenstelling dichter-burger. Bekende Nescio-themata als de tegenstelling tussen verlangen en plichten, de strijd tussen "droom en daad" (in bewoordingen van Elsschot) en de uiteindelijke teleurstelling komen in dit verhaal op een andere wijze terug. Hoofdpersoon van het verhaal is de kantoorbediende Edu, die in stilte het verlangen koestert een artiest te worden. "Een groot dichter zijn en dan te vallen". Zoals bij Nescio te verwachten loopt het niet erg goed af. Edu schrijft zijn meesterwerk en wordt daarna krankzinnig (vergelijk het tragische lot van Bavink in "Titaantjes").

Tijdens het schrijven hielp Nescio's vrouw hem als corrector. Zij las dus al zijn manuscripten. De teksten van "Dichtertje" waren, begrijpelijk, voor haar niet al te plezierig om te lezen. In Dichtertje speelt Nescio op de hierdoor ontstane huiselijke twist in, aan het begin van hoofdstuk zes: "Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door mijn vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt. (...) Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat 't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, toch ga ik door."

[bewerk] Mene Tekel

Aan het bundeltje "De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje" werd bij de vierde druk ervan ook Mene Tekel toegevoegd. Dit "Mene Tekel" bestaat uit een aantal schetsen en korte verhaaltjes die eerder los van de andere verhalen werden gepubliceerd in 1946. Beroemde schetsen uit dit werkje zijn, behalve het titelverhaal "Mene Tekel" vooral "Buiten-IJ" en "Pleziertrein". De opening van Mene Tekel toont beide karakteristieken van het werk van Nescio: de eerste alinea bevat een uitgebreide omschrijving van een zonsondergang op het platteland. Nescio's bevlogen proza wordt in de tweede alinea komisch-ruw onderbroken door Bavink: "Toen zei Bavink: 'Ik word een beroemd man,' zooals een ander zou zeggen: 'Ze hebben me een dubbeltje te veel afgezet,' en we voelden ons bekocht, alle drie, Bavink, Bekker en ik."

Nescio blijkt -waarschijnlijk evenzeer als zijn lezers- gehecht te zijn aan deze Titaantjes. In veel van zijn latere verhalen komen zij terug, deze levenslustige idealisten, die de hemel wel zouden bestormen, en de wereld anders zouden maken - tot ook zij bedroefd zich bij hun lot neerlegden, en gewone "mannetjes" werden.

[bewerk] Receptie

De drie verhalen Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes verschijnen in 1918 in één band, bij de Haarlemse kunsthandelaar J.H. de Bois in een oplage van 500 exemplaren. Tien jaar later bleken van deze oplage maar 300 exemplaren te zijn verkocht. Desondanks komt er in 1933 een herdruk. In 1947 verscheen de derde druk, met de verhalen in hun bekende, chronologische volgorde: De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje. Vanaf 1956, de vierde druk, werd het verhaal Mene Tekel aan deze bundel toegevoegd. Lange tijd zijn dit de enige verhalen geweest die van Nescio verkrijgbaar waren.

Pas in de loop van de jaren dertig komt er iets meer aandacht voor zijn werk. De waardering ervoor groeit gestaag: in 1954 ontvangt hij de Marianne Philipsprijs, en vlak voor zijn dood verschijnt - mede op aandrang van vrienden - de bundel Boven het dal en andere verhalen (1961). Die 'andere' verhalen waren door zijn vrouw en vrienden gekozen uit het vele ongepubliceerde werk uit zijn jeugd. Nieuw in dit boek is Nescio's inleiding, waarin hij zijn visie op het schrijverschap geeft, en commentaar levert op zijn eigen werk. Hij eindigt met de woorden: "En dan heb ik hiermee mijn litteraire nalatenschap verzorgd, alsof ik inderdaad overleden was."

