Infiltratie (waterbeheer)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Infiltratie is een term uit de hydrologie, bodemkunde en het waterbeheer en betekent dat water in de bodem dringt en in de onverzadigde zone van de bodem komt.

Definitie[bewerken]

Infiltreren kan plaatsvinden op de plek zelf waar de neerslag valt. Indirect, kleinschalig, door de vorming van plassen of grootschalig door de vorming van een ven of vijver (depressie).

Het infiltratievermogen of -capaciteit wordt uitgedrukt in de eenheid mm water per etmaal.

Het meten van infiltratiecapaciteit gebeurd met Lysimeters of door proefvakken.

In Nederland infiltreert circa 500 mm water per jaar. Infiltratie is daardoor een hoofdfactor voor de watervoorziening van de landbouw en de drinkwatervoorziening.

Bodemgesteldheid[bewerken]

De infiltratiesnelheid wordt bepaald door de volgende factoren:

  1. aard van de bodem (grovere bodemmaterialen als zand en grind zijn gunstig, slib, klei en verhardingen ongunstig)
  2. aanwezigheid begroeiing is over het algemeen gunstig omdat dit de grond losmaakt en snelle afstroming voorkomt (erosie)
  3. structuur van de bodem b.v afhankelijk van de bodembewerking
  4. bodemvochtgehalte, deze weer afhankelijk van de bodemgelaagdheid en hoogteverloop

Na verloop van tijd neemt vaak de infiltratiecapaciteit af door het opvullen van de poriën in de bodem, het "dichtslaan" van de bodem, het zwellen van kleideeltjes. De bodem is in staat na verloop van tijd zich weer te herstellen.

Infiltratie is van invloed de aanvulling van het bodemvocht en grondwater. Vanuit de bodem kan het water:

  1. opgenomen worden door begroeiing
  2. verdampen al dan niet via planten (evapotranspiratie)
  3. in de capillaire bodemzone tot afstroming komen
  4. in het grondwater worden geborgen (percolatie) en daarna middels grondwaterstroming uiteindelijke afstromen naar oppervlaktewater

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]