Oostvaardersplassen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oostvaardersplassen
Natuurgebied
Oostvaardersplassen
Oostvaardersplassen
Situering
Locatie Flevoland
Coördinaten 52° 27′ NB, 5° 21′ OL
Dichtstbijzijnde plaats Lelystad
Informatie
Oppervlakte 56 km²
Foto's
Overzichtskaart Oostvaardersplassen (maart 2015)
Overzichtskaart Oostvaardersplassen (maart 2015)
Oostvaardersplassen
Oostvaardersplassen

De Oostvaardersplassen vormen een natuurgebied van zo'n 5600 ha (56 km²) tussen Almere en Lelystad in de Nederlandse provincie Flevoland. Het gebied is ontstaan na de drooglegging van de Flevopolders (1950-1968) en dus relatief jong. De Oostvaardersplassen zijn van internationaal belang als moerasgebied en overwinteringsgebied voor vogels. Het gebied is ruwweg in twee gedeelten te onderscheiden: een nat (ca. 3600 ha) en een droog (ca. 2000 ha) gedeelte. Het droge gedeelte wordt gezien als een geschikte habitat voor grote grazers.

Het gebied is beperkt toegankelijk voor bezoekers en geniet wettelijke bescherming. Het is vrijwel geheel aangewezen als Vogelrichtlijngebied (5505 ha) en Staatsnatuurmonument (5600 ha). Sinds 1999 bezitten de Oostvaardersplassen het Europees diploma voor Natuurbeheer, een erkenning die iedere vijf jaar moet worden geëvalueerd namens de Raad van Europa. Op 23 december 2009 zijn de Oostvaardersplassen definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.[1]

De Oostvaardersplassen worden beheerd door Staatsbosbeheer. In het gebied leven inmiddels al meer dan 25 jaar groepen uitgezette runderen, paarden en edelherten. Deze grote planteneters of hun verwante voorouders worden geacht ook in het verre verleden in Nederland te zijn voorgekomen en mede vorm te hebben gegeven aan het landschap. Men probeert deze zogenaamde grote grazers in dit natuurgebied op een "volledig natuurlijke manier" te laten leven, waarbij bijvoorbeeld kadavers van dode dieren blijven liggen en de dieren ook bij grote voedseltekorten niet worden bijgevoerd. Dit voor Nederland bijzondere beheersexperiment heeft verschillende malen tot discussie geleid.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

In 1932 werd de Afsluitdijk voltooid en veranderde de Zuiderzee in het IJsselmeer. Volgens het plan van ir. Cornelis Lely zouden vier nieuwe polders aangelegd worden om te voorzien in de grote behoefte aan landbouwgrond. In 1942 werd de Noordoostpolder drooggelegd, in 1957 Oostelijk Flevoland en in 1968 Zuidelijk Flevoland. De vierde polder. de Markerwaard werd wel grotendeels omsloten door een dijk maar uiteindelijk niet drooggelegd.[2] Hierdoor werd de al voltooide Oostvaardersdijk de buitendijk van de Flevoland-polders waardoor de Oostvaardersplassen konden ontstaan. Het Oostvaardersdiep, een diepe zandige plek waar vroeger de schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie voor anker gingen, was in de oorspronkelijke plannen bedoeld als scheepvaartroute naar Amsterdam. Doordat de dijk van de Flevolanden nu noordwestelijker kwam te liggen werd deze diepte toch ingepolderd. De diepe plekken kwamen als plassen in de polder te liggen. Het gebied was cultuurtechnisch minder interessant vanwege de lage en dus natte ligging en de weinig vruchtbare zandige bodem. Dit lage deel van Zuidelijk Flevoland was daarom bestemd tot industrieterrein en kassengebied. De aangrenzende drogere gronden waren bestemd voor de landbouw.

Ontwikkeling van het moeras 1968-1975[bewerken]

Baardmannetje

Na het droogvallen van Zuidelijk Flevoland werd er vanuit vliegtuigjes riet uitgezaaid als eerste stap in de ontginning. Op drogere plaatsen kwam dit samen met het zaad van de wilg snel tot ontwikkeling. Op de slikken vestigden zich, afhankelijk van het vochtgehalte van de bodem, pionierplanten als moerasandijvie, goudzuring en grote lisdodde. Zo ontstond een afwisselend slikken- en plassenlandschap met rietland, wilgenbroek, spontane moerasvegetatie en water. Dit was een aantrekkelijk biotoop voor veel soorten vogels, zoals de grauwe gans, lepelaar, eenden en het toen zeldzame baardmannetje. Na vier jaar dreigde het gebied echter snel te verdrogen en te verlanden door de voortgaande ontwatering van de omringende polder, die werd ontgonnen voor de landbouw. Door een actiegroep en enkele biologen werd sterk gepleit voor behoud van het plassengebied. In 1973 werden de ontginningen aan de rand van het gebied beëindigd en er kwam een provisorische kade die weglekken van water uit het moeras moest stoppen. In droge perioden moest water opgepompt worden om drooggevallen gedeelten weer nat te maken en nat te houden. Hierbij bleek dat ganzen en eenden door begrazing van jonge riet- en moerasvegetaties konden voorkomen dat het plassengebied weer zou dichtgroeien. Aan het eind van 1974 kregen de Oostvaardersplassen de status van 'tijdelijk natuurgebied', waarmee het moeras ook planologisch beschermd werd. De inrichtingsplannen werden herzien en de kade om het moeras werd in 1975 definitief. Hierdoor ontstond tussen de dijken een groot moerasgebied van ongeveer 3600 hectare.[3]

