Belang (recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

In het procesrecht is het belang het voordeel dat een eiser kan verkrijgen uit zijn rechtsvordering. Het is een voorwaarde opdat de vordering toelaatbaar zou zijn (pas d'intérêt, pas d'action). Aan welke criteria dit voordeel moet voldoen, verschilt van rechtsstelsel tot rechtsstelsel. Door een tendens naar verruiming komen collectieve belangen meer en meer in aanmerking voor procesvoering.

België[bewerken]

Algemeen[bewerken]

Een nadere omschrijving van belang is te vinden in het verslag van koninklijk commissaris Charles Van Reepinghen:[1]

Het belang bestaat in ieder stoffelijk of zedelijk voordeel – effectief maar niet theoretisch – dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik waarop hij ze aanhangig maakt, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komt vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis.

De rechterlijke macht is er niet om consultaties te houden over juridische eventualiteiten, maar om geschillen te beslechten die een daadwerkelijke weerslag hebben op de rechtstoestand van de partijen. Daarom raakt het belang ook de openbare orde: de rechter kan de afwezigheid van belang ambtshalve opwerpen, al maakt geen enkele partij er een probleem van. Wel vergt het recht van verdediging dat partijen steeds de gelegenheid krijgen er debat over te voeren.

Wetgeving[bewerken]

De vereiste van een belang is opgenomen in artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, dat verder ook hoedanigheid als ontvankelijkheidsvoorwaarde vooropstelt. In 2018 is deze bepaling aangevuld om ook de rechtsvorderingen toe te laten van rechtspersonen die zich inzetten voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.[2]

Artikel 18 preciseert verder:

Het belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn.
De rechtsvordering kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

In een aantal bijzondere wetten zijn de regels versoepeld om het verdedigen van een collectief belang op specifieke gebieden toe te laten. Zo kan elke Belg sinds 1911 het beplanten van een industriële grondontginning eisen.[3] Ook kunnen belangenverenigingen sinds 1981 in rechte treden om de toepassing van de Antiracismewet af te dwingen, wanneer dit verband houdt met hun statutaire opdracht.[4] In 1993 kregen ecologische verenigingen het recht in kortgeding op te komen tegen inbreuken op de milieuwetgeving.[5]

Internationale rechtbanken[bewerken]

De internationale rechtsorde kende lange tijd geen rechtbanken, en toen die er kwamen waren ze voorbehouden aan staten. Verdragen kenden geen rechten met directe werking toe aan burgers, waardoor individuen geen belang konden aantonen voor een internationale rechtbank. Daar kwam voor het eerst verandering in met de oprichting van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 1959. Aanvankelijk hadden belanghebbende individuen enkel toegang tot het hof als ze daartoe door hun land waren gerechtigd en voor zover hun eis niet naar het Ministercomité werd verwezen, maar in 1998 werden deze beperkingen opgeheven.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Voetnoten[bewerken]