Fiets

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fiets
Aandrijving spierkracht
Periode vanaf 1816
Snelheid 10-25 km/u (sportieve mensen meer (25-60 km/u))
Beschikbaarheid particulier bezit
Infrastructuur weg
Doelgroep particulier vervoer tot ca. 25 km
Portaal  Portaalicoon   Verkeer & Vervoer
Bioscoopjournaal uit 1967 over de tentoonstelling Fiets en Mode in het Nederlands Textielmuseum te Tilburg, over de ontwikkeling van de fiets en de bijpassende kleding.
Ontwikkeling van de fiets. 1: Karl von Drais (Duitsland), 2: Thomas McCall (Schotland), 3: Piere Llallement (Frankrijk), 4: James Starley (Frankrijk), 5: John Kemp Starley (Engeland), 6: Racefiets (USA), 7: Mountain Bike (USA)
Michaux "boneshaker" van ca. 1870
Fietsen, ca. 1887
Voormalige Zwitserse legerfiets
Mountainbike

Een fiets is een voertuig dat door spierkracht wordt aangedreven. De hedendaagse fiets bestaat uit ten minste twee wielen, een frame, een zadel, een stuur en een trapas met pedalen. Sommige fietsen hebben een (hulp)motor. Tot 1966 was de wettelijke term in Nederland rijwiel. In Vlaanderen wordt ook het Franse vélo gebruikt.

Het grootste deel van de fietsen heeft een kettingaandrijving, hoewel een asaandrijving of riemaandrijving ook mogelijk zijn.

Van de fiets zijn andere vervoermiddelen afgeleid, zoals de vooral in Azië populaire riksja en becak, en enkele gemotoriseerde varianten die als uitvindingen een "eigen" leven zijn gaan leiden: de bromfiets, snorfiets, scooter en motorfiets.

Etymologie[bewerken]

De herkomst van het Nederlandse woord 'fiets' is onduidelijk. Het artikel in het Woordenboek der Nederlandsche taal, geschreven in 1919, geeft twee etymologieën. Ten eerste zou het woord afgeleid zijn van de naam van een Wageningse wagenmaker, E.C. Viets, die rond 1880 rijwielen maakte. Deze voor de hand liggende verklaring werd in eerste instantie van de hand gewezen, toen bleek dat het woord sinds 1870-1879 in Nederland voorkwam (hoewel het toen niet gebruikelijk was). Die verklaring werd toch weer wat geloofwaardiger toen Brouwer in 2012 aantoonde dat Viets in 1870 weliswaar nog geen rijwielen produceerde, maar wel leverde, onder meer naar Leeuwarden.[1]

Een tweede verklaring is dat het een verbastering is van het wat lange en lastig uit te spreken Franse 'vélocipède'. Tussenvormen als 'fielsepee' kwamen bijvoorbeeld in Twente voor.

'Fiets' op een Duits bord

Volgens een hypothese uit 2012 van onder anderen Gunnar de Boel, hoogleraar vergelijkende taalkunde aan de universiteit van Gent, is het woord fiets ontstaan uit het Duitse woord Vize-Pferd. Dat was destijds de Duitse naam voor dit nieuwe tweewielige vervoermiddel en betekent letterlijk vice-paard ofwel "vervangpaard". Vize-Pferd werd meestal tot 'viez' verkort, wat uitgesproken wordt als 'fiets'.[2] Later werd in Duitsland dit woord officieel door 'Fahrrad' verdrongen. Deze hypothese wordt echter niet algemeen aanvaard.[3]

Andere verklaringen zijn gezocht, zoals bijvoorbeeld een verbastering van het Franse 'vitesse' (met betekenis 'snel' of 'snelheid'), maar voor deze geldt wat Ewoud Sanders indertijd schreef: "De herkomst van het woord fiets laat zich in twee woorden samenvatten: 'etymologie onbekend'."[4]

In bijna alle andere talen gebruikt men afleidingen van het Franse 'vélocipède' of het Engelse 'bicycle'. In het Frans zijn zowel 'vélo' als 'bicyclette' bekend. Het Nederlandse 'fiets' is ook bekend in het Afrikaans en (informeel) in het noorden van Duitsland; in het Fries is het 'fyts'. In de Poolse taal wordt 'Rower' gebruikt naar de door John Kemp Stanley in 1885 gebouwde 'Rover' met kettingaandrijving. In Nederland was 'rijwiel' aanvankelijk de officiële term, waarschijnlijk een rechtstreekse vertaling van het Duitse 'Fahrrad'. Het IJslands kent 'reiðhjól', wat ook letterlijk rijwiel betekent.

In de 19e eeuw gold het woord 'fiets' als enigszins onfatsoenlijk, vergelijkbaar met hedendaagse woorden als 'maffen' en 'bikken'. In de wetgeving werd 'rijwiel' gebruikt, maar 'fiets' was in het begin van de 20e eeuw het normale woord in de volksmond. In 1966 werd in Nederland het woord 'rijwiel' in de wetgeving vervangen door 'fiets'. Niemand zal tegenwoordig nog het woord 'rijwiel' gebruiken, maar in combinaties als 'rijwielpad' en 'rijwielstalling' komt het oude woord nog vaak voor. Een rijwiel is echter niet precies hetzelfde als een fiets: de wetgeving kende tot 1966 rijwielen met en zonder hulpmotor, bromfietsen en fietsen dus, terwijl een fiets nooit een motor heeft, behalve dan de elektrische fiets.

In de Belgische wegcode (Algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg) is nog wel sprake van het woord 'rijwiel' en wordt het onderscheid gemaakt tussen een rijwiel en een fiets, waarbij de fiets een tweewielige vorm van het rijwiel betreft. Rijwiel wordt in deze wegcode omschreven als: "elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler. De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel."

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de fiets voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Baron Karl von Drais bedacht een zogeheten loopfiets. Deze bestond uit een houten frame, houten wielen met een smeedijzeren velg, een zeer primitief zadel, een nog niet goed ontwikkeld stuur en een soort rem op het achterwiel. De loopfiets had geen trappers; de berijder bewoog zich voort door zich af te zetten tegen de grond. Het eerste exemplaar ontstond in 1817. Von Drais noemde zijn toestel velocipede. Later (ca 1830) ontwikkelde hij ook een handkar die op het spoor gebruikt kan worden. Men noemde zo'n wagentje een draisine naar Von Drais. Pas veel later, aan het eind van de 19e eeuw, duidde men ook de door hem ontwikkelde loopfiets of velocipede aan als draisine. [5][6]

Hoewel de berijder van de draisine de voeten op de grond hield, was toch heel wat balanceerkunst nodig. Dit werd vervelend gevonden, en decennialang werden daarom driewielers en vierwielers gebouwd. Ze werden aangedreven op de manier waarop een spinnewiel of scharensliep wordt aangedreven, met een trapplank en een stangenstelsel.

Pas in 1865 ontstond een toestel dat op onze fiets leek. Het was een tweewieler, gebouwd door de Fransman Pierre Michaux en zijn zoon Ernest. Hun vélocipède (snelle voet, van Latijn: velox, snel en pes, voet) had een ijzeren frame en ijzeren wielen. Aan de voorwielen waren trappers gemonteerd; deze voorloper van onze fiets kende nog geen kettingaandrijving.

Door het ontbreken van een kettingaandrijving was er ook geen overbrengingsverhouding. De snelheid van de fiets kon alleen maar worden opgevoerd door het wiel waarop de trappers waren gemonteerd steeds groter te maken. Zo ontstond rond 1870 de hoge bi (bi van bicyclette, tweewieler), een fiets met een zeer groot voorwiel en een klein achterwiel. Het balanceren op zo'n hoge fiets was niet gemakkelijk en bij obstakels op de weg schoot de berijder over zijn voorwiel. De Hoge Bi die gezien wordt als de start van het Hoge Bi tijdperk was de Ariel, gebouwd door James Starley in 1871. Het was een stalen fiets (geen houten wielen) met radiaal geplaatste spaken, die op spanning gebracht werden door een ingenieus mechanisme dat de spaken in een keer allemaal aanspande.