Sturen met peilbeheer en begrazing 1975-1986[bewerken]

Met de pompen die geïnstalleerd waren voor de aanvoer van water werd actief gestuurd met het peilbeheer. Met hogere waterstanden in de winter en het voorjaar en lagere in de zomer probeerde men optimale waterpeilen in te stellen voor bepaalde vogelsoorten. Vooral de grauwe ganzen profiteerden van de hogere waterstanden in het voorjaar, maar het aantal broedende steltlopers daalde door het hoge peil drastisch. In de zomer werden wel optimale omstandigheden voor steltlopers gecreëerd, zodat ze op de droogvallende slikvelden konden foerageren om hun vetvoorraad voor de trek naar het zuiden aan te vullen. Door het peilbeheer en het open karakter van het moerasgebied vestigden de bruine kiekendief, lepelaar, aalscholver, de grote en kleine zilverreiger en het baardmannetje zich hier als broedvogel.[3][4]

Na enkele jaren bleek dat door de intensieve begrazing van de inmiddels zeer talrijke ganzen een steeds groter deel van het moerasgebied weer open water werd. De waardevolle ondiepe zone met slikvelden verdween en het water werd troebel door erosie van de slappe bodem. Er was behoefte aan drogere grazige gebieden waar de ganzen buiten de ruiperiode konden foerageren. Doordat steeds meer gronden in gebruik genomen werden voor de landbouw waren dergelijke gebieden in de polder niet meer beschikbaar. Ook was het een tekortkoming dat gradiënten van nat naar droog in het vlakke land ontbraken en dat er geen helderwaterpoelen waren als jachtgebied voor zichtjagers als reigers en rallen. Deze nieuwe inzichten en het toegenomen maatschappelijk belang van de Oostvaardersplasen leidden er in 1982 toe, dat de drogere gronden grenzend aan het plassengebied aan de landbouw werden onttrokken en dat de geplande spoorlijn Almere-Lelystad er in een boog omheen werd aangelegd (het zogenoemde badkuiptracé). Hiermee werd een randzone van bijna 2000 hectare aan het natuurgebied toegevoegd. Ter compensatie kreeg het bestaande ganzengebied de Ganzengouw weer grotendeels een landbouwbestemming.[2][3]

Heckrunderen

De grotendeels spontane moeraszone en de reeds ontgonnen droge randzone moesten vervolgens nog tot een samenhangend natuurgebied gemaakt worden. In de randzone was een zonering van nat naar droog gewenst. Voor vogels waren het ondiepe, slechts deels begroeide moeras en het natte, periodiek onder water staande grasland van het grootste belang, dus die kregen de meeste aandacht bij inrichting en beheer. Langs de grens met het moeras moest nat tot vochtig grasland met helder, open water tot ontwikkeling komen. Via een zone met droge, grazige vegetaties moest dit overgaan in een struweellandschap naar de randen van het gebied. Dit kon gerealiseerd worden door ingrepen in de waterhuishouding en door begrazing met grote grazers. Om ervaring op te doen werden experimenten met begrazing gestart. In 1983 werden 32 Heckrunderen in het gebied ingezet voor jaarrondbegrazing en een jaar later 20 konikpaarden. In de moeraszone nam de trend naar meer open water en minder natuurwaarden nog steeds toe, ondanks herhaaldelijke aanpassing van het peilbeheer. De zware begrazing door ganzen zorgde er voor dat het mozaïek van plassen en verschillende vegetatiestadia verdween en daarmee de vogels die hiervan afhankelijk zijn. Dit was mede aanleiding tot een herbezinning op de ontwikkeling van het gebied.[3]

Konikpaarden

Sturen op landschapstypen 1987-1995[bewerken]

Edelherten

In de eerste Ontwikkelingsvisie (1987) werd de keuze uitgewerkt om acht landschapstypen, variërend van open water tot bos, in samenhang te laten ontstaan binnen het totale moerasecosysteem. Voor de moeraszone werd als maatregel gekozen voor een proef met gefaseerd peilbeheer: een reeks van natte jaren afwisselen met enkele droge om de vegetatie zich periodiek te laten herstellen van begrazing en erosie. Dit werd toegepast in het westelijk deel van de moeraszone, waartoe een natuurlijke oeverwal, de Drempel, werd omgevormd tot waterscheiding. De ganzen konden zich terugtrekken in het oostelijk peilgebied, waardoor daar open plekken ontstonden in de dichte rietvelden. In het westelijke deel kon de vegetatie zich sterk uitbreiden, zodat vanaf 1990 het peil weer geleidelijk verhoogd kon worden. Voor de randzone werd vooral gekozen voor begrazing als maatregel om de ontwikkeling te sturen. Hiertoe werd het lopende begrazingsexperiment uitgebreid tot de hele randzone, die werd verdeeld in drie begrazingsgebieden: een deel met jaarrondbegrazing, een deel met zomerbegrazing en een deel met kleine wisselweiden in de zomer. Droog grasland bleek duidelijk favoriet bij de grote grazers. Nat grasland was vooral in trek bij de ganzen en had de hoogste natuurwaarden. In 1992 werden, in aanvulling op de runderen en paarden, 44 edelherten uitgezet in het begrazingsgebied wegens hun invloed op de struweelzone waarin veel vlier voorkwam. In de Waterlanden werd een proefgebied aangelegd om het functioneren van diverse vormen van open water in een begrazingsgebied te onderzoeken.[2][3]

