Idealisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Georg Wilhelm Friedrich Hegel, waarschijnlijk de bekendste idealist.

Idealisme is een benaming voor een aantal filosofische stromingen die met elkaar gemeen hebben dat ze alles tot een geestelijk beginsel willen herleiden. Het komt er dus op neer dat aan de uiterlijke objecten geen zelfstandigheid wordt toegeschreven, terwijl alleen wat in de geest is - de ideeën en grondbegrippen - werkelijkheidswaarde heeft. Grofweg zijn er twee stromingen van idealisme te onderscheiden: het metafysisch idealisme, waaronder ook het Duits idealisme valt, en het kennistheoretisch idealisme.

Metafysisch idealisme[bewerken]

De Griekse filosoof Plato wordt met zijn Ideeënleer wel eens de vader van het metafysisch idealisme genoemd. Bij Plato kregen de algemene begrippen, de Ideeën of 'Vormen', een status van onafhankelijk bestaande, werkelijke dingen. De objecten die worden gezien zijn volgens Plato niet echt, maar slechts nabootsingen van de echte 'Ideeën' die zich in een transcendente wereld bevinden. In de allegorie van de grot (Staat VII 514A–520A) worden de dingen die normaal worden gezien in de wereld "schaduwen" van de echte, niet direct waarneembare dingen genoemd. In zijn dialoog Timaeus maakt Plato duidelijk dat de wereld door de 'demiurg' (een soort goddelijke ambachtsman) gemaakt werd met de eeuwige vormen als voorbeeld, zodat de wereld die wij via onze zintuigen kennen er (slechts) een onvolmaakte en vergankelijke afspiegeling van is. Plato beschouwt de algemene begrippen (ideeën) dus als belangrijker en van een hogere orde dan de bijzondere of particuliere dingen. Als men de vraag stelt: "Wat is het zijn?", dan is Plato's antwoord (het benadrukken van de werkelijkheid van universalia) kenmerkend voor het idealisme; het andere mogelijke antwoord (het benadrukken van de werkelijkheid van de dingen zelf) is het realisme. Of, om het met andere woorden te zeggen, Plato beschouwt de ideeën of begrippen als realistisch, zijn idealisme is dus in feite een begripsrealisme. Onder die naam staat het dan ook bekend.

Kennistheoretisch idealisme[bewerken]

Het was de Franse filosoof René Descartes die aan het begrip 'idee' een nieuwe betekenis gaf. Hij stelde dat ideeën in de eerste plaats elementen waren van het menselijk denken. Zo leidt hij onder meer af uit het feit dat wij ons een idee kunnen vormen van zoiets als een "hoger wezen", dat zo'n wezen noodzakelijk moest bestaan. Daarbij redeneerde hij dat het idee 'God' niet door eindige wezens kon zijn voortgebracht en dus wel van God zelf afkomstig moest zijn. Descartes legde ook een sterke nadruk op de coherentie, de samenhang van onze kennis en het was zijn streven om (via zijn 'methodische twijfel', uitgedrukt in het beroemde Cogito ergo sum) tot "onbetwijfelbare kennis" te komen.

De Engelse verlichtingsfilosoof John Locke beschouwde de eigenschappen van dingen waarover wij kennis opdoen als natuurlijke eigenschappen van iets, waarvan wij echter nooit (omdat het zelf geen eigenschap is) iets te weten kunnen komen. George Berkeley ging zelfs zo ver om te concluderen dat juist omdat we ons geen idee kunnen vormen van een substantie, deze substantie niet kan bestaan. Hij herleidt de werkelijkheid tot "ideas", bewustzijnsinhouden (die bij hem een in wezen spirituele of zelfs goddelijke oorsprong hebben). Wat voor hem wel werkelijkheidswaarde behield, waren de waarnemers zelf, de mensen, en God. Vergelijkbaar is David Hume's opvatting, die de waarnemer liet 'opgaan' in "a bundle of perceptions", de begrippen.

