Vermogen (economie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het vermogen van een persoon of een bedrijf is de waarde van alle bezittingen, verminderd met de waarde van alle schulden. Bij bedrijven spreekt men van eigen vermogen.

Bezittingen kunnen bestaan uit spaargeld, aandelen en obligaties, antiek, auto's, sieraden, een eigen woning. Bezittingen die bij een normaal huishouden horen, zoals kleding, beddengoed, keukengerei, een PC, een televisie etc. worden niet bij het vermogen gerekend.

In Nederland werd over het vermogen van particulieren in het verleden vermogensbelasting betaald, naast een inkomstenbelasting op ontvangen rente. Met de herziening van het belastingstelsel op 1 januari 2001 is de vermogensbelasting vervallen en vervangen door een belasting op het fictieve rendement dat het vermogen oplevert, de vermogensrendementsheffing. Omdat het fictieve rendement wordt belast zou men ook kunnen stellen dat dit feitelijk wel een vermogensbelasting is, terwijl de (werkelijke) inkomsten zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting. Men zou dan kunnen stellen dat de 4% en de 30% afzonderlijk niet van belang zijn, en dat het alleen gaat om het product, 1,2%. Echter, voor inkomensafhankelijke regelingen is de 4% wel van belang (zie ook onderaan).

[bewerken] Vermogenstoetsen

Een vermogenstoets in de sociale zekerheid houdt in dat vermogen een beletsel kan zijn voor een recht op uitkering. In de sociale zekerheid in Nederland is er de vermogenstoets in de Wet werk en bijstand.

Verder is er geen recht op huurtoeslag als het vermogen volgens de regels van box 3 plus de (in box 3 vrijgestelde) maatschappelijke beleggingen, beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen, groter is dan het heffingvrije vermogen van box 3.

De Wet op de rechtsbijstand (Wrb) bepaalt dat geen rechtsbijstand wordt verleend als het vermogen volgens de regels van box 3 groter is dan het heffingvrije vermogen. Hierbij gelden de vrijstellingen dus wel. Aangezien de overwaarde van het eigen huis in box 1 valt speelt deze, anders dan bij de WWB, hier geen rol.

Aanhangig zijn de Wijziging van de Wet op de zorgtoeslag, in verband met de introductie van een vermogenstoets[1] en de Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met bezuiniging op het kindgebonden budget[2] die voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget (kgb) een andere, maar onderling dezelfde vermogenstoets invoeren: er is geen recht op als het vermogen volgens de regels van box 3 groter is dan het heffingvrije vermogen plus € 80.000; bij fiscale partners gaat het om het gezamenlijke vermogen en het gezamenlijke heffingvrije vermogen, maar geldt de € 80.000 maar één keer. Ook hier gelden de vrijstellingen dus wel en speelt het eigen huis in box 1 geen rol. De bedoeling is invoering in 2013.

Bij diverse regelingen is er geen vermogenstoets, maar speelt het vermogen in box 3 wel een rol bij een inkomensafhankelijke eigen bijdrage, doordat het forfaitaire rendement (4%) meetelt als inkomen.

Voorbeelden:

  • Als een alleenstaande blijvend verblijft in een verzorgingstehuis (zie eigen bijdrage AWBZ) is het marginale tarief volgens welke vermogen moet worden afgestaan per jaar 4% min 1,2% is 2,8%, plus 2% is 2,856%, min 8% of 16% is 2,63% of 2,40%. Als bijvoorbeeld het werkelijke bruto rendement op het vermogen 3% is moet men dus (gezien de 1,2% belasting) per jaar 0,83% of 0,60% interen.
  • Binnen bepaalde grenzen voor wat betreft het verzamelinkomen veroorzaakt inkomen een verlaging van het kindgebonden budget van 7,6% van dat inkomen. Vermogen boven de heffingsvrije voet veroorzaakt dus (gezien het forfaitaire rendement van 4%) per jaar een verlaging van het kindgebonden budget van 0,304% van dat vermogen.

In een persbericht van 07-10-2011 is aangekondigd dat mensen met een vermogen vanaf 1 januari 2013 meer eigen bijdrage voor de AWBZ en de Wmo gaan betalen. Er staat "Mensen met aanzienlijke vermogens betalen tot nu toe dezelfde eigen bijdrage als anderen." (Blijkbaar wordt bedoeld dat dit geldt wanneer wordt afgezien wordt van het feit dat het vermogen via het forfaitaire rendement het inkomen waarmee wordt gerekend verhoogt en daardoor ook de eigen bijdrage.) Vanaf 1 januari 2013 zal 4% van het box 3 vermogen bij het bijdrageplichtige inkomen extra worden meegeteld. Dit bedrag geldt als indicatie voor de vermogenspositie van de verzekerde. Het wetsvoorstel ligt voor advies bij de Raad van State en is dus nog niet openbaar.[3] Het bijdrageplichtige inkomen is het inkomen waar de bijdrage van is afgeleid. Bij de AWBZ kan een verhoging van het bijdrageplichtige inkomen bijvoorbeeld een verhoging van de eigen bijdrage met zich mee brengen van 85,68% (102% - 16% hiervan) van de verhoging van het bijdrageplichtige inkomen, of 93,84% (102% - 8% hiervan), en bij de Wmo 10% (15% - 33% hiervan).

Nog een aantal aanspraken die niet als vermogen gelden zijn een aanspraak op een al of niet ingegane lijfrente of een al of niet ingegaan pensioen, en een in box 3 vrijgestelde kapitaalverzekering.

[bewerken] Geschiedenis

De Overgangswet verzorgingshuizen (bij indiening nog getiteld Overgangswet bejaardenoorden) uit 1996 bracht verzorgingstehuizen onder de AWBZ, waarbij de vermogenstoets verviel. Voordien was er wel een vermogenstoets bij verzorgingstehuizen, maar net als nu toen ook al niet voor verpleegtehuizen.


Referenties
Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen