Plasma-eiwitbinding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De plasma-eiwitbinding is het gedeelte van een geneesmiddel of lichaamseigen stof dat aan plasma-eiwitten in het bloed is gebonden. Toegediende geneesmiddelen kunnen net als lichaamseigen stoffen zoals calcium met de aanwezige plasma-eiwitten een binding aangaan. Er is dan een gedeelte dat is gebonden aan plasma-eiwitten en er is een ongebonden, vrije fractie. Alleen het niet-gebonden gedeelte van het geneesmiddel is farmacologisch actief. Ook bij de omzetting in de lever en bij de eliminatie via de nieren wordt alleen de ongebonden fractie verwerkt. De gebonden fractie vormt zo een soort van reservoir van het geneesmiddel, dat weer vrij kan komen als de binding reversibel is.

Van de plasma-eiwitten bestaat ongeveer 70% uit het albumine.[1]

Farmacologische relevante effecten van de plasma-eiwitbinding treden pas op als de gebonden fractie boven de 90% komt. Een klassiek voorbeeld is dat van het geneesmiddel fenylbutazon met een bindingspercentage van 98%. Bij een dergelijk hoog bindingspercentage is zo’n geneesmiddel in staat om op zijn beurt andere stoffen uit hun plasma-eiwitbinding te verdringen en zo geneesmiddeleninteracties te veroorzaken.

Ook kan bij ziektes zoals ondervoeding, leverziekten, en nierziekte de plasma-eiwitbinding verlaagd zijn omdat er minder plasma-eiwitten beschikbaar zijn. De vrije fractie van het geneesmiddel is dan groter dan normaal te verwachten is en een sterk gebonden geneesmiddel werkt dan extra sterk.

Bronnen, noten en/of referenties