Kants idealisme[bewerken]

In het (kritisch en transcendentaal) idealisme van Kant betekent het dat aan het verstand (bewustzijn) een ordenende en regulatieve functie wordt toegekend bij het verwerken van ervaringen. Hij gaat uit van "dingen" die buiten ons bestaan en de zintuigen kunnen prikkelen maar waarover -als ding- niets gezegd kan worden. (Voorbeeld: materie bestaat, maar dat het uit quarks en/of strings etc. zou bestaan is iets wat louter en alleen aan de kennende en creatieve activiteit van ons bewustzijn toegeschreven moet worden). Kant verwerpt dan ook met klem het "esse est percipi" (zijn/bestaan is waargenomen worden) van Berkeley. Kants idealisme betreft niet het bestaan van dingen maar betreft de (on)mogelijkheid om dingen weer te geven in ons bewustzijn zoals ze zelf zijn. In deze zin is idealisme tegengesteld aan het filosofisch realisme en is het niet tegengesteld aan het filosofisch materialisme.

Duits idealisme[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Duits idealisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

"Duits idealisme" verwijst naar een groep Duitse filosofen die een bijzondere vorm van metafysisch idealisme voorstonden, respectievelijk bekend als subjectief idealisme (Fichte), objectief idealisme (Schelling) en absoluut idealisme (Hegel). In de filosofie van Hegel is het idealisme weer absoluut: het brengt het zijn terug tot de idee terwijl de ontwikkeling daarvan de verschillende vormen van waarneembare werkelijkheid veroorzaakt. Het "zijn" is tevens een "niet-zijn" (want het ontwikkelt zich en is in wording) en bovendien is het absoluut want daarbuiten bestaat er niets. Hegel zegt: "De idee als totaliteit is de natuur". Een extreme vorm van idealisme is het solipsisme, dat stelt, dat de ganse realiteit voortvloeit uit het eigen 'ik' zelf .

Brits idealisme[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Brits idealisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Brits idealisme verwijst dan weer naar een groep Britse filosofen die voortbouwen op het Duits idealisme. Deze stroming was invloedrijk in Groot-Brittannië van het midden van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming waren T.H. Green (1836–1882), F. H. Bradley (1846–1924) en Bernard Bosanquet (1848–1923). . Ook zij stellen dat de hele werkelijkheid redelijk is en dat alles kan gelijk stellen met ideeën. Er zijn echter sterke verschillen met Hegel, zo zijn zij het fundamenteel oneens op vlak van de staat en Hegels historicisme.

Objectief en subjectief idealisme[bewerken]

In de filosofie wordt verder nog een onderscheid gemaakt tussen het zgn. objectief en het subjectief idealisme. Het verschil tussen deze twee (sub)richtingen is het makkelijkst te duiden aan de hand van de filosofie van Berkeley. De man neemt voor een deel het idealisme van Descartes over en het is subjectief omdat de hele werkelijkheid teruggebracht wordt tot de idee die hij (als subject) er zich van vormt. Maar de man is ook religieus, hij erkent dus wel degelijk een buiten hem staande entiteit (het opperwezen zelf). In die zin dat deze absolute en universele geest (die dan niet meer van persoon tot persoon hoeft te verschillen) de ideeën bij de individuen tot stand brengt, wordt gesproken van een objectief idealisme. Onnodig te zeggen dat dit onderscheid op veel idealisten überhaupt niet van toepassing is (bijvoorbeeld Kant, want die erkent zonder voorbehoud een buiten hem staande werkelijkheid) maar in het licht van het bovenstaande moet iemand als Hegel als objectief idealist geduid worden.

Marxistische visie op het idealisme[bewerken]

In tegenstelling tot zowel de klassieke als de moderne westerse filosofie waar idealisme tegengesteld is aan realisme, stelt het Marxisme dat tegenover het idealisme het materialisme geplaatst zou moeten worden. Aan deze opvatting is vooral vorm gegeven door Lenin in zijn Materialisme en empiriocriticisme (1909), dat als zijn belangrijkste kentheoretische bijdrage aan het marxisme beschouwd wordt.