Aanloopinrichting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een aanloopinrichting zorgt ervoor dat aanloopstroom van een elektrische motor wordt beperkt, zodat geen ontoelaatbare spanningsdaling in het net wordt veroorzaakt, en dat geen grote stroompieken worden geïnduceerd, hierdoor wordt de netvervuiling verminderd.

Elektrische systemen[bewerken]

Aanzetweerstanden
Tijdens het aanlopen worden drie gelijke weerstanden in serie gezet met de statorwikkeling. Doordat de impedantie toeneemt zal de aanloopstroom afnemen. Als de motor eenmaal is aangelopen worden de weerstanden overbrugd met een contactor. Nadeel van deze methode is het extra vermogensverlies dat ontstaat in de weerstanden.
Voor de komst van de thyristor-regelingen werden aanzetweerstanden ook veel toegepast om zware gelijkstroommotoren aan te laten lopen.
Aanzettransformator
Gebruik van een driefasen-spaartransformator in serie met de statorwikkeling. Het koppelverloop van spoelen is gunstiger dan van weerstanden, maar een transformator is duurder.
Ster-driehoekschakeling
Hierbij wordt de statorwikkeling eerst in ster geschakeld en vervolgens, nadat de motor is aangelopen, in driehoek. De aanloopstroom is dan gemiddeld 2,5 keer de Inom (nominaalstroom). Wanneer de motor aan zou lopen in driehoek, zal deze tot 8 à 12 keer Inom zijn. De ster-driehoekschakeling wordt veel toegepast om (grote) kooiankermotoren zoals de kortsluitankermotor (K.A.) en de speciaalkortsluitankermotor (S.K.A.) te laten aanlopen.
Rotorweerstanden
Deze methode is alleen toepasbaar bij sleepringankermotoren en niet bij kooiankermotoren. Door de aanloopweerstanden in serie met de rotorwikkeling te zetten zal de motor aanlopen met een hoog koppel bij een lage aanloopstroom. Tijdens het aanlopen worden de weerstanden in stappen uitgeschakeld totdat ze de rotorwikkeling kortsluiten. Ook bij deze methode is het grote vermogensverlies in de weerstanden nadelig.

Elektronische systemen[bewerken]

Softstarter
Met behulp van vermogenselektronica wordt de uitgangsspanning in een softstarter geleidelijk door faseaansnijding opgeregeld. Voordelen van een softstarter zijn het soepel aan- en uitlopen en het begrenzen van de aanloopstroom. Door de verlaagde uitgangsspanning is het aanloopkoppel ook laag.
Frequentieregelaar
Met de frequentie van de uitgangsspanning is de snelheid van de motor te regelen. Door ook de uitgangsspanning te regelen kunnen met een frequentieregelaar ook zwaar belaste motoren aanlopen. Echter is een frequentieregelaar alleen interessant bij een frequentie boven de 20Hz, omdat de koelvinnen van een draaistroommotor gemonteerd zijn aan de as bieden deze bij een frequentie van 20Hz, en/of lager, geen ideale omstandigheid. De frequentieregelaar zorgt voor lagere aanloopstromen, in tegenstelling tot direct inschakelen van 8-12 x I nominaal heeft de frequentieregelaar aanloopstromen van 1,5-2 x I nominaal. Het is dan ook vanzelfsprekend dat een installatie met een frequentieregelaar ook energiezuiniger is dan een installatie met een direct inschakelen component.