In 1868 werd de eerste fiets met een kettingaandrijving gebouwd. De trappers zaten nu niet meer aan het wiel, maar aan het frame. Aanvankelijk werd deze aandrijving op driewielers toegepast. In 1885 bouwde John Kemp Starley de Rover, een fiets met een kettingaandrijving, en een frame uit stalen buizen. De beide wielen waren vrijwel even groot. Dit type fiets werd safety genoemd, omdat het fietsen erop veel veiliger was dan op de hoge bi.

In 1888 vroeg John Dunlop patent aan op luchtgevulde fietsbanden, die de banden van massief rubber vervingen. Daarmee was de ontwikkeling van de fiets vrijwel voltooid. Het patent moest hij later weer intrekken, omdat Thomson hem in 1845 al voor was geweest. Hij behield het patent op het ventiel.

Sindsdien is er aan het ontwerp van de fiets niet zoveel meer veranderd. Wel worden tegenwoordig andere materialen toegepast. De frames worden thans vooral gemaakt van aluminium of staal, maar voor duurdere sportfietsen worden ook wel (lichtgewicht) metalen als magnesium en titanium gebruikt. Ook kunnen (delen van) frames gemaakt worden van glas- of koolstofvezel. Ook voor de wielen en banden worden soms andere materialen gebruikt en er bestaan fietsen met asaandrijving in plaats van kettingaandrijving. Maar de meeste fietsen lijken nog sterk op de Rover uit 1885. De enige uitzondering daarop zijn de ligfietsen.

Records[bewerken]

Werelduurrecord[bewerken]

Het werelduurrecord fietsen (de afgelegde afstand na 1 uur fietsen) op een UCI-goedgekeurde fiets is 51,1 km, sinds 18 september 2014 en staat op naam van Jens Voigt uit Duitsland. Op een gestroomlijnde ligfiets kan het nog harder: op 19 juli 2009 bereikte de Canadees Sam Whittingham een afstand van 90,6 km.[7] Het uurrecord op een ligfiets zonder stroomlijn is in mei 2012 door Aurelien Bonneteau op een M5 carbon high racer gesteld op 56,597 km.[8]

Snelheidsrecord[bewerken]

Op 14 september 2013 bereikte de Nederlander Sebastiaan Bowier over tweehonderd meter, met vliegende start, een snelheid van 133,78 kilometer per uur.[9] De hoogste snelheid ooit op een fiets achter een auto steekt daar nog met kop en schouders bovenuit, 268,8 km/h door Fred Rompelberg op 3 oktober 1995 op de zoutvlaktes van Bonville vlak bij Salt Lake City in de Amerikaanse staat Utah.[10]

Wetgeving[bewerken]

Wetgeving in Nederland[bewerken]

  • Verlichting (bij dag, als er goed zicht is, niet verplicht - meer verlichting is niet toegestaan; zie ook de pagina Fietsverlichting)
    • Vanaf 1 november 2008 mag de fietsverlichting ook op de borst of de rug van de bestuurder worden bevestigd en knipperlicht wordt oogluikend toegelaten.
    • koplamp straalt wit, of geel licht uit
    • achterlicht straalt rood licht uit
  • Reflectie (ook overdag - meer reflectie is toegestaan)
    • zijreflectie (geel of wit) op beide wielen. Wordt meestal met een reflectiestrook op de banden toegepast.

(vanaf 1 januari 1987 werd de wielreflectie verplicht. De Fietsersbond protesteerde tegen de onmiddellijke invoer van deze maatregel; het betekende dat alle fietsen per direct van cirkelvormige zijreflectoren tussen de spaken moesten worden voorzien. De bond vond de reflectoren te duur en had liever gezien dat het gebleven was bij reflecterende fietsbanden, die toch op den duur zouden worden vervangen. Na een maand waren alle reflectoren uitverkocht terwijl nog de helft van de elf miljoen fietsers zonder zijreflectie reed).

    • gele reflectoren op voor- en achterkanten van de pedalen
    • rode achterreflector
    • (in de nabije toekomst: witte voorreflector)
  • pedalen voorzien van stroef oppervlak
  • goed werkende rem
  • bel hoorbaar op 25 meter
  • stuur dient goed vast te zitten
  • handvatten moeten goed vast zitten
  • een tweewielige fiets mag niet breder zijn dan 75 centimeter (voor een driewieler of aanhangwagen is het maximum 150 cm)

Enkele eisen zijn voor fietsen soepeler dan voor motorvoertuigen:

  • Overdag: Een motorvoertuig moet altijd met intacte verlichting uitgerust zijn, hoewel de verlichting niet hoeft te branden. Met een fiets mag overdag gereden worden met defecte of afwezige verlichting.
  • 's Nachts: Het achterlicht van een fiets hoeft niet te branden als er een aanhangwagen wordt getrokken. De aanhangwagen moet natuurlijk wel verlichting hebben. Bij een motorvoertuig moeten zowel het trekkende voertuig als de aanhangwagen achterlichten hebben.
  • Een fiets mag niet meer verlichting maar wel meer reflectoren hebben dan zijn voorgeschreven. Bij een motorvoertuig zijn meer verlichting en meer reflectie niet toegestaan.

Afgeschafte eisen[bewerken]

Voorheen moest een fiets een achterspatbord hebben dat over een lengte van minimaal 30 cm witgeschilderd was. Een racefiets zonder spatbord werd oogluikend toegelaten. Bovendien moest het achterlicht zich op het witte deel van het spatbord bevinden. Thans bevindt het achterlicht zich vaak in de holte tussen bagagedrager en spatbord.

Verkeerswetgeving[bewerken]

In 1905 kreeg Nederland voor het eerst een Motor- en Rijwielwet. Daarbij werd onder andere het houden van wegwedstrijden voor fietsen verboden. De Motor- en Rijwielwet is inmiddels vervangen door de Wegenverkeerswet, welke onder andere de wettelijke basis vormt voor de verkeersregels waaraan fietsers, maar ook het overige wegverkeer, zich aan moeten houden.

Sinds 1 mei 2001 hebben fietsers in Nederland van rechts ook voorrang. In verhouding tot veel andere Europese landen wordt in Nederland veel gefietst. In de infrastructuur wordt hier op allerlei manieren rekening mee gehouden; alleen de voorrangsregeling week af tot 2001. Anders dan in omringende landen was in Nederland de fietser in de wetgeving niet gelijkwaardig aan andere bestuurders. Het harmoniseren van de Europese regelgeving was dan ook een belangrijke reden om de maatregel 'voorrang fietsers van rechts' in te voeren. Daarnaast beoogt de maatregel de gelijkberechtiging van fietsers te bevorderen om zo indirect het fietsgebruik te stimuleren. "Voorrang fietsers van rechts" (VFVR) is een van de maatregelen die in het convenant Duurzaam Veilig worden genoemd, en waarvan wordt verondersteld dat zij een gunstige bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid.

Wetgeving in België[bewerken]

Wettelijke eisen voor een fiets met een kleine wieldiameter[bewerken]

Fietsen waarvan de wieldiameter (banden niet inbegrepen) maximaal 50 cm bedraagt, moeten minstens uitgerust zijn met:

  • een bel hoorbaar op 20 meter
  • twee goed functionerende remmen (één op het voorwiel en één op het achterwiel)
  • vooraan een witte en achteraan een rode reflector, indien er minstens één spatbord is.

Enkel als het donker is en als de zichtbaarheid minder dan 200 meter bedraagt, zijn lichten en andere reflectoren verplicht. Deze lichten hoeven zich niet op de fiets zelf te bevinden.

Wettelijke eisen voor de racefiets en de terreinfiets[bewerken]

Zowel fietsen met een racestuur en zonder bagagedrager achteraan waarvan de banddikte maximaal 2,5 cm bedraagt (racefietsen) als fietsen met minstens twee versnellingen die vanaf het stuur worden bediend en zonder bagagedrager achteraan waarvan de banden een minimumdoorsnede van 38 mm (bij een wieldiameter van 65 cm) of 32 mm (bij een wieldiameter van 70 cm) hebben (terreinfietsen), moeten minstens uitgerust zijn met:

  • een bel hoorbaar op 20 meter
  • twee goed functionerende remmen (één op het voorwiel en één op het achterwiel)
  • vooraan een witte en achteraan een rode reflector, indien er minstens één spatbord is.

