Asset-liability management

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term asset-liability management wordt gebruikt in de beleggerswereld en is te omschrijven als: het proces van het verkrijgen van inzicht in de onderlinge afhankelijkheden in de ontwikkeling van rechten en verplichtingen van een organisatie. In het jargon wordt de term vaak afgekort tot ALM.

Het uiteindelijke doel van ALM is het verkrijgen van een zodanige situatie dat waardeontwikkelingen aan beide kanten van de balans van een organisatie zo veel mogelijk "gelijk op lopen". Hoewel ALM in diverse soorten organisaties kan worden gebruikt, is het het meest ingeburgerd bij pensioenfondsen. In deze bijdrage wordt dan ook van die situatie uitgegaan.

De balans van een pensioenfonds bestaat aan de activakant uit een beleggingsportefeuille, met op enig moment een bepaalde marktwaarde, en aan de passivakant uit een hoeveelheid verplichtingen, te weten de in de toekomst te betalen pensioenen, alsmede een zeker eigen vermogen, in de branche vaak als "het surplus" aangeduid. In een theoretisch (uit dit oogpunt) perfecte situatie zou een omstandigheid die een daling van de waarde van de beleggingen teweeg brengt, tevens moeten zorgen voor een evenredige daling van de waarde van de verplichtingen. Alsdan is er geen sprake van een aantasting van het surplus.

Dergelijke perfecte correlaties tussen de waardeontwikkeling aan beide zijden van de balans bestaan uiteraard slechts in theorie. Bij een ALM-studie tracht men te modelleren hoe de vermoedelijke ontwikkeling van die onderdelen van de balans zal zijn, bij verschillende macro-economische scenario's.

Deze informatie wordt gebruikt bij het doen van uitspraken omtrent de vermoedelijke ontwikkeling van de financiële positie van het betrokken pensioenfonds.

Bij een ALM-studie worden vier deelgebieden onderscheiden:

  • De thans bestaande pensioenregeling: hoe ziet die eruit ten aanzien van zaken als indexatie van lopende pensioenen? Is er een onvoorwaardelijke indexatie toegezegd, of hoeft indexatie alleen plaats te vinden indien de financiën het toelaten?
  • Het premiebeleid: welke fluctuaties in de pensioenpremie zijn toegestaan; is de "sponsor" (meestal de werkgever) verplicht om bij (dreigende) tekorten extra stortingen te doen?
  • Het beleggingsbeleid: welke afspraken zijn er omtrent de samenstelling van de beleggingsportefeuille, en welke rendementen kunnen er, op basis van historische gegevens, bij diverse combinaties verwacht worden? (Zie hiervoor ook moderne portefeuilletheorie.)
  • Het macro-economische model: welke verbanden kunnen er getraceerd worden ten aanzien van zaken als BNP-groei, beleggingsrendementen, inflatie, valutaschommelingen en dergelijke, en de ontwikkeling van de andere deelterreinen?

Uiteindelijk moeten deze gebieden 'aan elkaar gekoppeld worden' in een model waarin gemodelleerd wordt welke effecten een wijziging in het ene gebied heeft op de andere gebieden. Doel hiervan is een inzicht te krijgen in de 'gevoeligheden' van de financiële gezondheid van het pensioenfonds. Een wellicht niet eens extreem voorbeeld zou zijn dat indien overgestapt zou worden van defined benefits op defined contribution, een groot deel van de gevoeligheid voor fluctuaties in het beleggingsrendement zou worden afgewenteld op de (huidige en toekomstige) pensioengerechtigden, zodat het pensioenfonds zelf daarvan niet of nauwelijks negatieve effecten zou ondervinden.

De typische ALM-studie zal dan een groot aantal macro-economische scenario’s doorrekenen (met steeds andere combinaties van bijvoorbeeld hoge en lage groei, hoge en lage inflatie, hoge en lage rendementen) en voor elk scenario de ontwikkeling van de financiële positie van het pensioenfonds voor een reeks van jaren (meestal enkele decennia) weergeven.In totaal worden er vele scenarios’s, tot enkele honderden, doorgerekend. Verder kunnen de gevolgen van beleidswijzigingen ("stel dat we van onvoorwaardelijke indexatie overstappen op voorwaardelijke indexatie, wat is het resultaat daarvan op de ontwikkeling van de dekkingsgraad?") doorgerekend worden.

Die financiële positie wordt dan, enigszins versimpeld, uitgedrukt in de dekkingsgraad: een cijfer dat de verhouding aangeeft tussen de bezittingen en de verplichtingen van het pensioenfonds. per scenario wordt het verloop van die dekkingsgraad berekend en weergegeven. Indien de dekkingsgraad 100% is, zijn de bezittingen even groot als de verplichtingen, en is het surplus dus 0. Uiteraard is het zeer onwenselijk als de dekkingsgraad beneden 100% komt te liggen. De simulaties in een ALM-studie bevatten dan ook uitspraken omtrent de statistische kans dat zoiets over een bepaalde periode zich zal voordoen.

Aan de hand hiervan kan het bestuur van het pensioenfonds keuzes maken ten aanzien van het beleggingsbeleid, het premiebeleid en het pensioenbeleid.

Een ALM-studie is vanaf circa 2000 beschouwd als een onmisbaar instrument voor het bepalen van het lange-termijn beleid van een pensioenfonds, zelfs in die mate dat de toezichthouder op deze sector, De Nederlandsche Bank (voor 2004 afzonderlijk DNB (voor toezicht op de bancaire sector) en de Pensioen- en Verzekeringskamer (voor toezicht op de pensioen- en verzekeringssector)), sterk op dergelijke studies aandringt. Aan de andere kant: het is ook weer geen 'Haarlemmerolie': het is een poging om gevoeligheden inzichtelijk te maken, en de resultaten zijn sterk afhankelijk van de gehanteerde uitgangspunten (met name ten aanzien van de rendementen van de diverse categorieën beleggingen en de correlaties daartussen). Benadrukt moet worden dat het geen voorspellende waarde heeft in de zin van: "Als het vermogen belegd wordt in 60% aandelen, 20% onroerend goed en 20% obligaties, dan zal het rendement over de komende 30 jaar met 99% zekerheid 6,9% bedragen." Iets dergelijks kan niet van een ALM-studie verwacht worden.

Hoewel ALM-studies, zoals opgemerkt, vooral bij pensioenfondsen worden gehanteerd, komen ze ook bij andere bedrijfstakken voor, zoals verzekeringsmaatschappijen en woningbouwcorporaties. Het uitvoeren van een ALM-studie wordt door het bestuur van de betreffende organisatie meestal opgedragen aan een daarin gespecialiseerd bureau, dat daarbij uiteraard samenwerkt met de betreffende organisatie (met name met de actuarissen, economen, econometristen en beleggingsdeskundigen daarvan).

Zie ook: pensioenfonds, moderne portefeuilletheorie, Benchmark (financieel).