Na de eerste 25 jaar genoten de Oostvaardersplassen grote bekendheid dankzij de spontane natuurontwikkeling en de pogingen om nieuwe natuur doelbewust te laten ontstaan. Deze periode markeert ook een belangrijke wijziging in het denken over natuur.[5] In de jaren tot 1996 vond opnieuw een herbezinning plaats op doelen, inrichting en beheer van het gebied. De Oostvaardersplassen danken hun internationale bekendheid vooral aan het belang voor de moerasbewonende vogels, die het gebied in grote aantallen gebruiken als foerageer-, rust- en broedgebied. Daarnaast werd bij de herbezinning ook aandacht besteed aan natuurrecreatie en aan de relaties met het omringende gebied. De resultaten zijn door Rijkswaterstaat als leidraad voor de komende jaren neergelegd in de tweede Ontwikkelingsvisie (1995).[3]

Ruimte voor natuurlijke ontwikkeling 1996-2015[bewerken]

In 1996 werd het beheer overgedragen aan Staatsbosbeheer. Op grond van de opgestelde visie werd het uitgangspunt voor het beheer nu niets doen, tenzij .... Het waterpeil binnen drie grote peilgebieden mocht onder invloed van neerslag en verdamping schommelen tussen ruime grenzen. Ook de begrazingsdruk werd niet actief gestuurd en de dieren werden in de winter niet bijgevoerd. Wel werd onderzoek gedaan naar de populatieontwikkeling en gezondheidsstatus van de grote grazers en hun invloed op de vegetatie. Daarnaast werden de geplande inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. De Oostvaardersplassen werden door een moerasstrook aan de voet van de Oostvaardersdijk verbonden met de Lepelaarplassen. In het gebied bij de Praamweg werden poelen en plassen aangelegd en twee observatiehutten gebouwd.[3]

In de praktijk bleek de dubbele doelstelling van het beheer lastig te combineren: enerzijds ruimte geven aan spontane natuurlijke processen, anderzijds het gebied als habitat voor belangrijke soorten in stand houden, desnoods met kunstgrepen. In de derde Ontwikkelingsvisie (2008) werd als beheerdoelstelling gekozen voor randvoorwaarden scheppen voor natuurlijke processen en deze in stand houden. Het beheer van de grote grazers was al meer dan tien jaar gebaseerd op minimaal ingrijpen. De snelle toename van de aantallen grazers leidde ertoe dat in de late winter ook steeds meer dieren dood gingen. Dit leidde tot maatschappelijke discussie en tot het eerste advies van de internationale beheercommissie ICMO (2006) om de dieren meer beschutting te bieden en dieren die in de late winter in slechte conditie zijn te doden (reactief beheer). In de lange koude winter van 2010 moesten veel dieren gedood worden en kreeg Staatsbosbeheer opdracht om de dieren bij te voeren. In het tweede advies van de ICMO (2010) werden aanbevelingen gedaan voor de korte, middellange en lange termijn.[6]

Staatssecretaris Henk Bleker, die destijds verantwoordelijk was voor het natuurbeleid, trok in 2011 zijn conclusie uit het ICMO advies. Het experimentele beheer om zo weinig mogelijk in te grijpen en zo veel mogelijk ruimte te geven aan natuurlijke processen kon niet worden voortgezet. Hij koos er voor om op korte termijn aanvullende beschutting te bieden, door de Oostvaardersplassen te verbinden met aangrenzende bospercelen, en zo nodig dieren in slechte conditie eerder te doden (vroeg-reactief beheer). Het advies van de ICMO om op langere termijn robuuste verbindingen te realiseren, waaronder het Oostvaarderswold, nam hij niet over. Hij streefde voor de langere termijn naar een stabiel, degelijk en goed gereguleerd beheer.[6]

Staatsbosbeheer onderschreef de aanbevelingen van de ICMO en nam maatregelen om het welzijn van de grote grazers te verbeteren. Om meer beschutting te bieden werd 1200 meter schuilrichel aangelegd. Daarnaast werden de gebieden de Driehoek, het Oostvaardersbos en een deel van het Kotterbos in de winter opengesteld voor alle grote grazers. Voor de periode 2011-2015 werd een nieuw managementplan geschreven, waarin het realiseren van de Natura 2000-doelstellingen voor de Oostvaardersplassen de hoogste prioriteit kreeg. Staatsbosbeheer wil deze doelstellingen zo veel mogelijk realiseren via natuurlijke ontwikkelingen, maar zal ook ingrijpen als dat nodig is.[6]

In opdracht van de staatssecretaris van Economische Zaken is in 2014 het Natura 2000-beheerplan voor de Oostvaardersplassen opgesteld. Hierin gaat het vooral om de bescherming en instandhouding van 31 vogelsoorten en hun leefgebied. Het beheerplan concludeert dat de instandhoudingsdoelen voor 19 tot 23 vogelsoorten niet kunnen worden gehaald met voortzetting van het huidige beheer. Een belangrijke reden daarvoor is onvoldoende peildynamiek in het moerasdeel. Daarom wordt voorgesteld het waterpeil in het moerasdeel voor een periode van drie jaar drastisch te verlagen, waarna een zelfde periode van geleidelijke peilverhoging volgt. De ervaring heeft geleerd dat deze ingrepen ongeveer tien jaar sterk van invloed zijn op de aantallen moeras- en watervogels. Daarnaast moeten maatregelen worden getroffen die zorgen voor een zo groot mogelijke seizoens- en jaarlijkse peildynamiek als gevolg van neerslag, verdamping en afvoer. Ook worden enkele maatregelen voorgesteld in het grazige gebied en het aangrenzende bosgebied.[1]