Lichten en andere reflectoren zijn enkel verplicht als het donker is en als de zichtbaarheid minder dan 200 meter bedraagt. Deze lichten hoeven zich niet op de fiets zelf te bevinden. Als er ten minste één spatbord op de fiets wordt gemonteerd wordt een rode reflector achteraan en een witte reflector vooraan verplicht.

Wettelijke eisen voor de gewone fiets[bewerken]

Een fiets die niet behoort tot een van de bovengenoemde categorieën, moet minstens uitgerust zijn met:

  • een bel hoorbaar op 20 meter
  • twee goed functionerende remmen (één op het voorwiel en één op het achterwiel)
  • twee goed functionerende lichten
    • tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en indien de zichtbaarheid minder dan 200 meter bedraagt.[11]
    • vooraan wit of geel, continu oplichten of knipperen.
    • achteraan rood ('s nachts bij helder weer vanaf minstens 100 m zichtbaar) continu oplichten of knipperen.
    • De verlichting mag op de fiets of op het lichaam gedragen worden.
  • reflectoren
    • aan weerszijden van de pedalen wit of geel
    • op de spaken en/of de banden minstens 2 gele of oranje dubbelzijdige reflectoren per wiel; vast bevestigd aan de spaken en symmetrisch aangebracht en/of een witte reflecterende strook aan weerszijden van elke band.
    • vooraan een witte en achteraan een rode reflector

Onderdelen van een fiets[bewerken]


Onderdelen van een fiets

Soorten[bewerken]

Fietstypes[bewerken]

De fiets in al zijn vormen en in de kunst (Polygoonjournaal uit 1977)


Heren en dames[bewerken]

Gewone fietsen worden vaak onderscheiden in een "heren-" en "damesmodel".

De eerste "moderne" fietsen werden in de 19e eeuw gebouwd met een min of meer horizontale bovenbuis. Doordat deze door rokdragende dames moeilijk berijdbaar waren lieten constructeurs de bovenbuis zakken, tot bijna parallel aan de onderbuis. Zo ontstond het damesmodel.

Het traditionele model (feitelijk dus onterecht als herenfiets omschreven) is door de driehoeksconstructie van de buizen steviger dan het damesmodel. Wil men het damesmodel even stevig maken, dan wordt de constructie zwaarder. Zou men de bovenbuis uit een herenfiets wegzagen, dan breekt de resterende fiets gauw doormidden.

Inmiddels door traditie blijven zowel mannen als vrouwen de voorkeur geven aan heren-, dan wel damesfietsen, hoewel daar vaak geen reden meer voor is. Veel vrouwen dragen nooit een rok en veel mannen realiseren zich niet dat een herenfiets steviger is.

Tegenwoordig zijn er zelfs fabrikanten die 'damesfietsen met bovenbuis' maken. Ze doen dit om zo min mogelijk verschillen te hebben tussen de verschillende types die in productie zijn. Het betreft hier een fiets met een extra dikke onderbuis die zonder bovenbuis al berijdbaar is. Er wordt een bovenbuis aan toegevoegd omdat de mannelijke kopers dat willen.

Een tussenvorm waren de "mixte-frames" waarbij men de bovenbuis liet zakken tot halverwege de zitbuis. Soms loopt de bovenbuis dan nog door naar de achteras. Deze constructie is sterker dan een "echt" damesframe en werd vooral gebruikt in de jaren zeventig en tachtig voor sportieve damesfietsen. Door het thans gangbare sloping frame voor race- en sportfietsen is het mixte-frame in onbruik geraakt.

Damesfietsen zijn wel populair, soms in aangepaste vorm of benaming als seniorenfiets, onder ouderen door de gemakkelijker instap.

Kinderfiets[bewerken]

Om te leren fietsen kunnen zijsteuntjes met wieltjes gemonteerd worden of kan aan de fiets een stok worden bevestigd die wordt vastgehouden door een meelopende volwassene. De beste manier om te leren fietsen is echter het gebruik van een loopfiets of een gewone fiets waar de trappers van zijn verwijderd. Zo krijgen kinderen eerst de kans om te leren het evenwicht te houden op de fiets en te sturen voor ze dit moeten combineren met de trapbeweging. De banden van een kinderfiets zijn gemiddeld breder om de stabiliteit te verhogen. Veel kinderfietsen hebben een achteruittraprem zodat kinderen zich kunnen concentreren op het sturen in plaats van op het remmen. Sommige kinderfietsen hebben echter tevens een handrem die het voorste wiel kan vertragen zodat bij gelijktijdige activering de totale remkracht wordt vergroot.

Tandem[bewerken]

Een sport- of racetandem is meestal met een bovenbuis voor en achter. Een eenvoudige toertandem, waarvan de fabrikant zelden meer dan een model aanbiedt, is meestal zonder bovenbuizen, zodat iedereen tevreden is.

Ook een ladyback komt voor. Dit is een tandem met een kruisframe, dus een buis van balhoofd naar achteras. Deze buis biedt voor de 'stoker' (achter) een lage instap.

Fietsinfrastructuur[bewerken]

Bewegwijzering fietsroutenetwerk in de Antwerpse Kempen (België)
1rightarrow blue.svg Zie Fietsinfrastructuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland, Vlaanderen, Denemarken en Noord-Duitsland, zijn door hun (relatief) vlakke landschap erg geschikt om te fietsen. De genoemde gebieden kennen veel verkeersvoorzieningen voor fietsers, oftewel er is een goede fietsinfrastructuur aanwezig.

Fietspad[bewerken]

Ook worden er veel fietspaden aangelegd. Deze begeleiden soms wegen. Andere zijn vrijliggend en zijn vaak bedoeld voor het recreatieve fietsverkeer. Wanneer de fietspaden op een kruispunt uitkomen met verkeerslichten, hebben deze vaak hun eigen verkeerslicht, herkenbaar door een venster in de vorm van een fiets. Waar fietspaden ontbreken, ligt vaak nog wel een fietsstrook: een voor fietsers gereserveerde strook van de rijweg.

Fietsbewegwijzering[bewerken]

Diverse type fietswegwijzers geven fietsroutes aan. Het kan daarbij zowel gaan om woon-werkverbindingen, als om routes voor recreatieve fietstochten (zoals de ANWB-rondjes en het LF-routenetwerk).

Een nieuwe ontwikkeling zijn fietsroutenetwerken. Dit zijn netwerken van aangename fietswegen, voornamelijk langs rustige en autoluwe wegen of jaagpaden. Waar deze wegen kruisen zijn fietsknooppunten die worden aangeduid met nummers op bordjes. Met een begeleidende kaart hoeft men dan enkel nog maar de knooppuntnummers te volgen.

Algemene Fiets Afhandel Centrale[bewerken]

In sommige Nederlandse gemeenten bestaan Algemene Fiets Afhandel Centrales, vooral bedoeld om de overlast van geparkeerde fietsen te verminderen. Deze diensten verwijderen onjuist geparkeerde fietsen of kennelijk verlaten fietswrakken.

Lokfiets[bewerken]

Om diefstal van fietsen te ontmoedigen maakt de Nederlandse politie gebruik van zogeheten lokfietsten met ingebouwde gps- en simmodule om alarm te slaan zodra de fiets beweegt. Hiermee worden heel effectief dieven quasi op heterdaad betrapt.

Voor- en nadelen van de fiets[bewerken]

Op korte afstanden sneller dan de auto en binnensteden zijn voor een fiets beter toegankelijk. Fietsen is goed voor de menselijke gezondheid en een vorm van recreatie. Het speelt een rol bij de vermindering van de CO_2-uitstoot.

Maar er zijn natuurlijk ook nadelen, zoals de kwetsbaarheid van de berijder: bij verkeersongevallen heeft deze geen bescherming. Op langere afstanden is de auto sneller. Verder heeft de auto meer bagagecapaciteit. Vooral bij slecht weer geven velen de voorkeur aan de auto.

Organisaties[bewerken]

Er zijn verschillende organisaties die zich richten op het bevorderen van het fietsgebruik en om het verkeer en landschap voor fietsers aangenamer te maken. Voorbeelden hiervan zijn:

In Nederland[bewerken]

In Vlaanderen[bewerken]

Trivia[bewerken]

  • De fiets is ook als militair vervoermiddel gebruikt: de Nederlandse krijgsmacht had enige tijd een Regiment Wielrijders en in de Vietnamoorlog maakte de Vietcong bij de bevoorrading gebruik van vaak zeer zwaar beladen fietsen op het Ho Chi Minh-pad.
  • De Nederlandse politie maakte een belangrijk deel van de twintigste eeuw op grote schaal gebruik van extra degelijke dienstfietsen voor de surveillance.
  • In het Pools is het woord voor fiets direct ontleend aan de uitvinder van het meest gangbare model, Rover (zie hierboven), die daarmee geëerd wordt: rower (het Pools kent de letter v niet).
  • In het Nederlands zijn in de loop der jaren al vele uitdrukkingen en zegswijzen ontstaan met betrekking tot de fiets en het fietsen, terwijl er nog steeds geregeld nieuwe woorden worden bedacht, zoals in 2008 het woord weesfietsen voor de vele met name door onbekende eigenaars voor langere tijd bij stations achtergelaten rijwielen die nog niet als te verwijderen wrak (verlaten fiets) zijn aangemerkt.
  • In sommige talen is gewoonweg met een andere schrijfwijze het Engelse woord bicycle overgenomen, dat wil zeggen (fonetisch als bajskl, zoals in het Pashtu en Dari in Afghanistan, terwijl in het Farsi in Iran (waarvan het Dari in Afghanistan een variant is) de benaming officieel doetsjarcha luidt (= bicycle = tweewieler).
  • Diverse filosofen hebben ook over de fiets en het fietsen geschreven, onder meer José Ortega y Gasset (in een essay over de Nederlanders en hun fietsen[12]) en Ivan Illich (over energieverbruik en maatschappelijke ongelijkheid, in zijn boek Energy and Equity[13]).
  • De Marching and Cycling Band HHK was één van de weinige muziekverenigingen in Europa die optredens verzorgen op de fiets.
  • In de jaren 00 van de 21ste eeuw is de elektrische fiets, waarbij een elektromotor het trappen ondersteunt, populair geworden.

Zie ook[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Brouwer, L., 2012. Een fiets van Viets. Genealogie 18 - 2012, p. 16-19.
  2. Universiteit Gent, Etymologie van het woord fiets na 140 jaar achterhaald, 21 februari 2012.
  3. Jan Stroop, Ga toch fietsen!
  4. Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Sdu 1996), blz 6
  5. 'Mit dem Rad durch zwei Jahrhunderte'
  6. 'Eene halve eeuw wielersport', G. Hoogenkamp, 1917
  7. IHPVA Official Speed Records
  8. Superieur nieuw werelduurrecord van 56.597 km, website M5 ligfietsen, 30 mei 2012.
  9. http://www.hptdelft.nl/nl/index.php?option=com_content&view=article&id=506:delftse-hightech-ligfiets-verovert-wereldrecord&catid=15:blog&Itemid=58
  10. http://www.meesterbrein.com/view.php/de-hoogste-snelheid-ooit-op-een-fiets-gehaald-is-268-83-km-u.html
  11. http://www.wegcode.be/wetteksten/secties/kb/wegcode/272-art82
  12. José Ortega y Gasset Lo que el viajero percibe en las bicicletas de Holanda in Obras completas (1946-1947), Tome 5, Artículos (1935-1937)
  13. Ivan Illich Energy and Equity (1974) ISBN 90-293-0234-8 (Ned. vert. Energieverbruik en maatschappelijke tegenstellingen: onze verkeer-de wereld, uitg. Wereldvenster, Baarn (1973; verschillende herdr.)
Icoontje WikiWoordenboek Zoek fiets op in het WikiWoordenboek.
Zoek dit woord op in WikiWoordenboek