Nuestra Señora de Atocha

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kanon van de Nuestra Señora de Atocha in het Archivo General de Indias

Nuestra Señora de Atocha (Onze-Lieve-Vrouw van Atocha) was een Spaans galjoen dat in 1622 voor de kust van Florida Keys zonk. Ze kreeg haar naam van de parochie Atocha in de Spaanse hoofdstad Madrid. Ze had een lading aan boord met een in 1985 geschatte waarde van 400 miljoen dollar. Die bestond uit koper, goud, zilver, tabak, edelstenen, juwelen en indigo van de Spaanse havens in Cartagena, Portobelo in Nieuw Granada en Havana en was op weg naar Spanje.

Een samenloop van omstandigheden zorgde er voor dat het schip laattijdig de haven van Veracruz kon verlaten en zich te voegen bij een eskader Spaanse schepen die in Havana op haar wachtte. Na nog meer oponthoud kon het 28-schepen tellende konvooi de haven op 4 september 1622 verlaten, zes weken later dan voorzien.

Op 6 september dreef een zware orkaan de Atocha op de koraalriffen bij Dry Tortugas, ongeveer 56 km ten westen van Key West. De romp van het schip raakte zwaar beschadigd en ze zonk snel. Iedereen aan boord, 265 man, kwam om behalve drie matrozen en twee slaven.

Gevolgen van het verlies[bewerken]

De schepen die de orkaan hadden doorstaan brachten het nieuws van de ramp terug naar Havana. De Spaanse autoriteiten zonden vijf schepen in een poging om de lading van de Atocha te redden en de Santa Margarita die vlakbij de Atocha aan land was gelopen. Atocha lag in 18 m diep water en de duikers konden haar niet vinden. Een tweede orkaan in oktober bemoeilijkte de reddingsoperatie verder omdat het wrak over een groter gebied verspreid geraakte.

De Spanjaarden poogden nog een aantal jaren om de Atocha te vinden. Met de hulp van slaven slaagden ze erin om bijna de helft van de lading van de Margarita te bergen die in ondieper water lag. Het verlies had een onmiddellijke impact op Spanje, dat verplicht werd om geld te lenen om verder haar rol te kunnen spelen in de Dertigjarige Oorlog en moest ook een aantal schepen verkopen.

Berging en dispuut[bewerken]

De Amerikaanse schattenjager Mel Fisher en een team van onderaannemers zochten gedurende zestien en een half jaar naar de Atocha. Fisher was er in 1980 in geslaagd een deel van de verloren lading van de Margarita te bergen. Duikers werdern afgeschrikt door het feit dat hun lonen laag bleven zolang de Atocha niet werd ontdekt. Op 20 juli 1985 werd de Atocha en haar fabelachtige schat tenslotte gevonden. Het was Mel Fishers zoon Kane die het nieuws van de ontdekking via een radiobericht naar de kust van Florida zond. Volgens experten is het achterkasteel waar de kapitein van het schip verbleef niet teruggevonden. Dit is de plaats waar de grootste kostbaarheden werden bewaard. Een belangrijk deel van de lading zou nog steeds niet geborgen zijn.

De gouden en zilveren munten werden hoofdzakelijk tussen 1598 en 1621 geslagen. Ook oudere munten werden teruggevonden die tot dan toe onbekend waren.

Na de ontdekking van de schat eiste de Amerikaanse staat het bezit van het wrak en zijn inhoud op en de staat Florida legde beslag op veel van de door Fisher gevonden voorwerpen. Na acht jaar procederen kreeg hij van het Hooggerechtshof van de VS uiteindelijk zijn vondsten terug.

Het kanon in het Archivo General del Indias[bewerken]

Na een bezoek in 1976 van koningin Sophia van Spanje ter gelegenheid van de onafhankelijkheidsviering van de VS schonk Fisher een van de twintig geborgen kanonnnen aan Spanje. Het staat nu opnieuw in Sevilla, de plaats waar het in 1616 werd gegoten. Het draagt de inscriptie: Don Phelipe III, Rei des España, Don Juan de Mendoza, su Captitán General de la Artellería, 1616.

Externe link[bewerken]