Bever (soort)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bever
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Bevers in Dierenrijk (2005)
Bevers in Dierenrijk (2005)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Rodentia (Knaagdieren)
Familie: Castoridae (Beverachtigen)
Geslacht: Castor (Bevers)
Soort
Castor fiber
Linnaeus, 1758
Groen: Natuurlijk leefgebied beversRood: Leefgebied Canadese bever, komt ook in Europa en Azië voor
Groen: Natuurlijk leefgebied bevers
Rood: Leefgebied Canadese bever, komt ook in Europa en Azië voor
Beaver pho34.jpg
Afbeeldingen Bever op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Bever op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren
Boom met knaagsporen van een bever
Door bevers aangevreten stammen
Door bevers gevelde wilg

De bever (Castor fiber) is een aquatisch knaagdier dat voorkomt in Europa en Noord-Azië. Het is het grootste knaagdier van Europa en een van de grootste knaagdieren ter wereld.

Beschrijving[bewerken]

De bever is een groot knaagdier. Hij heeft een brede, geschubde, horizontaal afgeplatte staart. De poten zijn vrij kort. De achterpoten hebben zwemvliezen. De kop is stomp en de oren en ogen zijn klein. De neus en oren kunnen worden afgesloten bij het zwemmen. Ook zit er in de wang een stuk weefsel dat de mond afsluit als het dier onder water knaagt. Hij heeft een paar sterke oranje tanden die altijd doorgroeien. Ze zijn oranje omdat het glazuur op de tanden oranje van kleur is, dat glazuur maakt zijn tanden sterk genoeg om door bomen te knagen. Hij verschilt van de Canadese bever (Castor canadensis) door de lichtere vachtkleur en langere neusbotjes. De vacht is geligbruin tot zwart van kleur. De meest algemene kleur is rossig bruin. Bevers uit noordelijke streken hebben een donkerder vacht dan zuidelijke dieren.

De bever heeft een kop-romplengte van ongeveer 75 tot 90 centimeter en een lichaamsgewicht van 12 tot 38 kilogram. De staart is 28 tot 38 centimeter lang. De grootte verschilt per regio. Er zijn geen grootteverschillen tussen mannetjes en vrouwtjes.

Sociaal gedrag en woongebied[bewerken]

Bevers leven in kleine familiegroepen in de buurt van water. Meestal leven er zo'n vijf of zes bevers in een groep, bestaande uit een volwassen paartje en hun jongen van de twee laatste worpen. Jongen blijven zo'n twee jaar in een familiegroep, waarna ze hun eigen territorium gaan zoeken. Territoria worden afgebakend met anale geursporen, castoreum of bevergeil genoemd, die informatie bevatten zoals geslacht, verwantschap en mogelijk ook sociale status, leeftijd en grootte.[2]

Bij gevaar slaat een bever met zijn staart op het wateroppervlak.

De aanwezigheid van bevers wordt verraden door de aanwezigheid van omgevallen bomen, bomen waarvan de schors is afgeschild, ondiepe kanalen en een burcht in het water. Als het mogelijk is, bouwen ze een nest in een ondergronds hol. Anders bouwen de bevers een burcht. Bevers bouwen minder snel een burcht dan hun Canadese verwant, en de burchten van bevers zijn ook minder groot.

Bevers bouwen een burcht die tot 2 meter hoog is terwijl de doorsnede wel 10 meter kan bedragen. De ingang hiervan bevindt zich onder water, waardoor ze onbereikbaar zijn voor roofdieren. De burcht, bestaande uit een holle berg takken bevindt zich verder boven water. Hij heeft een 'natte kamer', waar de bever het water uit zijn vacht schudt, en een droge, met houtsnippers gestoffeerde nestkamer. De nestkamer ligt circa 20 cm boven het waterniveau en heeft een luchtgat. 's Zomers wordt om te rusten daarnaast vaak gebruikgemaakt van een leger, een ondiep kuiltje aan de oever onder struiken of andere dichte begroeiing met platgelegde vegetatie of houtsnippers.

Ook leggen bevers soms dammen en kanaaltjes tot zo'n 150 meter lang aan. Daarmee kan de waterhoogte in de omgeving van de burcht worden gereguleerd, zodat deze constant op dezelfde hoogte blijft en de burcht niet onder water loopt ook wordt hierdoor het foerageergebied vergroot. Hierdoor ontstaan kunstmatige meertjes. Bij hoge uitzondering worden dammen van 800 meter gebouwd, maar dammen van meer dan 150 meter zijn geen uitzondering. Als bouwmateriaal gebruiken ze stammen, takken, modder en stenen. Hiervoor kunnen 100 cm dikke bomen worden geveld. Een bever kan een 25 centimeter dikke boom omknagen in minder dan vier uur.