Beheer op maat vanaf 2015[bewerken]

Staatssecretaris Sharon Dijksma presenteerde op 12 maart 2015 in een brief aan de Tweede Kamer haar visie op het beheer van de Oostvaardersplassen in de periode vanaf 2015. De waarde van het gebied voor vogels komt daarin meer dan voorheen centraal te staan. De voorgestelde maatregelen voor het moerasdeel in het Natura 2000-beheerplan dragen hieraan bij. Ook het beheer van de grote grazers in het grazige deel ondersteunt de vogeldoelstellingen. Hier wordt het vroeg-reactief beheer van de kuddes voortgezet. In de bosrijke schil om het Natura 2000-gebied wordt het beheer op maat afgestemd op de functies die daar aan de orde zijn, zoals natuur, bos, landschap en recreatie. Vanuit die gedachtegang wordt naar een passend beheer gezocht voor de daar aanwezige grazers (vooral edelherten). Toerisme en recreatie krijgen een steviger plek en de visuele beleving van het gebied wordt belangrijker. Ook de banden met de wetenschap worden versterkt. Staatsbosbeheer zal in de maatschappelijke discussie over grote grazers de interactie met het publiek opzoeken en een maatschappelijke adviescommissie instellen.[7]

Bezoekers[bewerken]

Voor het publiek is er aan de Knardijk een bezoekerscentrum met een wandelroute van vijf kilometer. Ten noordoosten van de Oostvaardersplassen ligt een gebied van 260 hectare waarin de verschillende milieus met de flora en fauna zoals in het reservaat voorkomen aan bezoekers getoond worden. Ook bij het Fluitbos is een observatiemogelijkheid. Halverwege Almere en Lelystad ligt een aanlegplaats voor de pleziervaart met een uitkijkpunt dat zicht geeft over de Oostvaardersplassen.

Omgeving[bewerken]

Topografie[bewerken]

Bij de Oostvaarderplassen liggen enkele gebieden die bij het natuurgebied betrokken zijn:

  • Het Hollandse Hout bij Lelystad is een multifunctioneel bos, dat uiteindelijk een eenheid moet gaan vormen met de Oostvaardersplassen. De bomen vermeerderen zich inmiddels al vanuit het Hollandse Hout in de Oostvaardersplassen.
Zonsondergang in het Markermeer gezien vanaf de Oostvaardersdijk
  • Aan de Almeerse kant tegen het industrieterrein aan, ligt het voormalige Fluitbos, nu bekend als Oostvaardersbos. Edelherten en reeën hebben reeds hun weg naar het Oostvaardersbos gevonden. De invloed van edelherten op het bos is zichtbaar door onder andere de vraat aan de bomen. Op termijn zal het onnatuurlijk dicht aangeplante bos opener worden en een natuurlijkere aanblik krijgen. Als bos zal het in stand blijven, maar wel een opener karakter krijgen.
  • De ecologische verbindingszone richting de Lepelaarsplassen is uitgebreid met een bufferbos, dat een buffer vormt met het Almeerse industrieterrein de Vaart. De bestaande fietspaden langs de rand van de Oostvaardersplassen sluiten hierop aan. Met de inrichting van het bufferbos werd eind 2004 begonnen.

In 2003 werd begonnen met de verhoging van de Oostvaardersdijk tot Deltahoogte. De dijk aan de kant van het Markermeer wordt 1,60 m verhoogd bij Lelystad en 0,20 m bij Almere. Hierdoor vermindert de natuurwaarde van de begroeiing langs de dijk en zal ook de vogeltrek worden beïnvloed. Als compensatie voor het verdwijnen van een stuk Oostvaardersplassen wordt er buitendijks een 10 ha groot luwtegebied aangelegd. Dit gebied krijgt daarnaast een functie als paaiplaats voor vissen.

Ontwikkelingen in flora, fauna en milieu[bewerken]

In een jong gebied als de Oostvaardersplassen zijn allerlei processen aan de gang waardoor het gebied aan snelle verandering onderhevig is. Juist dit proces van verandering maakt de Oostvaardersplassen voor velen interessant.

Flora[bewerken]

Het oorspronkelijke wilgenbos begint door stormen, vraat en ziekte steeds opener te worden. In het veld komt op verschillende plaatsen meidoorn op. Waar koeien en paarden het riet hebben weggevreten, ontstaat grasland. Langzamerhand beginnen ook klavers en andere planten hierin hun plaats te vinden. De massaal opgekomen vlier is op zijn retour. Deze wordt alleen door het edelhert gegeten.

Fauna[bewerken]

Het gebied telt circa 30 belangrijke soorten vogels. Hiertoe behoren zeldzame vogels als de roerdomp en de kleine zilverreiger, maar ook algemene soorten als de grauwe gans, waarvan er gemiddeld 33.000 te vinden zijn. De inrichting van het poelengebied blijkt hierin een belangrijke rol te spelen: het aantal nesten van de zilverreiger en lepelaar gaat gestaag omhoog.

