Nationaal Park De Biesbosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nationaal Park De Biesbosch
Nationaal park
Nationaal Park De Biesbosch
Nationaal Park De Biesbosch
Situering
Land Nederland
Locatie Zuid-Holland, Noord-Brabant
Coördinaten 51° 45′ NB, 4° 47′ OL
Informatie
IUCN-categorie II (Nationaal park)
Oppervlakte 90 km²
Opgericht 1994
Foto's
Kaart van De Biesbosch
Kaart van De Biesbosch
Nationaal Park De Biesbosch
Nationaal Park De Biesbosch
Topografische kaart van de Brabantse Biesbosch, de Hollandsche Biesbosch en de Sliedrechtse Biesbosch, per sept. 2014

De Biesbosch of Biesbos is de benaming voor een zeer waterrijke streek in Nederland. Ze bestaat uit een aantal riviereilanden en zand- en slikplaten in de Nederlandse provincies Noord-Brabant en Zuid-Holland, gelegen tussen de rivieren Boven-Merwede en Amer en doorsneden door de kunstmatige rivier de Nieuwe Merwede. Het is een zoetwatergetijdengebied met kreken en wilgenvloedbossen. Aan oostzijde wordt het begrensd door het Land van Heusden en Altena. Het kan worden onderverdeeld in de Brabantse Biesbosch en de Hollandse Biesbosch, waarbij de laatste weer bestaat uit de Sliedrechtse Biesbosch en de Dordtse Biesbosch.

In 1994 kreeg de streek de status van nationaal park. Het heet sindsdien officieel Nationaal Park De Biesbosch en staat op de lijst van beschermde natuurgebieden. De Biesbosch wordt deels agrarisch gebruikt, is ingericht voor verschillende vormen van recreatie en biedt ook ruimte aan opslag van schoon oppervlaktewater in speciaal aangelegde spaarbekkens ten behoeve van de continuïteit van de drinkwatervoorziening.

Gebiedsdelen[bewerken]

Het Nationaal Park de Biesbosch bestaat uit de volgende gebiedsdelen:

Sliedrechtse Biesbosch[bewerken]

De Sliedrechtse Biesbosch is het meest noordelijk gelegen deel van de Biesbosch en wordt begrensd door de Beneden Merwede in het noorden, de Nieuwe Merwede in het zuiden, het Wantij in het westen en de Boven Merwede in het oosten.

Sinds de afsluiting van het Haringvliet (waardoor er een einde kwam aan de voorheen significante getijdenverschillen in de Biesbosch) is de Sliedrechtse Biesbosch het enige deel van de Biesbosch dat nog steeds een relatief groot getijdenverschil kent. Aan de oostkant van dit gebiedsdeel bevindt zich één van de laatste intacte systemen van rivierduinen in Nederland. Dit alles maakt de Sliedrechtse Biesbosch een uniek en belangrijk onderdeel van het Nationaal Park.

De Sliedrechtse Biesbosch is vernoemd naar het dorp Sliedrecht dat vroeger (voor de Sint-Elisabethsvloed) gelegen was binnen de latere Sliedrechtse Biesbosch. Bij dezelfde vloed die het ontstaan van de Biesbosch tot gevolg had, is het dorp Sliedrecht verdronken en van de landkaart verdwenen. Overigens hebben de overlevenden van deze ramp het dorp weer herbouwd aan de overkant van de Beneden Merwede: het huidige dorp Sliedrecht.

Hollandse Biesbosch[bewerken]

De Hollandse Biesbosch is het meest westelijk gelegen deel van de Biesbosch en wordt gescheiden van de rest van het Nationaal Park door de Nieuwe Merwede in het oosten en de ingepolderde Dordtse Biesbosch in het noorden. De overige grenzen worden gevormd door de Dordtse Kil in het westen en het Hollands Diep in het zuiden. De Hollandse Biesbosch vormt het grootste restant van de (ooit veel grotere) Zuid-Hollandse Biesbosch. De huidige Hollandse Biesbosch kent de grootste rijkdom aan vogels van alle delen van het Nationaal Park.

Soms wordt de term Hollandse Biesbosch ook wel gebruikt om het gehele Zuid-Hollandse deel van de Biesbosch te omschrijven, dus inclusief de Dordtse Biesbosch en Sliedrechtse Biesbosch. Meestal wordt echter slechts het zuidwestelijke deel van de Zuid-Hollandse Biesbosch aangeduid als de Hollandse Biesbosch, en dan met name het deel tussen de Dordtse Kil en de polders van de Dordtse Biesbosch.

Brabantse Biesbosch (Zuidwaard)[bewerken]

De Brabantse Biesbosch is de naam voor het deel van de Biesbosch ten oosten van de Nieuwe Merwede. Net als bij de Zuid-Hollandse Biesbosch zijn ook grote delen van de Brabantse Biesbosch ingepolderd en in agrarisch gebruik. Slechts het zuidelijke deel, de zogenaamde Zuidwaard, is als waardevol wetland behouden gebleven.

De Zuidwaard van de Brabantse Biesbosch vormt vandaag de dag het grootste gebiedsdeel binnen het Nationaal Park en wordt gekenmerkt door uitgestrekte wilgenbossen, door brede kreken omgeven. Een behoorlijk deel van deze wilgenbossen zijn oorspronkelijk verwilderde grienden (wilgenakkers) die vooral sinds het verdwijnen van het getij de Zuidwaard veroverd hebben.

Geschiedenis[bewerken]

De Biesbosch vanuit de lucht

Oorsprong[bewerken]

In het oorspronkelijke zoetwatergetijdengebied ontstonden rond het jaar 1000 al kleine woongemeenschappen op de hoge ruggen. In het begin van de dertiende eeuw werden al delen van het gebied ontgonnen door bedijking, onder leiding van de toenmalige graaf van Holland. Hierdoor ontstond de Groote of Hollandsche Waard, een gebied van 30.000 ha bouw- en weiland. Hoe het landschap er destijds uitzag is niet precies bekend. Elzenbroekbossen, blauwgraslanden en grienden zullen hierin een belangrijk aandeel gehad hebben.[1]

Door aanleg van de ringdijk waren allerlei geulen en kreken afgesloten. Ook bestaande riviertjes als de Dubbel (Dubbeldam), de Werken (Werkendam) en de toenmalige Maas werden afgedamd. Aan het eind van de veertiende eeuw waren er al regelmatig dijkdoorbraken waardoor delen van het gebied onderliepen. Dit werd veroorzaakt door slecht dijkonderhoud in tijden van politieke onrust (Hoekse en Kabeljauwse twisten), maar ook door onoordeelkundig graafwerk, turfsteken en moernering (zoutwinning uit turf).[2][3] Naast menselijke activiteiten was ook de voortgaande zeespiegelstijging een oorzaak van dergelijke calamiteiten.[1]

Sint-Elisabethsvloed[bewerken]

In de nacht van 18 op 19 november 1421 bij een noordwester storm braken op verschillende plaatsen aan de zeezijde de dijken en overstroomde de Groote Waard met zout water. Een jaar later brak de dijk bij Sleeuwijk onder druk van de hoge rivierstanden en stroomde veel rivierwater het gebied in. In de loop der jaren ontstond een ondiepe binnenzee met open water dat in stromen en geulen heen en weer trok met het getij. Zo ontstond het zoete en zilte getijdengebied van de Biesbosch. Volgens overlevering overstroomden bij de Sint-Elisabethsvloed 72 parochies en verdronken tienduizenden inwoners, maar in werkelijkheid zal dat minder zijn geweest.[2][3]

Het landschap van de Biesbosch werd in de eeuwen daarna sterk bepaald door de dagelijkse dynamiek van het water. Daarnaast zorgden de processen van landvorming en vegetatieopbouw voor verandering op langere termijn. Ook de menselijke ingrepen zoals rietoogst, biezensnijden en griendkap vormden het landschap. Hierdoor ontstond een ruimtelijk patroon waarin zes hoofdtypen onderscheiden worden: open water - zand- en slikplaten - biezenvelden en ruigten - rietgorzen - grienden - polders.[1]

Ontwikkeling en gebruik[bewerken]

Door opslibbing, plantengroei en gebruik door de mens was het getijdengebied constant in ontwikkeling. Het open water en de zandplaten waren een zeer dynamisch milieu door het grote getijdeverschil van 2 meter. Hierdoor kon snelle aanzanding optreden met hoge ruggen. In de rustiger gedeelten ontstonden ook slikkige opwassen die meer kans boden voor plantengroei. De eerste hogere planten waren de biezen, die zich in de loop der jaren tot flinke oppervlakken konden uitbreiden. De biezengorzen met ruwe bies en vooral de manshoge mattenbies werden in de zomer door biezensnijders geëxploiteerd.

Door verdere opslibbing van de biezengorzen werd het land meer geschikt voor de vestiging van riet. Bij gunstige omstandigheden kon het in korte tijd door uitstoeling grote arealen bedekken. Riet werd ook door de mens aangeplant, begreppeld en commercieel benut, onder andere voor rietmatten voor de bollenteelt. Het riet in de Biesbosch was van goede kwaliteit (sterk en lang) en de rietcultuur werd een belangrijke bedrijfstak.

Wanneer de rietgorzen te hoog opgeslibd raakten nam de productiviteit af en werden ze meer geschikt voor wilgenbos. Door aanleg van een omkading en het aanplanten van wilgenstekken ontstonden de grienden, die in een hakcyclus van drie jaar werden onderhouden. De griendcultuur leverde producten als hoephout, bonenstaken, schopstelen en rijshout voor de waterwerken.

De laatste fase van ontwikkeling bestond uit het rooien van de grienden als ze minder productief werden en het verhogen van de kaden, waardoor hooi- en weidepolders ontstonden. Dit proces begon ruim een eeuw na de Sint-Elisabethsvloed. Rond 1850 was twee derde van de voormalige binnenzee weer ontgonnen.[4] Daarnaast waren in het gebied eeuwenlang ook vissers, jagers en kooikers actief. De ontwikkeling van de Biesbosch als cultuurgebied verliep ruim vier eeuwen lang parallel met de opslibbing en in constante wisselwerking met het water.[1][2][3]

Grote veranderingen[bewerken]

De eerste periode van grote verandering was in de tweede helft van de achttiende eeuw. Tussen 1850 en 1880 werd na jaren voorbereiding de Nieuwe Merwede aangelegd door grote stroomgeulen uit te graven, met elkaar te verbinden en alle zijgeulen af te dammen. Via deze 21 km lange kunstmatige riviertak stroomde het water van Rijn en Waal nu rechtstreeks naar het Hollands Diep. Het Maaswater werd vanaf 1904 via de nieuw gegraven Bergsche Maas en de bestaande Amer via het zuiden aangevoerd. Hierdoor werd het erosie- en sedimentatiepatroon van de Biesbosch ingrijpend veranderd.

In de twintigste eeuw werd de akkerbouw belangrijker en gingen de boeren meer graan verbouwen. Hiertoe werd veel land hoger bedijkt, waardoor de Biesbosch minder als waterbuffer kon dienen bij stormvloeden. Dit bleek ook bij de watersnoodramp in 1953, toen grote delen van Zeeland en Noord-Brabant inclusief de Biesbosch onder water gingen. Dit was de aanleiding voor uitvoering van de Deltawerken, waardoor onder andere de grote zeegaten met dammen werden afgesloten om de veiligheid van Zuidwest-Nederland te vergroten. Ook dit had grote gevolgen voor de Biesbosch. In 1970 werd de Haringvlietdam met sluizencomplex in gebruik genomen en in de jaren 1967-1977 werden de Volkeraksluizen gebouwd. Door de afsluiting van het Haringvliet verdween de grote dynamiek van het getij (tot 2 m) bijna helemaal. In de Sliedrechtse Biesbosch bleef via de verbinding met de Nieuwe Waterweg plaatselijk nog een getijverschil van 60-70 cm. In de Brabantse en Dordtse Biesbosch is dit nog maar 20-30 cm. Door verminderde erosie en sedimentatie verandert de Biesbosch sindsdien geleidelijk in een ondiep, laguneachtig zoetwatermoeras. Het hoogteverschil tussen platen en geulen wordt minder en de biezenvelden, rietgorzen en wilgengrienden verruigen en ontwikkelen zich tot wilgenbossen. Mogelijk kunnen de plannen om de Haringvlietsluizen gedeeltelijk weer te openen (het zogenoemde Kierbesluit) de dynamiek in dit gebied deels herstellen.[2][3][4]

Naast het grotendeels wegvallen van eb en vloed door afsluiting van de zeegaten, waren de volgende veranderingen van groot belang voor de ontwikkeling van de Biesbosch na 1970:

  • de achteruitgang van de griendcultuur leidde tot verwaarlozing van grote griendcomplexen;
  • de erkenning van de natuurwaarde van het gebied leidde tot inrichting van meer natuurreservaten;
  • inpoldering en ruilverkaveling leidden tot nivellering van het landschap in de Noordwaard en Oostwaard;
  • aanleg van spaarbekkens voor de drinkwatervoorziening ging ten koste van de polders in het zuidwestelijk gebied;
  • de recreatie, met name de watersport in het gebied ontwikkelde zich onstuimig.[3]

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Het Brugje van St Jan

De Biesbosch was een geschikte plek om personen en goederen te verbergen. Het verschil tussen eb en vloed was bijna twee meter, dus men moest goed de weg kennen. Het waren dan ook alleen lokale verzetsmensen die zich daarheen begaven.

In 1900 werd door de Biesbosch een dijk aangelegd. Om de drukste vaarroute niet te blokkeren werd een doorgang bij het Brugje van St Jan opengelaten. Er kwamen keerdeuren die in geval van nood gesloten konden worden. Vanaf het Brugje kon je over die dijk naar de noordkant van de Biesbosch lopen (ruim 8 km) of naar de zuidkant, waar je met een veerboot de Amer kon oversteken. Het Brugje was de enige plek waar voetgangers konden oversteken.

Eind 1944 werd Nederland ten zuiden van de Amer bevrijd. Veel deserterende Duitsers probeerden de Biesbosch over te steken naar bevrijd Nederland. In 1944 werden 75 Duitse militairen en een vrouw door het verzet opgepakt, meestal bij het Brugje van St Jan, en in twee rietaken gevangen gehouden. Eén van de problemen was om aan voldoende voedsel te komen. Na enkele weken werden de gevangenen overgedragen aan het Poolse leger in Noord-Brabant.

Het verzet maakte ook geregeld nachtelijke oversteken, het zogenoemde crossen, om mensen en berichten vanuit bezet gebied over te brengen en voedsel en medicijnen mee terug te nemen.
Tijdens de oorlog zijn 16 neergeschoten vliegtuigen in de Biesbosch terechtgekomen. In Werkendam zijn 30 oorlogsgraven.

Spaarbekkens[bewerken]

Vierde spaarbekken

Voor de bereiding van drinkwater zijn er drie spaarbekkens: De Gijster (312 hectare), Honderd en Dertig (213 hectare) en Petrusplaat (106 hectare). Door een buis met een diameter van twee meter wordt water aangevoerd naar De Gijster, waar het bezinkt. Daarna gaat het water naar de Honderd en Dertig, waar zuurstof wordt toegevoegd, en tenslotte gaat het water naar de Petrusplaat.

Om te controleren of het aangevoerde water van goede kwaliteit is worden vissen gebruikt. Als die gezond zijn zwemmen ze tegen de waterstroom in. Als ze minder gezond zijn, doen zij dat niet en komen zij tegen een rooster aan, waarin sensoren zijn die alarm slaan. Voordat men het water in Rotterdam gebruikt, wordt het experiment herhaald met forellen die nog gevoeliger zijn.
Drinkwater wordt vanuit de Biesbosch geleverd aan Rotterdam, delen van Noord-Brabant en delen van Zeeland.
In het verleden had Rijkswaterstaat plannen nog een vierde spaarbekken in gebruik te nemen, maar dit is doorverkocht aan Staatbosbeheer. Het gebied wordt aan de natuur teruggegeven. Aan deze plas ligt boerderij De Lepelaar, waar de film Zwartboek gedeeltelijk werd opgenomen.

Natuur[bewerken]

Vogels[bewerken]

De Biesbosch is een prima plek voor veel vogels. Er zijn vogelkijkhutten in de polder Maltha, de Beneden Spieringpolder, in de Sliedrechtse Biesbosch aan de rand van de Mariapolder en op de Tongplaat in de Dordtse Biesbosch.

Zeearend

In de Biesbosch woont sinds enkele jaren een koppel zeearenden. In 2011 werd voor het eerst een jonge zeearend gesignaleerd. In tegenstelling tot de visarend, die alleen vis eet, is de zeearend een alleseter. Als de zeearend ergens in de lucht 'hangt' en op zoek is naar een prooi, ontstaat er grote onrust bij de vogels op het land of op het water.

Bevers en otters[bewerken]

In totaal werden er 42 bevers in de Biesbosch uitgezet, in 1988 door Ir G Braks (Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), in 1989 door prins Bernhard en in 1999 door Drs J. Borgman (voorzitter van het Overlegorgaan Nationaal Park De Biesbosch).
De dieren kwamen uit de voormalige DDR en werden voorzien van een zendertje. Zij werden vijf jaar lang gevolgd. Hun aantal neemt toe. 's Zomers worden beverzwerftochten georganiseerd, waarbij rond het invallen van de schemer in rietaken wordt rondgevaren. Opvallend was dat zij per nacht zich soms wel twintig kilometer verplaatsen.
Men verwacht dat er binnenkort weer otters komen.

Schotse Hooglanders in De Biesbosch

Schotse Hooglanders[bewerken]

Aan de zuidkant van de Biesbosch woont Jan Saarloos op De Biesboschhoeve op eiland de Vischplaat. Jan Saarloos werd hier in 1961 geboren en nam de boerderij van zijn vader over. Hij trouwde met Ellie, het meisje van de overkant.
Jan en Ellie Saarloos zijn melkveehouders en eigenaars van ongeveer 160 Schotse Hooglanders. De kudde begraast de polders Lange Plaat, Turfzakken, Lepelaar, Plomp, de Allards-polder en de Kwestieus-polder, de laatste polder in de Biesbosch die met de hand werd drooggelegd. Als de ossen drie jaar zijn worden ze geslacht.

Bezoekerscentra[bewerken]

Er zijn drie bezoekerscentra in de Biesbosch; in Dordrecht, in Drimmelen en in Werkendam; twee in de Brabantse en één in de Hollandse Biesbosch.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d T. Lebret: Biesbosch-vogels. Kosmos, Amsterdam, 1979. p. 13-36
  2. a b c d Jacques van der Neut: De Biesbosch in: Aan de monding van Maas en Schelde - Natuurgebieden in Zuidwest-Nederland. Staatsbosbeheer, Middelburg, 1999. p. 144-165
  3. a b c d e IeS Zonneveld: Hoe het allemaal zo gekomen is in: De Biesbosch - Het karakter na de 'grote verandering'. Kosmos, Amsterdam, 1980. p. 6-15
  4. a b Harry Bunk en Laurens Keff: Parels van Staatsbosbehee. Van Reemst Uitgeverij, Houten, 2008. Capitool Natuurgidsen p. 238-241
  • Willem van der Ham. De Grote Waard, geschiedenis van een Hollands landschap. Uitgeverij 010, Rotterdam, 2003. ISBN 90 6450 506 3.