Fietsband

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Winterbuitenband met spikes
Verschillende fietsbinnenbanden
Velglint van kunststof of rubber voor bescherming van de binnenband
Draadband 23-622
Antilekband met verdikte laag
Opvouwbare banden:links tubeless, rechts raceband
Beweringen over lekvrije banden waren er al een eeuw eerder dan de eerste bruikbare antilekbanden. Deze poster van Johann Georg van Caspel is uit 1897.
Aan buitenband vastgekleefde binnenband
Toerfietsband met reflectiestreep

Een band van een fiets bestaat in de regel uit een binnen- en buitenband die om het voor- en achterwiel van een fiets zijn aangebracht. De binnenband waarin samengeperste lucht is aangebracht, zorgt voor het rijcomfort door de oneffenheden in het wegdek op te vangen. De buitenband zorgt voor bescherming van de binnenband en voor grip op de weg.

De buitenband bestaat uit een karkas van koordlagen van langvezelige katoen, die het canvas vormen, en randen van gevlochten staaldraad. Goedkopere banden hebben koordlagen van kunststofvezels. Daaromheen is een rubberlaag aangebracht met op het loopvlak een profiel. Op de zijkanten is meestal een witte reflecterende streep aangebracht. De binnenband is een luchtband met een fietsventiel, die in 1888 werd uitgevonden door John Dunlop en voor het eerst toegepast op de fiets. Daarvoor waren de wielen van ijzer en sinds 1865 hadden deze massieve banden. De eerste afneembare luchtbanden werden in 1890 door de gebroeders Michelin in Frankrijk gemaakt.

Samenstelling van buitenband[bewerken]

Bij de samenstelling van de buitenband zijn een lage rolweerstand, weinig slipgevoeligheid, hoge slijtweerstand, lange houdbaarheid en een stabiel profiel van belang. Hierbij zijn een lage rolweerstand en een lage slipgevoeligheid moeilijk met elkaar te combineren. Door toevoeging van silicium of het gebruik van meerdere rubbermengsels (dual en triple compounds) zijn deze eigenschappen beter met elkaar te combineren.

Het wordt aanbevolen de binnenkant van de buitenband te bestrooien met talk (een fijngemalen, gehydrateerd, waterstofhoudend magnesiumsilicaat) om het vastkleven van de binnenband met de buitenband te voorkomen. Tegenwoordig is er op de binnenbanden al bij de fabricage een talklaagje opgebracht. Dit gaat echter verloren bij onderdompeling in water bij het repareren van een lekke band en door herhaaldelijk demonteren en monteren.

Bandenspanning[bewerken]

De maximale en minimale spanning wordt op de zijkant van de buitenband aangegeven, meestal in bar, maar deels ook nog in psi.

Ter omrekening: 1 bar = 14,5 psi of 1 psi = 0,06895 bar.

Aspecten bij de keuze van de bandenspanning:

  • Lagere bandenspanning verhoogt de rolweerstand, doordat een grotere lengte van de band met het wegdek in contact komt. Verder wordt de levensduur verkort doordat de band in het midden doorbuigt en de band op zogenaamde wangen gaat lopen.
  • Lagere bandenspanning geeft minder slip en dus een betere grip. Bij het mountainbiken wordt gespeeld met de bandenspanning, bijvoorbeeld om het contactoppervlak van de band en daardoor de grip op een losse bodem of zeer harde bodem te vergroten.
  • Lagere bandenspanning verlaagt de stabiliteit in bochten en kan tot wegglijden (driften) leiden. Een uitzondering vormen de tubeless-banden: doordat de wrijving tussen de binnen- en buitenband niet aanwezig is kan op deze banden in het algemeen met een 1 bar lagere spanning gereden worden.
  • Hoe hoger de bandenspanning des te minder veert de band in en des te lager is het rijcomfort. Bij een te lage bandenspanning kan canvasbreuk optreden en kan de binnenband tegen de velg lek stoten. Dit heet een snake-bite, naar de vorm van het lek.
  • De juiste bandenspanning hangt af van het lichaamsgewicht. Hoe hoger het gewicht des te hoger moet de bandenspanning zijn.
  • Zelfs de beste band verliest op den duur lucht, waardoor regelmatig de bandenspanning gecontroleerd moet worden.
  • De bandenspanning hangt af van de omgevingstemperatuur. Bij een lagere temperatuur is de bandenspanning ook lager.
  • Speciaal bij racefietsen kan de velg soms een lagere bandenspanning verdragen dan de maximale bandenspanning van de band zelf.