's Winters bevriest het water, waardoor ze niet naar boven kunnen om te ademen. Om dat toch te kunnen doen, maken ze een gat in de dam, zodat het water wegstroomt. Het water heeft zo plaatsgemaakt voor lucht.

Leefwijze[bewerken]

De bever is een dagdier, maar in gebieden waarin hij regelmatig verstoord wordt is hij hoofdzakelijk 's nachts actief. In onverstoorde gebieden laat hij zich voornamelijk 's ochtends zien. Bevers zijn goede zwemmers. Ze kunnen tot vijftien minuten onder water blijven, maar een duik duurt meestal vijf à zes minuten.

De bever heeft een zeer uitgebreid menu. 's Zomers eet hij kruiden, bloemen, jonge scheuten van waterplanten, grassen en wortels. Daarnaast eet hij ook alle delen van bomen en struiken (stam, takken, bladeren en wortels). Hij heeft een voorkeur voor wilg, populier en ratelpopulier. De schors van de stam knaagt hij af met zijn vlijmscherpe tanden. Zijn tanden groeien almaar door, omdat ze slijten door de tanden te gebruiken als gereedschap voor de bouw van hun burcht en een dam. 's Winters eet hij meer twijgen en schors, 's zomers meer groene plantendelen.

In tegenstelling tot de meeste andere knaagdieren houdt de bever 's winters geen winterslaap. In de herfst legt hij daarom een voedselvoorraad aan, bestaande uit takken en stammen van kleine bomen. Deze verankert hij onder water, in de buurt van de ingang. Het koude water houdt de voedingswaarde van de schors langer goed.

Voortplanting[bewerken]

Het volwassen paartje paart in februari. Na een draagtijd van 103 tot 108 dagen worden één tot zes jongen (gemiddeld 2,7) geboren in juni. De jongen hebben een vacht bij de geboorte, en de ogen zijn open. Enkele dagen na hun geboorte leren ze zwemmen, in de ingangen van de burcht. De jongen verlaten de geboorteburcht na twee tot drie jaar. Ze zijn na twee tot drie jaar geslachtsrijp. Jongvolwassen bevers verlaten meestal in het voorjaar het ouderlijk territorium om op zoek te gaan naar een eigen leefgebied.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

Bevers zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zachthout, en houden zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Ook zijn ze te vinden langs meren, beken, poelen en moerassen.

De bever leefde vroeger in een groot deel van Europa, van Frankrijk, de Benelux en Scandinavië via Polen, de Baltische staten, Kroatië, Hongarije en de Oekraïne tot Rusland, Mongolië en China. Door de jacht was hij op enkele plaatsen uitgestorven, waaronder in de Benelux, Oostenrijk, Zwitserland, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk en een deel van Frankrijk en Duitsland. In de meeste landen waar hij was uitgestorven is hij nu geherintroduceerd.

Bedreiging[bewerken]

Bevers worden meestal zeven of acht jaar oud, maar ze kunnen vijfentwintig jaar oud worden. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn grote roofdieren, voornamelijk de wolf. Andere belangrijke doodsoorzaken zijn verhongering, verdrinking (in de winter, als het water plotseling stijgt en de dieren niet kunnen ontsnappen door het ijs) en auto-ongelukken. Ook sterven veel bevers plaatselijk aan tularemie, een ziekte die de lever, longen, milt en lymfeklieren aantast.

Het plaatselijk uitsterven van de bever is vooral veroorzaakt door de jacht. Hij werd bejaagd voor de vacht (beverbont) en het castoreum of bevergeil. Dat is een via de anaalklieren afgescheiden substantie die men al in de 17e eeuw aanprees als geneesmiddel en verwerkt werd in parfums. Deze naar muskus ruikende stof gebruikt de bever voor het afbakenen van zijn territorium. In Nederland was de soort al sinds 1826 niet meer gezien.

De bever in Nederland en België[bewerken]

Herintroducties[bewerken]

In Nederland leeft een aantal gescheiden, groeiende populaties die qua leefgebied naar elkaar toegroeien. Na een herintroductie in Nederland in 1988 komt de bever voor in de Biesbosch en de Gelderse Poort. Ook leven er dieren langs de Maas, mogelijk afkomstig vanuit de Biesbosch en de Gelderse Poort, of vanuit België, waar eveneens een herintroductie heeft plaatsgevonden. Ook langs de IJssel hebben zich bevers gevestigd.

In België is een eerste succesvolle herintroductie geweest in de jaren 90. Er zijn toen 100 bevers uitgezet in de omgeving van Wibrin, een deelgemeente van Houffalize in de Belgische Ardennen.

Flevoland[bewerken]

In Flevoland is een aantal bevers ontsnapt uit Natuurpark Lelystad. Ook deze dieren doen het goed. In 2005 werd door Staatsbosbeheer gemeld dat er 14 burchten zijn in Flevoland. Tijdens een telling in 2011 zijn er 74 bevers geteld, maar volgens de deskundigen zouden het er ook meer dan 100 kunnen zijn omdat tijdens zo'n telling nooit alle bevers geteld kunnen worden.

Biesbosch[bewerken]

In de Biesbosch zijn tussen 1988 en 1992 42 bevers uitgezet. De eerste exemplaren waren afkomstig uit het Elbegebied in de voormalige DDR. Er leefden na een aanvankelijk moeizame start vanaf 1988, met veel sterfte, in het jaar 2000 circa 100 exemplaren. De Biesbosch blijkt geen ideale biotoop: de beverterritoria zijn er groot (een teken dat er per oppervlakte-eenheid niet zoveel te eten te vinden is) en in dode bevers wordt erg veel cadmium in de lever en de nieren aangetroffen, afkomstig uit de wilgenbast die het hoofdbestanddeel van hun dieet in de Biesbosch uitmaakt. Wilgen concentreren dit zware metaal uit de bodem. Ook worden er in de Biesbosch belangrijk minder jongen geboren dan op andere locaties, zodat de populatie maar langzaam groeit. De maximaal te handhaven beverpopulatie voor de Biesbosch wordt geschat op circa 190 exemplaren. In februari 2005 is er uitbreiding in De Avelingen richting Gorinchem geconstateerd.

Gelderse Poort[bewerken]

In de Gelderse Poort leefden in 2000 circa 80 exemplaren.

Maas[bewerken]

Sinds 2002 zijn er ook op verschillende plekken in het Nederlands Limburgse Maasdal en belendende beekdalen bevers uitgezet. Deze breiden zich zowel in noordelijke als zuidelijke richting uit en kunnen in de nabije toekomst contact maken met bevers vanuit België die vanuit het zuiden oprukken. De populatie langs de Maas begint tien jaar na de herintroductie hier en daar voor overlast te zorgen.[3]

Hunzevallei[bewerken]

Eind 2008 is begonnen met de introductie van de bever in de Hunzevallei en het Zuidlaardermeergebied op de grens van de provincies Drenthe en Groningen. Het doel is dat de bever na de Hunzevallei ook de Noord-Drentse en Groninger beekdalen zal koloniseren.[4]

Dijlevallei[bewerken]

In de Dijlevallei onder Leuven in Vlaanderen en Wallonië komen ook bevers voor, deze zijn afkomstig van een uitzetproject in Wallonië in 2000 en een in Vlaanderen in 2003.

Liennevallei[bewerken]

In 1998 werden in de vallei van de Lienne, een zijrivier van de Amblève in de buurt van Lierneux, 101 Beierse bevers uitgezet door particulier Olivier Rubbers. Omdat hij dat op eigen houtje deed, zonder vergunning om deze beschermde diersoort te vervoeren, werd hij voor de rechter gedaagd. Deze procedureslag bij het Hof van Cassatie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt tot vandaag (anno 2011) aan. De beverpopulatie groeide ondertussen fors en de inmiddels 250 beverburchten zorgden voor overlast, waardoor vergunningen werden afgeleverd om beverburchten af te breken en bevers af te schieten. La Coalition Nature, vertegenwoordigd door advocaat Alain Lebrun, daagt daarom nu Philippe Blérot voor de rechter, algemeen inspecteur bij het Waalse Département de la nature et des forêts, die tegen het advies van de Conseil supérieur wallon de la conservation de la nature in deze vergunningen afleverde.[5]

Toekomst[bewerken]

In 2009 leefden er alweer ongeveer 900 bevers in de Ardennen, en er wordt daar in toenemende mate geklaagd over overlast. Vlaanderen telt anno 2012 circa 100 bevers.[6] In 2005 werd de beverpopulatie in Nederland door Staatsbosbeheer geschat op 200 exemplaren, in 2012 is dat aantal verdrievoudigd tot 600. De Zoogdiervereniging heeft in dat jaar becijferd dat bij ongewijzigd beleid in 2035 de populatie uit 7.000 exemplaren zou kunnen bestaan. De verschillende deelpopulaties zullen waarschijnlijk binnen afzienbare tijd op elkaar gaan aansluiten. Er wordt gewerkt aan het voorkomen van schade aan landbouwgewassen en boomteelt. Ook wateroverlast en graafschade aan wegen en dijken vormt een potentieel probleem.[7] De bever staat in 2012 (nog) op de rode lijst met de status 'gevoelig'.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties