Oliebol

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oliebollen met krenten

Oliebollen zijn een traditioneel gefrituurd gistdeeggerecht uit de lage landen. Ze worden traditioneel gegeten op oudejaarsavond in Nederland. Ook worden ze het hele jaar door op kermissen in Nederland en België in een oliebollenkraam verkocht.

Oliebollen worden vervaardigd door met twee lepels een hoeveelheid beslag in een pan met hete olie te laten vallen en de zo ontstane, min of meer bolvormige oliebol bruin te laten bakken. Met behulp van een ijsboltang is het ook goed mogelijk een mooi ronde oliebol te vormen.

Het beslag wordt doorgaans gemaakt van bloem, eieren, gist, wat zout en lauwe melk of karnemelk. In plaats van gist wordt soms ook bier gebruikt, omdat hierin gist voorkomt. Het beslag dient een uur te rijzen, zodat de oliebol voldoende luchtig wordt. Oliebollen worden meestal met poedersuiker bestrooid.

In enkele streken in België wordt het gerecht "smoutebol" genoemd. Dit omdat ze vroeger in smout werden gebakken. Een oliebol in België is doorgaans niet gevuld, in tegenstelling tot de Hollandse oliebol. Zo'n eventuele vulling bestaat uit rozijnen, krenten en appel (in België worden bij de oliebollen vaak ook nog appelbeignets als alternatief verkocht). Verder kunnen ook andere zaken worden toegevoegd, zoals sukade, sinaasappelsnippers of room.

Oorsprong[bewerken]

Er doen diverse theorieën de ronde over de oorsprong. De aardigste is de verwijzing naar Germaanse stammen in het gebied dat later Nederland zou gaan heten. Zij zouden ten tijde van het Joelfeest, de periode tussen 26 december en 6 januari dergelijke gebakken waren genuttigd hebben. Volgens de Germanen zouden de godin Perchta en andere slechte geesten 's avonds ronddwalen. Om deze geesten tevreden te stellen werd voedsel geofferd, waarvan het meeste in gefrituurd deeg zat. Door het vet in de oliebollen zou het zwaard van Perchta van het lichaam glijden, waardoor diegenen die oliebollen gegeten hadden niet opengereten zouden worden. Waarschijnlijker is dat de oorsprong aan het einde van de Middeleeuwen ligt. Kerstmis was destijds het einde van de vastenperiode die op 11 november begonnen was: reden om te vieren dus. Oliekoeken, gemaakt van houdbare grondstoffen (al het verse voedsel was immers al op) waren een voedzame traktatie. De derde optie - waarschijnlijk in combinatie met de tweede, is dat de oliebol uit Portugal komt. Het vermoeden bestaat dat de Portugese Joden die tijdens de Spaanse Inquisitie naar Nederland vluchtten hun recepten meenamen. In Portugal at men destijds al iets wat op oliebollen lijkt: oliekoeken met (gedroogde) zuidvruchten. De olie zou verwijzen naar de olie uit de eeuwig brandende lamp in de tempel van Jeruzalem. Veel Joodse gerechten hebben een verwijzing naar het geloof.

Van oliekoek naar oliebol[bewerken]

Om Olie-koecken te backen (1668)
Neemt tot 2 pont Tarwe-meel / 2 pondt lange Rosijnen / als die schoon gewassen zijn / laetse in lauw water wat staen zwellen : een kop van de beste Appelen / schilt die en snijtse in heel kleyne stucken / de klockhuysen wel uyt gedaen / een vierendeel of anderhalf gepelde Amandelen / een loodt Caneel / een vierendeel loots witte Gember / een weynigh Nagelen dit wel onder een gestoten : een half kommeken gesmolten Boter / een groote lepel gist / en niet wel een pintjen lauwe Soetemelck / want het moet heel dick beslagen zijn dat het beslagh noch tay om de Lepel blijft / en dan alle het andere daer in geroert en soo laten opgaen / neemt daer toe een mengelen van de beste Raep-olie / doet daer in een korst broot een halve Appel / setter op het vier en laet het uyt branden / keert het broot en Appel altemet om / tot het zwart en hart wort / gieter dan een schootien schoon water in / en laet het dan in de lucht kout worden / en daer naer weder op 't vier geset / als ghij die wilt gebruycken.[1]

Jonge vrouw met een kookpot vol oliebollen (Aelbert Cuyp, ca. 1652)

Eeuwenlang aten de Nederlanders oliekoeken, een oude naam voor oliebollen. De oliebollen op het schilderij uit ca. 1652 lijken veel op de hedendaagse oliebol. In die tijd werden ze in raapolie gebakken. In de loop van negentiende eeuw kreeg het woord oliebol steeds meer aanhang. In 1868 nam de Van Dale 'oliebol' op. Maar dat het toen nog geen algemeen gebruikte term was, blijkt uit het Woordenboek der Nederlandsche taal (1896). Daarin wordt 'oliekoek' nog als meer gebruikelijke benaming genoemd. Maar daarna ging het snel; vanaf begin twintigste eeuw wordt alleen nog over oliebollen gesproken.[2]

Oliebollentest[bewerken]

Oliebollen van Richard Visser

Sinds 1993 organiseert het Algemeen Dagblad de AD-Oliebollentest. Elk jaar beslist een panel aan de hand van steek- en smaakproeven welke oliebollenbakker zich dat jaar de beste mag noemen. Richard Vissers Gebakkraam uit Rotterdam heeft de test negen keer gewonnen (ėėn keer gedeeld), meer dan welke andere deelnemer.[3]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Wikibooks Wikibooks Kookboek bevat een recept voor Oliebollen.

Beluister

(info)