Astronomisch zicht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Voorbeeld van een ster, gezien door een telescoop (vertraagde weergave)
Atmosferische storingen bij het waarnemen van een maankrater (losse opnames op verschillende momenten)

Astronomisch zicht (Engels: seeing, van to see, zien) is de in de astronomie gebruikte term voor de invloed (onscherpte, „twinkelen”) van atmosferische storingen (turbulentie) op het zicht door telescopen. Het zicht is een van de grootste problemen bij astronomische waarnemingen vanaf de aarde.

De gebruikelijke maat voor het astronomisch zicht is de diameter van de zichtcirkel, d.i. het schijfje dat de telescoop vormt van een voorwerpspunt. Als diameter wordt gewoonlijk de diameter genomen waarop de intensiteit de helft van de maximale waarde heeft (full width at half maximum, FWHM). Deze diameter is een maat voor de best bereikbare hoekresolutie (scheidend vermogen) die haalbaar is met een telescoop bij een lange belichtingstijd. Hij komt overeen met de diameter van het onscherpe schijfje dat men ziet wanneer men door de telescoop naar een verre ster kijkt. De grootte van dit schijfje wordt bepaald door de zichtcondities ten tijde van de waarneming. De beste condities geven een zichtcirkel met een diameter van ca. 0,4 boogseconden.

Terwijl grote telescopen theoretisch een scheidend vermogen van enkele milli-boogseconden hebben (het Airy-schijfje), zal het werkelijke beeld nooit beter zijn dan de gemiddelde zichtcirkel ten tijde van de waarneming, al gauw vele honderden maal slechter dan het theoretisch mogelijke.

Sinds de jaren 1990 wordt adaptieve optiek gebruikt die deze effecten mede kan verminderen, waarmee het scheidend vermogen van telescopen op aarde aanzienlijk kan worden verbeterd.

Merk op dat een „goed” zicht wordt weergegeven door een kleinere getalwaarde, en een „slecht” zicht door een grotere getalwaarde.

Goede telescooplocaties[bewerken]

Voor een zo groot mogelijke kans op goed astronomisch zicht worden aan locaties voor grote telescopen bijzondere eisen gesteld, zoals:

  • Zo veel mogelijk wolkenloze nachten. Dit vereist een relatief ijle en droge lucht. Deze wordt vooral op grotere hoogte gevonden, zo mogelijk boven de wolken (inversielaag).
  • Stabiele temperatuur. Door de grote warmtecapaciteit van water heeft de nabijheid van grote zeeën een stabiliserende invloed op de temperatuur.
  • Weinig wind en weinig luchtturbulentie.
  • Ver van bebouwing, waardoor er minder stof in de lucht zit.
  • Weinig omgevingslicht („lichtvervuiling”).

Het zijn vooral hooggelegen plaatsen op niet al te dicht bevolkte eilanden, zoals zoals Hawaï (Mauna Kea) en de Canarische Eilanden (La Palma) en dergelijke, en in niet ver van een oceaan gelegen woestijngebieden, zoals de Atacamawoestijn in Noord-Chili (Paranal, Las Campanas e.a.) die hieraan voldoen.

Ook wordt gedacht aan bepaalde hooggelegen plaatsen op Antarctica, waar de lucht ten gevolge van de lage temperatuur ook droog is. Besturing van de apparatuur op (zeer) grote afstand is hier vrijwel onontkoombaar.

Externe links[bewerken]