In 2002 is voor het eerst een nest door een paar juveniele visarenden gebouwd. Het is voortijdig uit de bomen gewaaid, maar toch voedt dit de hoop dat de visarend in de toekomst in het gebied tot broeden gaat komen. Ook de zwarte ooievaar en de zeearend laten zich met zekere regelmaat in de Oostvaardersplassen zien. De zeearend heeft zich in 2006 als broedvogel gevestigd.

De ringslang komt nu voor in het gehele gebied en de bever heeft zich gevestigd nabij de aalscholverkolonie.

De Oostvaardersplassen zijn arm als het om vis gaat. Slechts 15 soorten vis zijn bekend: aal, brasem, driedoornige stekelbaars, lederkarper, pos, baars, ruisvoorn, schubkarper, serpeling, snoekbaars, spiegelkarper, tiendoornige stekelbaars, winde en zonnebaars. Trek van vissen van en naar de Oostvaardersplassen is niet mogelijk.

Anno 2009 zijn de wateren van de Oostvaardersplassen vol met volwassen karpers. Er is praktisch geen predatie op deze vis. De komst van de Europese otter en de Europese meerval zou de diversiteit kunnen verhogen. Dit zou gunstig kunnen zijn voor dieren als de zeearend en de visarend.

Abiotisch milieu[bewerken]

De Oostvaardersplassen zijn ontstaan in een nieuwe polder. Nog steeds is er sprake van inklinking van de klei. Het natte gedeelte is daardoor steeds hoger komen te liggen ten opzichte van het omliggende gebied. Door dit natte gebied te omdijken blijven de droge gedeelten droog en de natte gedeelten nat.

In het droge gedeelte is de bovenste laag van de bodem langzaam verarmd. Dit leidt er toe dat de omstandigheden voor allerlei kruiden veranderen zodat successie plaatsvindt. Planten die eenmaal aangeslagen zijn, kunnen met hun diepere wortels nog steeds de voedselrijke kleibodem vinden.

Nieuwe vestiging van soorten[bewerken]

Middels ecologische verbindingszones is er contact met de Lepelaarplassen en het Pampushout. Het ligt in de bedoeling om ook een verbinding te maken met de Veluwe; men hoopt dat de grote grazers van de Veluwe via het Horsterwold de Oostvaardersplassen zullen bereiken. Het wild zwijn, de das en de eekhoorn zullen dan waarschijnlijk ook een plaats vinden in het Oostvaardersplassen gebied. Vogels zullen zich in principe vanzelf vestigen, maar andere dieren als de adder, de boomkikker en de grote modderkruiper komen niet vanzelf in de polder en zouden geïntroduceerd kunnen worden.

ganzen edelherten edelherten konikpaarden

Grazers[bewerken]

De eerste grazers werden in de jaren 1980 uitgezet en in 1992 werden 40 edelherten losgelaten. Voor dieren die leven in een gebied groter dan 5000 hectare geldt, dat zij de status van "wild" hebben. Er is geen eigenaar, de dieren zijn geen "gehouden dieren" en vallen derhalve ook niet onder de Veewet. De Flora- en faunawet is hier van toepassing. Deze stelt dat een ieder in het wild levende dieren de nodige zorg dient te geven. Staatsbosbeheer voldoet hieraan volgens een gerechtelijke uitspraak uit 2006. Volgens de Flora- en Faunawet is het bijvoeren van wild verboden. Doordat de dieren in de Oostvaardersplassen als wild beschouwd worden is er geen verplichting om kadavers van dode dieren op te ruimen. De kadavers zijn een welkome voedselbron voor kraaien, raven, arenden en eenmaal, in 2005, zelfs een monniksgier.

Er is sinds 2005 nog een aanzienlijke groei van de kuddes opgetreden. Anno 2011 leefden er in het gebied 3300 edelherten, 1150 konikpaarden, 360 Heckrunderen[8] en 100 reeën. De sterfte onder edelherten was in 2009 ongeveer 27%. De jaarlijkse sterfte concentreert zich uiteraard in de koude en voedselarme wintermaanden, en dan met name in maart. Staatsbosbeheer heeft gekozen voor een beheer waarbij de natuur haar gang gaat en grijpt nauwelijks in. Dit heeft tot gevolg dat veel van de 4000 dieren gedurende strenge winters verzwakken en overlijden. Om vermijdbaar lijden te voorkomen worden dieren waarvan verwacht mag worden dat ze niet lang meer te leven hebben afgeschoten.

In de winterperiode (1 december tot 30 april) van 2011-2012 stierven 1481 grazers (heckrund, konik en edelhert), in de winter van 2012-2013 waren dat er 1684.[9]

Effect biodiversiteit[bewerken]

Een gevolg van de landschappelijke verandering is de verdwijning van diverse vogelsoorten uit het gebied, mede als gevolg van de grote grazers. Dit is ook op veel andere plaatsen in Nederland gebeurd. Het leidde in de Oostvaardersplassen tussen 1997 en 2002 bij een stijgende populatie grote grazers tot de verdwijning van dertig tot honderd procent van de broedvogels van de open ruigtes, weidegebieden en droge rietlanden. Ook de variatie aan planten is afgenomen Onder biologen is discussie ontstaan over de wenselijkheid van dit neveneffect van het natuurlijke beheer met grazers.

Discussie voedsel en dierenwelzijn[bewerken]

Het beleid van Staatsbosbeheer met grote grazers is omstreeks 2005 ter discussie gesteld. Op verzoek van de Tweede Kamer heeft een internationaal samengestelde commissie zich gebogen over deze problematiek. Dit International Committee on the Management of large herbivores in the Oostvaardersplassen (IMCO) adviseerde sterfte van grazers te accepteren in het kader van de doelstelling van natuurlijk terreinbeheer. De discussie is daarna echter niet verstomd.[10]

Tegenstanders wijzen er op dat de begraasbare oppervlakte te klein is voor dergelijke grote aantallen dieren. Migratie is niet mogelijk vanwege het afgesloten terrein, zodat de grazers niet de mogelijkheid hebben minder voedselarme gebieden op te zoeken.[11] Voorstanders van de grote grazers wijzen er juist op dat in oorspronkelijke natuurlijke situaties er ook veel hindernissen zijn die migratie vrijwel onmogelijk maken, zoals rivieren, moerassen en bergketens. Dit zijn "natuurlijke hekken". Er is dus ook in een natuurlijke situatie een beperkte hoeveelheid voedsel.

Onder deskundigen is een discussie ontstaan over de vragen of de dieren voldoende voedsel hebben en of dieren lijden bij een verminderd voedselaanbod. Sommige deskundigen[bron?] menen dat de meeste dieren in de winter kunnen teren op hun vetvoorraad. Een klein deel van de dieren bouwt onvoldoende vet op en zal daardoor sterven. Dat dieren in de winter op een ander dieet overschakelen, zou gunstig zijn voor hun spijsvertering en niet wijzen op een tekort aan voedsel. Dit zou bovendien zonder lijden gepaard gaan. Ten onrechte, zo zeggen zij, worden magere dieren als zielig beschouwd. Dergelijke kwalificaties zouden te veel menselijke interpretaties zijn, die te veel tot emotionele discussies leiden. Andere deskundigen[bron?] menen echter dat herkauwers die sterk vermagerd zijn al ernstig geleden hebben onder het voedselgebrek.[12]

Ook is er discussie over de vraag of voedselgebrek in de winter er toe leidt dat dieren zich minder voortplanten[13] Sommigen menen dat de voedselomstandigheden in dit gebied in de zomer zo uitbundig zijn dat de prikkel om zich niet voort te planten grotendeels vervallen is in de bronsttijd.[14]

Proeftuin voor modern natuurbeheer[bewerken]

De Oostvaardersplassen geldt als een bijzonder natuurgebied. Het is een van de belangrijkste gebieden in Nederland waar op relatief grote schaal met natuurontwikkeling ervaring wordt opgedaan. De introductie van grote grazers is vanaf het begin daarvan onderdeel geweest, enerzijds met het doel om tot een alternatieve manier van begrazing te komen, anderzijds om tot aanzetten voor een zelfregulerend ecosysteem te komen. Het is dus in verschillende opzichten een experiment dat onvermijdelijk tot discussie onder deskundigen heeft geleid. Ook verschillende maatschappelijke organisaties hebben posities ingenomen in dit debat dat paradigmatisch is geworden voor het probleem van de introductie en het beheer van grote grazers in Nederland. Dierenwelzijnsorganisaties wijzen preventief beheer door afschot categorisch af,[15][16] terwijl jagers stellen dat beheersjacht minder dierenleed veroorzaakt omdat er geen periode van lijden aan vooraf gaat.[17] De Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde onderschrijft de zogenaamde zorgplicht voor grote grazers maar wil meer discussie over de wijze waarop dat moet gebeuren.[18] Natuurbeschermingsorganisaties staan over het algemeen positief tegenover begrazing met grote grazers, al is er wel enige zorg over de mogelijke achteruitgang van de biodiversiteit.

De beheersexperimenten met grote grazers hebben verscheidene malen tot felle publieksreacties geleid. Ook de Tweede Kamer mengde zich in 2010 weer in het debat nadat het TV-programma EénVandaag stervende grazers toonde. Minister Gerda Verburg van LNV zegde toe de evaluatie van het experiment met zelfregulerend beheer nog in 2010 zou plaatsvinden. Bovendien besloot de Tweede Kamer dat na de strenge winter van 2010 overgegaan moest worden tot bijvoederen van de grote grazers. De opvolger van Verburg, staatssecretaris Henk Bleker, deelde in november 2010 mee dat hij aan de hand van het rapport van de evaluatiecommissie onder leiding van Dzsingisz Gabor het experiment aan de Oostvaardersplassen als mislukt beschouwt. Hij pleitte voor het reduceren van de wildstand met 30% door het afschieten van oude en zwakke dieren en noemde dit "vroegtijdig reactief beheer".

Waterhuishouding[bewerken]

De waterhuishouding van de Oostvaardersplassen is onderverdeeld in diverse niveaus. Het belangrijkste verschil ligt tussen het natte moeras deel en het deel waar de grote grazers lopen. Oorspronkelijk was het natte deel lager dan het grazige gedeelte. Door het inklinken van de grond werd het droge deel natter en het natte deel droger. Om te voorkomen dat het moeras zou verdwijnen, is er een dijk omheen gelegd. Tevens is er een tijd lang een waterniveau aangehouden ten gunste van een vaste waterstand.

De problemen die zich hierdoor gingen voordoen waren dat steeds meer riet verdween. In een experiment waarbij een deel van het natte gedeelte mocht droogvallen bleek, dat het droogvallen van het moeras leidt tot de oorspronkelijke situatie waarin pioniersplanten opkomen. Tijdens de droge periode rijpt de klei waardoor het water helderder is nadat het water terugkeert en de omstandigheden geschikt worden voor waterplanten. Bij het droogvallen kwamen veel volwassen schubkarpers om hierdoor kwam er weer ruimte voor jonge vis, wat zeer gunstig bleek voor de visetende vogels.

