Carboneren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Carboneren, carbonitreren, inzetharden of cementeren is een warmtebehandeling waarbij de oppervlaktelaag van ijzer of staal wordt met koolstof of een combinatie van koolstof en stikstof om het te harden. Daarvoor zijn verschillende technologieën, zoals kamer-ovens, doorlopende ovens, zoutbaden en lagedruksystemen beschikbaar.

Inzetharden beslaat in de meeste gevallen drie afzonderlijke processtappen. In de eerste stap worden de werkstukken blootgesteld aan koolstof of koolstof en stikstof in een omgeving met een temperatuur van 800 tot 1050 °C. De tweede stap, het blussen, vindt plaats ofwel direct na de eerste stap of na een tussenliggende koelperiode waardoor het werkstuk de vereiste temperatuur bereikt. Het gloeien is de derde stap, een behandeling die tot doel heeft om de hoogste spanningen in de materiaalstructuur te verlichten en de gevoeligheid voor slijpscheuren te verminderen.

Het principe bestaat uit het samengloeien van smeedijzeren voorwerpen met koolpoeder (houtskool, beenderkool en later cokes). Hierdoor neemt het oppervlak van de voorwerpen koolstof op en wordt hard.

Op kleine schaal werd dit proces in smederijen toegepast. Het stond bekend als aanzetten. Al in het begin van de 18e eeuw bedacht Réaumur de cementeeroven. Hierin werd het proces op grotere schaal uitgevoerd. Smeedijzeren staven, in kisten verpakt, werden gedurende 8 à 10 dagen in koolpoeder gegloeid. Het koolstof drong door het gehele voorwerp heen en zo werd een hard, maar bros, materiaal verkregen.

Toepassingsgebieden[bewerken | brontekst bewerken]

  • Klepconstructie
  • Automobielfabricage
  • Bevestigingstechnologie
  • Mijnbouw
  • Drukpersfabricage
  • Rails-technologie
  • Elektrotechniek
  • Energie- en reactortechnologie
  • Vliegtuigbouw
  • Fabricage van huishoudelijke apparaten
  • Hydrauliek en pneumatische industrieën
  • Instrumentatie- en controletechnologieën
  • Textielindustrie
  • Defensie-industrie

Voor oppervlakteharding geschikte staalsoorten zijn ongelegeerd of gelegeerd staal met een koolstofinhoud minder dan ruwweg 0,25%. Voor het blussen moet de oppervlaktelaag van deze staalsoorten gecarburiseerd of gecarbonitreerd worden.

Werkstuk voor oppervlakteharding[bewerken | brontekst bewerken]

Oppervlakteharding staal (C ≤ 0,25%)

  • makkelijk te bewerken
  • makkelijk te lassen
  • buitengewone taaiheid

Werkstuk na oppervlakteharding[bewerken | brontekst bewerken]

Kernzone (C ≤ 0,25%)

  • taai en buigzaam
  • verbeterde gebruiks eigenschappen
  • (taaiheid en, wanneer van toepassing, sterkte)

Oppervlaktelaag (C = 0,70 tot 0,90%)

  • hard en slijtvast
  • verbeterde resistentie tegen metaalmoeheid
  • vibratiestress.

Gedeeltelijke oppervlakteharding is mogelijk door de toepassing van insulatietechnieken.