Derde Javaanse Successieoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hernieuwde kraton in Surakarta uit 1740 maar met toren

De Derde Javaanse Successieoorlog was een oorlog die woedde van 1749 tot 1755 op Java.

De derde Javaanse successie-oorlog leidde tot de verscheuring van Mataram. Het land werd in twee en later in drie, alleen in naam onafhankelijke 'Vorstenlanden', verdeeld: Soerakarta, Jogjakarta en Mangkoenegara.

De oorzaak van de derde Javaanse successieoorlog was de slechte behandeling door gouverneur-generaal Van Imhoff van de broer van de Soesoehoenan Pakoeboewono II van Soerakarta. Deze Mangku Bumi of Mangka Boemi, kwam in opstand tegen de VOC, die hem in zijn ogen gekleineerd had, en tegen zijn broer, die hij als al te toegevelijk tegenover de Nederlanders beschouwde (1749). Mangku Bumi werd in zijn strijd tegen de Nederlanders gesteund door zijn neef Raden Mas Saïd, een briljant militair, die al langer een guerillastrijd tegen de VOC voerde.

Op zijn sterfbed liet Pakoeboewono II zijn rijk, Mataram, als erfenis aan de VOC na, omdat hij zijn broer niet als troonopvolger wilde hebben (1750). Mangku Bumi, die zichzelf als de rechtmatige troonopvolger zag, eiste hierop de titel van soesoehoenan op. De VOC zette van haar kant een machteloze marionet, Pakoeboewono III van Soerakarta op de troon. Door het volk van Mataram werd Mangku Bumi, als vorst Hamengkoeboewono genoemd, als de enige echte heerser van Mataram en als een vrijheidsstrijder beschouwd. Na een jarenlange wisselende strijd met veldslagen bij Grobogan en Demak, leden de Nederlanders onder de Clerck een verpletterende nederlaag bij de Bogowonto rivier (1751). Hierna besloot gouverneur-generaal Mossel om vredesonderhandelingen met Hamengkoeboewono aan te knopen. Deze leidden uiteindelijk tot het sluiten van het 'Verdrag van Giyanti' (1755), genoemd naar de plaats ten oosten van Soerakarta waar de onderhandelingen plaatsvonden: Het rijk van Mataram werd hierbij verdeeld tussen beide strijdende partijen. De oude hoofdstad Kartasura, die als gevolg van de broederstrijd die er had plaatsgevonden als een met onheil beladen plaats werd beschouwd, werd verlaten.

De aan de Nederlanders getrouwe Pakoeboewono III, stichtte als Soesoehoenan een nieuwe kraton in Soerakarta en bestuurde het oostelijke deel van Mataram (Kasoenanan Solo of Soerakarta) (1750 -1788). Aan de andere kant regeerde Hamengkoeboewono I als sultan over de westelijke helft van Mataram, en hij bouwde ten noorden van de oude hoofdstad Kartasura, zijn nieuwe kraton Jogjakarta (Kasultanan Jogjakarta) (1755-1792). Mas Said gaf de strijd echter niet op voor ook aan hem een deel van Mataram als 'Vorstenland' werd gegeven: Hij regeerde als Mangkoenegara, bouwde zijn eigen kraton in de nabijheid van Soerakarta/Solo en kreeg vooral gebieden in het uiterste zuidoosten van Mataram als zijn erfdeel (Mangkoenegaran) (1757-1796).