Sindsdien is de waardering van zijn werk sterk gestegen, en tegenwoordig wordt het beschouwd als een van de belangrijkste oeuvres van de Nederlandse literatuur, al is het oeuvre erg klein. Hij wordt door velen dan ook gezien als een van de meest invloedrijke schrijvers uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Latere grootheden als Gerard Reve en Willem Frederik Hermans hebben Nescio vaak genoemd als een voorbeeld en inspiratiebron; de stijl die Nescio hanteerde heeft zeer veel navolging gekend, tot op de dag van vandaag.

Kenmerkend voor de stijl van Nescio zijn de zakelijke, "gewone" woordkeuze, en tegelijkertijd de grote gevoeligheid die er uit spreekt. Nescio's stijl was alles behalve hoogdravend en was in zijn tijd zeer afwijkend. De "volkse" stijl was dan ook een reden van de zeer beperkte waardering die Nescio in zijn tijd kreeg; zijn zinnen die vol stonden met "datti" en andere spreektalige elementen voldeden niet aan de verwachtingen die men destijds van literatuur had. Latere literatoren waarderen juist dit "normale" aan Nescio: Nescio schreef, nadat er tientallen jaren hoogdravende onzin over de Nederlandse lezer was uitgestort, als een gewoon mens, schreef bewonderaar Gerard Reve.

Ook de thematiek van het werk van Nescio, en zijn uitlatingen over God, werden in zijn tijd als choquerend ervaren. "Ze gooien alle conventies overboord en lachen met wat voor velen heilig is" schreef een recensent in 1918 over de verhalen van Nescio. Vanaf de jaren zestig verandert deze houding totaal en wordt Nescio ook door het grote publiek omarmd. Eerder al, in de jaren dertig, werd Nescio als een groot schrijver erkend door Menno ter Braak en andere leden van het tijdschrift Forum, dat destijds toonaangevend was in de Nederlandse letteren.

[bewerk] Bibliografie

  • 1911 - De uitvreter, verhaal in: De Gids
  • 1915 - Titaantjes, verhaal in: Groot Nederland
  • 1918 - Dichtertje, novelle
  • 1933 - Dichtertje, De uitvreter, Titaantjes (bundel)
  • 1946 - Mene tekel, novelle
  • 1956 - De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel (bundel) ISBN 978-90-388-5483-0
  • 1961 - Boven het dal en andere verhalen
  • 1971 - De X geboden, postuum uitgegeven
  • 1996 - Natuurdagboek, postuum uitgegeven

[bewerk] Nesciobrug, -pad, -straat, -laan, -hof, -plantsoen

In 2007 werd in Beek-Ubbergen een nieuwe straat vernoemd naar Nescio. De Nesciostraat bevindt zich tussen de Potgieterstraat en de Vondelstraat. De oostelijke omgeving van Nijmegen is een belangrijke bron van inspiratie geweest voor het werk van Nescio. Bron: 2006, Bert Vanheste, Nescio in Nijmegen, ISBN 9073202663.

In 2005 werd in Amsterdam de op dat moment langste voetgangers- en fietsersbrug van Nederland naar Nescio genoemd, de Nesciobrug. De naam is gekozen omdat de brug de verbinding vormt tussen de stad en de Diemerzeedijk, de dijk waarlangs Nescio en zijn Titaantjes lange wandelingen maakten, daarvan verhaalde (1918) en aldus de 'Diemerzeedijk' een plaats gaf in het collectieve literaire geheugen.

In Groningen bestaat een Nesciopad, een fietspad waar geen enkel huis aan staat. In Zoetermeer heet een straat Nesciohove. Nijmegen, Haarlem en Delft hebben een Nesciostraat. In Haren (bij Groningen) is een Nesciolaan. En in Naarden, Arnhem en Culemborg is een Nesciohof. De laatste ligt in de experimentele woonwijk Lanxmeer. Almere beschikt in de nieuwe Literatuurwijk over een Nescioplantsoen.

[bewerk] Externe links

 
Persoonlijke instellingen