Wet van de non-contradictie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Wet van de non-contradictie, het beginsel van non-contradictie of het principium non contradictionis is een logische stelling van Aristoteles, die stelt: "iemand kan niet zeggen dat een ding iets is en dat het iets niet is op dezelfde wijze op hetzelfde moment". Dit beginsel stelt dat een bewering en zijn ontkenning nooit tegelijk waar kunnen zijn.[1] In de symboliek van de propositielogica wordt dit uitgedrukt als:

 \neg (P \wedge \neg P).\!

Letterlijk: Het is niet het geval („¬“), dat de uitspraak P juist is, en („∧“), dat uitspraak P niet („¬“) juist is.

Dit principe werd door Aristoteles voorgesteld in Metafysica Gamma als een fundamenteel principe van het menselijk denken, met onder andere de Wet van de uitgesloten derde, waarmee de vraag naar de verhouding tussen metafysica en logica, ofwel, de prioriteit van het kenvermogen ten opzichte van het algemene zijn, ter discussie gesteld wordt. In de post-kantiaanse filosofie zijn logica en metafysica methodisch stringenter gescheiden, maar toch geldt het nog als logisch principe in de klassieke logica en in vele eigentijdse logische systemen.

Als dit principe wordt overtreden, geldt ex falso sequitur quodlibet: uit een tegenspraak kan elke gewenste uitspraak worden afgeleid.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Harry Willemsen (1991), Woordenboek filosofie, lemma "Non-contradictie", p.302.

Externe links[bewerken]

  • (en) Contradiction, door Laurence Horn in de Stanford Encyclopedia of Philosophy.