Slaghoedje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slaghoedjes

Een slaghoedje is (bij centraalvuurpatronen) een metalen dopje waarin zich slagsas, lood(II)azide of kwikfulminaat bevindt, dat door wrijving ontsteekt en een vlam geeft die het ontbranden van het kruit in een patroon tot gevolg heeft. De slag van de slagpin deukt het slaghoedje in, waardoor het slagsas tussen slaghoedje en aambeeld "gemangeld" wordt.

Als uitvinders van het slaghoedje worden de Schot Alexander Forsyth in 1805 of 1807 en de Londense wapenmaker Joseph Egg in 1815 genoemd. De slaghoedjes zoals door Forsyth uitgevonden waren bestemd voor gebruik met voorlaadgeweren van het percussiestelsel; men noemt deze slaghoedjes percussieslaghoedjes.

Bij de moderne metalen eenheidspatroon bevindt zich een slaghoedje achter in het midden van een patroonhuls. Deze patronen worden centraalvuurpatronen genoemd. Er zijn ook patronen waarbij het slagsas zich in een rand aan de achterzijde van de patroon bevindt. Deze worden randvuurpatronen genoemd. Deze rand is hierbij integraal onderdeel van de patroon en niet een los onderdeel zoals bij het slaghoedje het geval is. Ook bestaat er nog de ouderwetse penvuurpatroon, bijvoorbeeld als losse patroon voor 2 mm Berloque-pistooltjes. Bij penvuurpatronen ligt het slaghoedje in de huls en een stift die (meestal aan de zijkant) uit de huls steekt draagt bij het afschieten de energie van een haan over aan het slaghoedje, dat vervolgens ontsteekt.

Slaghoedjes van centraalvuurpatronen kunnen na afvuren verwijderd en vervangen worden waarna de patroonhuls opnieuw gevuld kan worden met kruit en er een nieuwe kogel in de huls geplaatst kan worden, het zogenaamde herladen. Enkel centraalvuurpatronen hebben slaghoedjes en kunnen dus herladen worden; randvuurpatronen zijn voor eenmalig gebruik.