Waterpeilbeheer[bewerken]

Er zijn tegenstanders van een natuurlijk waterpeilbeheer; tijdens de droge jaren was er in de Oostvaardersplassen minder ruimte voor allerlei vogels zoals de lepelaar. Omdat het hier om beschermde vogels gaat, werd al gauw gesteld dat dit onaanvaardbaar is. Veel van de vogels hebben hun heil elders gezocht en hierdoor zijn op allerlei plaatsen vogels tot broeden gekomen die daar tot dan toe niet voorkwamen. Het gevolg is dat een aantal jaren later geconstateerd kan worden dat de verspreiding van sommige soorten vergroot is waardoor de risico's voor het soort verminderd zijn.

Wanneer het moeras droog valt, zal de grond inklinken. De dijken om het moeras heen zullen echter hun hoogte houden waardoor de waterstand in de Oostvaardersplassen aanzienlijk kan stijgen. Het is daarom belangrijk dat na een droge periode, de hoogte van de uitstroompunten herzien wordt. Veel water van de Oostvaardersplassen stroomt via de ecologische verbindingszone naar het Wilgenbos weg. De capaciteit van de verbindingszone is echter kleiner dan de maximale uitstroomcapaciteit van de Oostvaardersplassen, hierdoor kan er wateroverlast ontstaan in het nabij gelegen industriegebied.

Vogelstand[bewerken]

In de tijd gezien zijn er tot het jaar 2000 drie ingrijpende periodes geweest in het moerasgebied: droogte in 1987 tot en met 1990, het weer met water vollopen in periode van 1991 tot 1994, en een waterpeilverhoging in 1998. Uit waarnemingen gedurende al de jaren blijkt dat elke vogel zijn optimale waterstand kent. Een dodaars wil meer dan veertig centimeter waterdiepte, een baardman tussen tien en veertig centimeter en voor de rietgors is minder dan tien centimeter te prefereren. Wisselingen in de waterstand en periodieke droogval leiden tot een meer dan evenredige toename van vogelsoorten. De verschillende soorten pieken na elkaar. Een ideale situatie voor alle soorten is niet mogelijk, de opeenvolging van af- en toename van soorten is volgens Frans Vera juist kenmerkend voor een gebied als de Oostvaardersplassen.

Visstand[bewerken]

De ecologische verbindingszone is functioneel voor planten en dieren, voor vissen zijn de sluisjes echter onneembaar. Er zijn geen vistrappen waardoor vis de Oostvaardersplassen in en uit kan komen. Een gevolg is dat trekkende vis als de paling in dit gebied uitsterft. Ook het stekelbaarsje kan in het voorjaar niet meer binnen zwemmen. Het grootste probleem is echter de leeftijdsopbouw van de karper. Er is nauwelijks predatie op de volwassen vis mogelijk, en als gevolg hiervan bestaat de visstand vooral uit volwassen vis.

Doordat met name de Europese meerval, aanwezig in de Flevolandse vaarten, in de Oostvaardersplassen ontbreekt, zal de onnatuurlijke visstand zich handhaven. Hierdoor is er minder prooi voor vogels als de kwak, ralreiger en het woudaapje. Het is waarschijnlijk dat met predatie op volwassen karpers, deze vogels in aantal zullen toenemen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Ontwerp Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen (78). Dienst Landelijk Gebied, Ministerie van Economische Zaken, 2014. p. 5-16
  2. a b c Frank Berends. Natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, 2011. p. 196-221
  3. a b c d e f g Vincent Wigbels. De Oostvaardersplassen - toeval of bedacht? in: Nieuwe natuur op oude zeebodem - De Oostvaardersplassen en de bosgebieden van Flevoland. Staatsbosbeheer, Zwolle, 1999. p. 95-153
  4. Koos van Zomeren en William Reppel. Een vogelparadijs op de zeebodem in: De grote droogte in waterland. Een kijk- en leesboek over Nederlandse natuurreservaten. Bruna, Utrecht, 1980. p. 137-145
  5. Henny J. van der Windt. En dan: wat is natuur nog in dit land? Natuurbescherming in Nederland 1880-1990. Boom, Amsterdam, 1995 (proefschrift Groningen). p. 200-212
  6. a b c Bijlagendocument bij Ontwerp Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen. Dienst Landelijk Gebied, Ministerie van Economische Zaken, 2014. p. 8-11
  7. Brief van de staatssecretaris van Economische Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 12 maart 2015, betreft Oostvaardersplassen, kenmerk DGAN-NB/15021059
  8. cijfers Staatsbosbeheer Dossier Oostvaardersplassen mutaties 2011
  9. Lange winter voor grazers in de Oostvaardersplassen, bericht van Staatsbosbeheer, 17 juni 2013
  10. Handelingen Tweede Kamer 28-1-2010
  11. Frankenhuis NRC Handelsblad 21-1-2010
  12. The Merck Veterinary Manual 2008
  13. Interview F. Vera NRC 19-1-2010
  14. Advies Wintersterfte 2004-2005 Raad voor Dierenaangelegenheden 18-8-2005
  15. www.dierenbescherming.nl nieuws 19-1-2010
  16. weblog Frank Dales, directeur dierenbescherming 18-3-2010 (http://weblog.dierenbescherming.nl)/
  17. Reactie NOJG op drama Oostvaardersplassen www.nojg.nl Nieuws en Actualiteiten 17-3-2010
  18. www.KNMvD.nl: Actueel 11-3-2010
Overzicht van de 162 Natura 2000-gebieden in Nederland

