Deeltijds

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Deeltijdfactor)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De term deeltijds (parttime) wordt vooral gebruikt ten aanzien van werken. Een deeltijdse functie omvat minder uren dan een voltijdse werkweek met evenwel een minimum aantal werkuren (in België 1/3 van een volledige werkweek,[1] in Nederland 12 uur per week om als 'werkend' opgenomen te worden in het Centraal Bureau voor de Statistiek). De omvang van een deeltijdse baan (deeltijdfactor) wordt aangegeven met de rekeneenheid voltijdsequivalent (voltijds is 1 vte of 100% deeltijdpercentage)

Soms is voor een werknemer slechts deeltijdwerk beschikbaar, al of niet door de aard van de functie. Een werknemer kan ook op eigen verzoek deeltijds werken in een functie waarin hij/zij ook voltijds had kunnen worden aangenomen of blijven werken. Als de werknemer ook nog een omvangrijker baan heeft dan wordt de minder omvangrijke baan een nevenfunctie of bijberoep genoemd. Er zijn ook mensen die als gevolg van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid deeltijds gaan werken. Voor de werkgever heeft deeltijds werk alst voordeel dat werknemers elkaar gemakkelijker kunnen vervangen; het nadeel is de toename van de personeelsadministratie en de hoge vaste kosten per werknemer.

In Nederland gaan gehuwde en samenwonende vrouwen met (jonge) kinderen vaak deeltijds werken om meer tijd aan gezin en hobby's te kunnen besteden. Alleenstaande moeders werken relatief vaker voltijds. Bij de geboorte van het eerste kind blijft de meerderheid van de Nederlandse vrouwen werken. In 2007 bijvoorbeeld werkte 85% van de vrouwen voor de geboorte van het eerste kind, 33% bleef voltijds werken; 33% schakelde over op deeltijds en 10% stopte met werken.[2] Onder mannen is het aantal deeltijdwerkers ook groeiende. In 2003 bestond 46% van de banen op de Nederlandse arbeidsmarkt uit deeltijdbanen. Daarmee loopt het land voorop in Europa.[3] In Vlaanderen liggen de getallen lager: in 2004 werkte ongeveer 20% van de werknemers deeltijds.[4] In 2016 werkte 27% van de Belgen deeltijds.[1]