De optimale bandenspanning is:

  • mountainbike: afhankelijk van de breedte en lichaamsgewicht: tussen 2,0 en 4,0 bar. Bij tubeless 1,5 tot 2,5 bar.
  • toerfiets: tussen 3,5 en 5 bar.
  • racefiets: met tubes op de weg 7 tot 9 bar, op de wielerbaan 10 tot 13 bar en bij een recordpoging zelfs hoger. Boven 14 bar neemt de rolweerstand weer toe en gaat de band stuiteren op de kleinste oneffenheid.
  • ballonbanden: tussen 1,5 en 3,5 bar.
  • draadbanden: tussen 7 en 10 bar.

Tot begin jaren 80 waren er geen smalle draadbanden voor de racefiets in de breedte 23, 25 of 28 mm verkrijgbaar. Sommige wielrenners trainden op de toen smalst verkrijgbare draadbanden van 32 mm

Antilekband[bewerken]

De antilekband heeft een laagje onder het loopvlak, waardoor scherpe voorwerpen minder makkelijk in de band kunnen dringen. Voor deze laag heeft een bandenfabrikant keus uit een groot aantal materialen. Voor toerbanden wordt vaak een zeer taaie elastomeer gebruikt. Het gaat dan om een massieve laag. Voor racefietsen is dit soort barrièrelaag een uitzondering. Voor alle typen fietsbanden wordt veel gebruikgemaakt van weefsels van speciale vezels, zoals spectra en kevlar (aramide). Deze kunnen als een smalle, soms karkas brede, laag worden meegenomen in de vulkanisatie. Soms wordt het karkasmateriaal — veelal polyamide of polyester — in extra lagen ingevoegd om tot een grotere lekbestendigheid te komen.

Opvouwbare buitenband[bewerken]

Bij de opvouwbare buitenband (vouwband) is het gevlochten staaldraad vervangen door kevlardraden. Deze band is hierdoor 50 tot 150 g lichter, wat vooral bij racebanden belangrijk is.

Tube[bewerken]

De tubes waarop wielrenners al van oudsher rijden, zijn banden met een ingenaaide binnenband. Bij de tube is de buitenband om de binnenband heen aan de binnenzijde dichtgenaaid. De tube wordt met lijm of met een tweezijdig plakbaar kitlint op een zogenoemde tubevelg geplakt. Doordat een tube geheel rond is en op de velg wordt geplakt, geeft deze een soepeler gevoel qua vering en in de bochten een betere controle. Deze banden heten in het Duits Schlauchreifen en in het Frans boyaux. In het Engels spreekt men van tubular.

Vooral op de wielerbaan, achter de derny en achter de grote motoren, waarbij met snelheden van meer dan 70 kilometer per uur wordt gereden, willen de renners op tubes rijden. Wanneer immers de ingenaaide binnenband lek raakt, blijft eerst nog lucht tussen de buiten- en de binnenband zitten, zodat de band niet in een keer leeg loopt en de renner zich naar de benedenkant van de baan kan laten zakken.

Tubeless[bewerken]

Pas sinds enige jaren zijn er voor fietsen ook tubelessvelgen met de daarbij behorende buitenband ontwikkeld. Deze ontwikkeling heeft zijn oorsprong in de ATB-wereld, de mountainbikesport, het eerst bij de downhilldiscipline. Omdat bij dit downhillrijden de achterband nog wel eens tegen een rotspunt of een ander hard obstakel aanslaat en de binnenband daardoor tussen de velg en de buitenband knel kan komen te zitten, wat een snake-bite oplevert, is voor deze discipline een dergelijke velg met tubelessband ontwikkeld. Vanuit deze ontwikkeling heeft men nu ook voor de racefiets een dergelijke luchtdichte velg met een binnenbandloze buitenband gefabriceerd.

Reparatie[bewerken]

Montage en demontage van een band[bewerken]

Met wat water of spuug is te zien of het ventiel lekt, er komen dan wat luchtbelletjes uit. Dat scheelt onnodig demonteren van de band. De buitenband wordt met behulp van twee of drie bandenlichters van de velg gehaald. Hiertoe wordt eerst het ventiel losgedraaid, waardoor de binnenband leegloopt. Vervolgens worden de randen van de band met de hand naar het midden van de velg gedrukt, waardoor ruimte ontstaat en het mogelijk is om met een bandenlichter een rand van de band over de kraal (rand) van de velg te drukken. Onder de rand van de band wordt een bandenlichter zodanig gestoken dat de binnenband niet lek geprikt wordt. Vervolgens wordt de bandenlichter naar beneden gedrukt en vastgezet aan een spaak. Door gebruik te maken van drie bandenlichters, die ongeveer 5 cm van elkaar onder de rand gestoken worden, ontstaat voldoende ruimte om de band verder met de hand te lichten. Nu kan de binnenband verwijderd worden en vervolgens kan de rand aan de andere kant van de buitenband over de velgrand getrokken worden. Montage gebeurt in omgekeerde volgorde, waarbij echter geen bandenlichters gebruikt mogen worden. Nadat een rand van de buitenband om de velg is gelegd wordt het ventiel van de binnenband in het ventielgat van de velg gestoken en wordt de binnenband iets opgepompt. Vervolgens wordt de binnenband in de buitenband om de velg gelegd, waarna de andere rand van de buitenband over de velgrand wordt gebracht. Het fietsventiel moet hierbij recht blijven zitten. Voor het laatste stukje moet alle lucht uit de binnenband zijn en moeten de randen van de buitenband naar het midden van de velg gedrukt worden. Met de muis van de hand kan nu het laatste stukje van de buitenband over de velgrand gedrukt worden. Het fietsventiel wordt daarna omhoog gedrukt, waardoor er bij het ventiel geen stukje binnenband onder de rand van de buitenband blijft zitten. Ook bij de rest van de band moet gecontroleerd worden of er nog geen stukje van de binnenband onder de rand van de buitenband zit. Tenslotte kan de band opgepompt worden.

Bij een nieuwe buitenband staat er soms een pijltje aan de zijkant, waarmee de fabrikant aanduidt wat de looprichting is. Sommige banden hebben aan een kant een geribbelde rand die bedoeld is voor de fietsdynamo.

Repareren van een band[bewerken]

Repareren van een binnenband[bewerken]

Een gaatje in de binnenband kan opgespoord worden door de band op te pompen. Bij een klein gaatje kan de band in een emmer water gehouden worden. De luchtbelletjes verraden dan het gaatje. Is er geen lek te vinden, dan kan het zijn dat er iets mis is met het ventiel. Rondom het gaatje wordt de band met schuurpapier opgeruwd en daarna goed schoongemaakt met wasbenzine.

Zit er een scheur in de band, dan is het verstandig de uiteinden van het gat met een schaar rond te knippen. Hierdoor wordt enigszins verhinderd dat de scheur groter wordt en uiteindelijk groter is dan de plakker. Een nieuwe binnenband is echter beter.

In de handel zijn kant en klare plakkers te verkrijgen, maar deze zijn ook zelf te maken van een oude binnenband. Uit een oude binnenband wordt een rond of langwerpig stukje met ronde hoeken geknipt, waarna de binnenkant van dit stukje dezelfde behandeling krijgt als de lekke band.

Op de band wordt solutie aangebracht en met een vinger snel dun uitgesmeerd. Een zelfgemaakte plakker wordt ook met solutie ingesmeerd, een fabrieksplakker niet. Als de solutie dof is geworden, dit kan één tot vijf minuten duren, kan de plakker op het gaatje geplakt worden. De plakker op de band moet met de duimen goed aangedrukt worden. Voordat de band weer gemonteerd wordt moet de buitenband ter hoogte van het gaatje gecontroleerd worden op eventuele scherpe voorwerpen, die het lek hebben veroorzaakt. Vervolgens kan de band weer gemonteerd worden.

Sommige goedkope binnenbanden zijn niet te repareren.

Bandenmaten[bewerken]

In Europa wordt op de volgende manieren de grootte van de band aangegeven:

Duitse 'klassieke' benadering[bewerken]

De maat in inches met twee getallen, bijvoorbeeld 28 × 1¾, waarbij het eerste getal de buitendiameter van de opgepompte band aangeeft in nominale inches en het tweede getal de hoogte vanaf de draad tot de bovenkant en tevens de breedte.

De maat in inches met drie getallen, zoals bij 28 × 1⅝ × 1⅜. Deze band heeft dezelfde velgmaat als 28 × 1⅝, maar de hoogte en breedte zijn 1⅜" en de buitendiameter is dan ook niet 28". Het is niet juist dat het derde getal de breedte aangeeft.

Franse maatsysteem[bewerken]

In het Franse systeem, bijvoorbeeld 700-23C of 700-38C, staat het eerste getal voor de buitendiameter van de buitenband in millimeter. Dit eerste getal is echter steeds afgerond. Het tweede getal staat voor de breedte van de band in millimeter.

ETRTO[bewerken]

De verschillende oude systemen worden stilaan vervangen door een Europese ETRTO-norm. Een voorbeeld hiervan is 47—622, 40-622 (stadsfiets) en 23-622 (koersfiets). Hierbij staat het eerste getal voor de breedte in millimeter van de opgepompte band en geeft het tweede getal de velgmaat (de diameter van de velg) aan, gemeten daar waar de binnenband op de velg rust. Dit komt overeen met de diameter van de hieldraad van de band en vormt een belangrijk verschil met de andere systemen, waar de buitendiameter van de band gemeten wordt.

De Europese ETRTO-norm wordt in de bedrijfstak sinds de jaren 80 van de 20e eeuw gebruikt, maar zet maar traag door in het algemene spraakgebruik. Oude aanduidingen kunnen meestal niet omgezet worden in metrische maten.

De ETRTO-norm geeft juiste maten en men kan dan ook nameten of het klopt. Dat is met inchmaten niet het geval, zoals zelfs mag blijken uit het feit dat een band van 27" een grotere velg nodig heeft dan de meeste banden van 28".

Nuvola single chevron right.svg Zie ook hoofdstuk Fiets in het artikel Bandenmaat
Gebruikt voor Oude benaming
buitenkant van band ⌀
× hoogte (inch)
Franse aanduiding
buitenkant van band ⌀
× breedte (mm)
DIN-norm ETRTO
breedte
– velgmaat (mm)
Rolstoel (voorwiel) 10 × 2 54 – 152
Kinderwagen, kinderfiets 12½ × 2¼ 62 – 203
Bickerton 14 350 A 37 – 288/298
14 × 1⅝ 350 A 37 – 288
14 × 1⅜ 350 A 44 – 288
16 × 1¼ 62 – 305
16 × ⅞ 47 – 305
16 × 2⅛ 57 – 305 Cross
Franse kinderfiets 16 × 1⅝ 400 A 44 – 330
Franse kinderfiets 16 × 1⅜ 400 A 37 – 340
18 × 1¼ 450 A 37 – 340
Hollandse band 18 × 1⅜ 37 – 340
18 × 1⅜ × 1⅛ 37 – 349
Birdy 18 × 1½ 40 – 355
vouwfiets 18 × ⅞ 47 – 355
Italiaanse kinderfiets 20 × 1¼ 500 × 32A 37 – 390
20 × 1⅜ 37 – 451
20 × 1.75 47 – 406
20 × 2¼ 62 – 406
Franse kinderfiets 22 × 1¼ 28/37 – 440
Kinderfiets 22 x 1.75 47 - 457
Franse kinderfiets 22 × 1⅜ 550 A 37 – 489/490/501
Kinderfiets- MTB 24 × 1.75..1.85 44 – 507
Kinderfiets- Race 24 × 1.0 25 – 520
24 × 1¼ × 1⅜ 600 × 32 A 32 – 540
24 × 1⅜ 600 × 35 A 37 – 540/541
24 × 1½ × 1⅜ 600 × 38 A 40 – 540
24 × 2⅛ 57 – 507
26 inch toerfiets 26 × 1.4 37 – 559
Citybike of delivery bike 26 × 1.75 47 – 559
26 inch mountainbike 26 × 2.10.. 2.35 54..60 – 559
Mountainbike of fietskar 26 × 1.9.. 2.2 49..55 – 559
triathlonfiets / 650 C-racefiets 26 × 0.9 650 × 20..23C 20..23 – 571
Duitse stadsfiets, eenvoudige fiets voor Afrika 26 × 2.10 54 - 571
Franse toerfiets 26 × 1½ 650B 40 – 584
Franse toerfiets 26 × 1½ x 1⅝ 650 × 42B 44 – 584
650 × 28A 28 – 590
Nederlandse jeugdfiets / Spartamet 26 × 1⅜ 650 × 35A 37 – 590
Mountainbike gebruik op de weg 26 × 0.9 23 – 559
Mountainbike gebruik op de weg 26 × 1.00 25 – 559
Mountainbike gebruik op de weg 26 × 1.50 40 – 559
Mountainbike 26 × 1.75 47 – 559
Nederlandse transportfiets 26 × 1¾ × 1½ 650 × 45B 47 – 584
Mountainbike/bakfiets 26 × 2.00 50 – 559
Mountainbike 26 × 2,10 54 – 559
Mountainbike 26 × 2.25 57 – 559
Racefiets (Engeland) 27 x 1⅛ 27 × 1¼ 28..32 – 630
Sportfiets (Engeland) 27 × 1¼ FIFTY 27 × 1⅛ 28 – 630
16..32 – 630
Scandinavisch jaren 80 27 x 1½ 40 – 609
28 × 1¼ × 1¾ 32 – 622
28 × 1⅜ × 1⅝ 35..40 – 622
28 × 1.6 700 × 40C 42 – 622
racefiets 28 × 1⅝ × 1⅛ 700 × 18..28C 18..28 – 622
Sportfiets zeer smal 28 × 1⅝ × 1⅛ 700 × 28C 28 – 622
Sportfiets smal 28 × 1⅝ × 1¼ 700 × 32 C 32 – 622
Stads/Standaardfiets 28 × 1⅝ × 1⅜ 700 × 35C 37 – 622
Sportfiets 28 × 1⅝ × 1⅜ 700 × 35C 37 – 622
Opoefiets 28 × 1½ 700 × 38B 40 – 635
Klassieke transport-/bakfiets 28 × 1½ x 1⅝ 700 x 40/42 B 44 – 635
Toerfiets 28 × 1.6 700 × 42C 42 – 622
Weinig voorkomende Franse toerfiets 28 × 1⅝ × 1½ 700 × 42B 44 – 622
Toerfiets 28 × 1.75 700 × 47C 47 – 622
Toerfiets met ballonband 28 × 2.0..2.35 50..60 – 622
Mountainbike twentyniner 28 × 2.10..2.40 54..62 – 622
Ballonband 28 × 2.15 55 – 622