Aamsveen (gebiedsnummer 55) · Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop (151) · Abtskolk & De Putten (162) · Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (47) · Alde Feanen (13) · Arkemheen (56) · Bakkeveense Duinen (17) · Bargerveen (33) · Bekendelle (63) · Bemelerberg & Schiepersberg (156) · Bergvennen & Brecklenkampse Veld (46) · Biesbosch (112) · Binnenveld (voorheen Bennekomse Meent) (65) · Boddenbroek (52) · Boetelerveld (41) · Boezems Kinderdijk (106) · Borkeld (44) · Boschhuizerbergen (144) · Botshol (83) · Brabantse Wal (128) · Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (104) · Brunssummerheide (155) · Bunder- en Elsloërbos (153) · Buurserzand & Haaksbergerveen (53) · Canisvlietse Kreek (125) · Coepelduynen (96) · De Bruuk (69) · De Wilck (102) · Deelen (14) · Deurnsche Peel & Mariapeel (139) · Dinkelland (49) · Donkse Laagten (107) · Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27) · Drentsche Aa-gebied (25) · Drouwenerzand (26) · Duinen Ameland (5) · Duinen Den Helder-Callantsoog (84) · Duinen en Lage Land Texel (2) · Duinen Goeree & Kwade Hoek (101) · Duinen Schiermonnikoog (6) · Duinen Terschelling (4) · Duinen Vlieland (3) · Dwingelderveld (30) · Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (77) · Eilandspolder (89) · Elperstroomgebied (28) · Engbertsdijksvenen (40) · Fochteloërveen (23) · Gelderse Poort (67) · Geleenbeekdal (154) · Geuldal (157) · Grensmaas (152) · Grevelingen (115) · Groot Zandbrink (80) · Groote Gat (124) · Groote Peel (140) · Groote Wielen (9) · Haringvliet (109) · Havelte-Oost (29) · Hollands Diep (111) · IJsselmeer (72) · Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (92) · Kampina & Oisterwijkse Vennen (133) · Kempenland-West (135) · Kennemerland-Zuid (88) · Ketelmeer & Vossemeer (75) · Kolland & Overlangbroek (81) · Kop van Schouwen (116) · Korenburgerveen (61) · Krammer-Volkerak (114) · Kunderberg (158) · Landgoederen Brummen (58) · Landgoederen Oldenzaal (50) · Langstraat (130) · Lauwersmeer (8) · Leekstermeergebied (19) · Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136) · Lemselermaten (48) · Lepelaarplassen (79) · Leudal (147) · Liefstinghsbroek (21) · Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem (71) · Lonnekermeer (51) · Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131) · Maasduinen (145) · Manteling van Walcheren (117) · Mantingerbos (31) · Mantingerzand (32) · Markermeer & IJmeer (73) · Markiezaat (127) · Meijendel & Berkheide (97) · Meinweg (149) · Naardermeer (94) · Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103) · Noorbeemden & Hoogbos (161) · Noordhollands Duinreservaat (87) · Noordzeekustzone (7) · Norgerholt (22) · Oeffelter Meent (141) · Olde Maten & Veerslootslanden (37) · Oostelijke Vechtplassen (95) · Oosterschelde (118) · Oostvaardersplassen (78) · Oude Maas (108) · Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (10) · Oudeland van Strijen (110) · Polder Westzaan (91) · Polder Zeevang (93) · Regte Heide & Riels Laag (134) · Roerdal (150) · Rottige Meenthe & Brandemeer (18) · Sallandse Heuvelrug (42) · Sarsven en De Banen (146) · Savelsbos (160) · Schoorlse Duinen (86) · Sint-Jansberg (142) · Sint Pietersberg & Jekerdal (159) · Sneekermeergebied (12) · Solleveld & Kapittelduinen (99) · Springendal & Dal van de Mosbeek (45) · Stelkampsveld (60) · Strabrechtse Heide & Beuven (137) · Swalmdal (148) · Teeselinkven (59) · Uiterwaarden IJssel (38) · Uiterwaarden Lek (82) · Uiterwaarden Neder-Rijn (66) · Uiterwaarden Waal (68) · Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (36) · Ulvenhoutse Bos (129) · Van Oordt's Mersken (15) · Vecht- en Beneden-Reggegebied (39) · Veerse Meer (119) · Veluwe (57) · Veluwerandmeren (76) · Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132) · Vogelkreek (126) · Voordelta (113) · Voornes Duin (100) · Waddenzee (1) · Weerribben (34) · Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) · Westduinpark & Wapendal (98) · Westerschelde & Saeftinghe (122) · Wieden (35) · Wierdense Veld (43) · Wijnjeterper Schar (16) · Willinks Weust (62) · Witte en Zwarte Brekken (11) · Witte Veen (54) · Witterveld (24) · Wooldse Veen (64) · Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (90) · Yerseke en Kapelse Moer (121) · Zeldersche Driessen (143) · Zoommeer (120) · Zouweboezem (105) · Zuider Lingedijk & Diefdijk-Zuid (70) · Zuidlaardermeergebied (20) · Zwanenwater & Pettemerduinen (85) · Zwarte Meer (74) · Zwin & Kievittepolder (123)


Externe link: Gebiedendatabase Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit