Tien kleine negertjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Tien kleine negertjes is de Nederlandse titel van de roman Ten Little Niggers (1939), het bestverkochte boek van Agatha Christie. Het boek wordt in de Verenigde Staten sinds 1940 onder de titel And Then There Were None uitgegeven en is in 1965 in het Verenigd Koninkrijk hernoemd tot Ten Little Indians.

Het boek werd in 1943 door Christie bewerkt tot een toneelstuk. Het is ook een aantal keer verfilmd.

Nederlandse uitgaven[bewerken]

De eerste druk onder de titel Tien kleine negertjes verscheen in 1948 bij Sijthoff, de achttiende druk onder deze titel in 1994 bij Luitingh-Sijthoff. In 2004 verscheen bij deze uitgeverij een nieuwe druk onder de titel En toen waren er nog maar.... Bij de Brusselse uitgeverij Lefrancq verscheen in 1996 een Nederlandse vertaling (door Frank Leclercq) van de Franse stripbewerking van François Rivière. De toneelversie is vertaald door Jan Hulsegge en uitgegeven bij toneeluitgeverij Vink.

Het verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Het boek speelt op een eilandje voor de Engelse kust. Tien personen krijgen een uitnodiging van een vage kennis om een weekend in een landhuis op het eiland door te brengen. Op de eerste avond krijgen de tien gasten via een grammofoonplaat te horen dat ze stuk voor stuk worden beschuldigd van een misdaad. Meteen daarna valt de eerste gast dood neer. Als een aantal uren later een tweede gast dood wordt gevonden slaat de angst toe. Er is een moordenaar en daar ze slechts met zijn tienen op het eiland zijn is de moordenaar één van hen.

Opmerkelijk[bewerken]

In de Engelse versie wordt in de uitnodigingen ondertekend met U.N. Owen gebruikt. Deze naam is in de Nederlandse versie vertaald naar N.I. Manth, wat in spreektaal een gelijk resultaat oplevert.

Kinderversje[bewerken]

De titel is afgeleid van een kinderversje waarin na elke strofe een negertje verdwijnt. In het boek wordt dit gegeven gebruikt doordat na elke moord ook een beeldje van de schoorsteenmantel verdwijnt.

Tien kleine negertjes gingen uit eten langs verre wegen.
Eén stikte in zijn drankje – toen waren er nog negen.
Negen kleine negertjes praatten tot diep in de nacht,
Eén kon niet wakker worden – toen waren er nog acht.
Acht kleine negertjes kwamen op een eiland aangedreven,
Eén zei, dat hij niet verder wou – toen waren er nog zeven.
Zeven kleine negertjes kapten hout met een kapmes,
Eén sloeg zichzelf in tweeën – toen waren er nog zes.
Zes kleine negertjes hielden een honingbedrijf,
Eén werd gestoken door een bij – toen waren er nog vijf.
Vijf kleine negertjes kregen met het recht gemier,
Eén kwam terdege in de knoei – toen waren er nog vier.
Vier kleine negertjes gingen naar zee en zie,
Eén rode haring verzwolg er een – toen waren er nog drie.
Drie kleine negertjes gingen naar Artis mee,
Eén grote beer drukte er een fijn – toen waren er nog twee.
Twee kleine negertjes gingen naar het zonnebad heen,
Eén schroeide de zon een gat in zijn bast – toen was er nog maar één.
Eén klein negertje bleef helemaal alleen.
Hij hing tenslotte zich maar op – dus bleef er toen niet één.