Die Brücke (1959)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Die Brücke
De brug
Filmposter
Filmposter
Regie Bernhard Wicki
Producent Hermann Schwerin
Scenario Bernhard Wicki
Michael Mansfeld
Karl-Wilhelm Vivier
Hoofdrollen Folker Bohne
Fritz Wepper
Muziek Hans-Martin Majewski
Montage Carl Otto Bartning
Cinematografie Gerd von Bonin
Première 1959
Genre Oorlog, drama
Speelduur 105 minuten
Taal Duits
Land Vlag van de Bondsrepubliek Duitsland West-Duitsland
(en) IMDb-profiel
MovieMeter-profiel
Portaal  Portaalicoon   Film

Die Brücke is een Duitse anti-oorlogsfilm van Bernhard Wicki uit 1959, met in de hoofdrollen Fritz Wepper en Folker Bohne

De film is gebaseerd op de een jaar daarvoor verschenen roman van Manfred Gregor over diens belevenissen in de oorlog. "Die Brücke" is een van de meest gelauwerde Duitse speelfilms van na de oorlog. Wicki laat zien hoe Duitse jongens onder het nationaalsocialisme verwrongen idealen krijgen aangepraat, waardoor ze waanideeën over heldendom gaan koesteren die onafwendbaar leiden tot de door de machthebbers valselijk als eervol voorgestelde "dood voor het vaderland".

Naast een groot aantal filmprijzen, kreeg de film ook een Oscar voor de Beste Buitenlandse film. Het gevolg van deze onderscheiding was dat regisseur Bernhard Wicki werd gevraagd om mee te werken aan de The Longest Day.

Verhaal[bewerken]

Die Brücke, de filmposter
Illustrator Helmuth Ellgaard

April 1945, de laatste oorlogsdagen. In een klein Duits stadje staan zeven zestienjarige jongens uit dezelfde schoolklas aan de vooravond van hun diensttijd. Elk van hen heeft een andere sociale achtergrond. Walter is de zoon van een Ortsgruppenleiter, en schaamt zich voor de lafheid van zijn vader, die bovendien zijn vrouw bedriegt. Jürgen heeft zich als jongste telg uit een officiersgezin vrijwillig voor de dienst aangemeld om in de voetsporen van zijn gesneuvelde vader te treden. Karl woont in de kapperszaak van zijn in de oorlog gewond geraakte vader en ontdekt tot zijn ontgoocheling dat zijn vader een verhouding heeft met de door hem aanbeden leerling-kapster in de zaak. Klaus, die met zijn medescholiere Franziska bevriend is, en Hans zijn vanwege de geallieerde luchtaanvallen elders in Duitsland als evacués in het stadje terechtgekomen. Albert en Sigi wonen allebei nog thuis bij hun moeder, terwijl hun vaders aan het front zijn. Als de jongens zich onder aansporing van Jürgen daadwerkelijk voor de militaire dienst aanmelden, zijn de meeste volwassenen — moeders, leraren en de plaatselijke politieagent — wanhopig en verbijsterd. Maar niemand durft iets in te brengen tegen hun aanmonstering in het leger. De jongens zelf daarentegen verheugen zich op het "avontuur" dat hun te wachten staat en kijken er reikhalzend naar uit zich eindelijk "in de strijd te kunnen bewijzen om het vaderland te redden". Voor Karl en Walter is de diensttijd bovendien een mooie gelegenheid om zich aan de conflicten thuis te kunnen onttrekken.

Een dag nadat de jongens onder de wapens zijn geroepen dringt hun leraar, decaan Stern, er bij de officier van dienst, Hauptmann Frölich, op aan om ze weer te laten gaan. Frölich wijst zijn verzoek echter af omdat hij zijn bevelen moet opvolgen en omdat hij de schooldecaan mede verantwoordelijk houdt voor de geestdrift van de jongens voor de oorlog; de dood van Sterns eigen zoon enkele dagen eerder aan het front is volgens Frölich namelijk mede te wijten aan zijn verheerlijking van het heldendom. Mocht er in de volgende nacht alarm worden geslagen, dan zullen dus ook de jonge rekruten, die slechts één dag basistraining hebben gehad, moeten meevechten, want de situatie is zeer precair geworden nu de Amerikanen een bres in de linies hebben geslagen. Niettemin zoekt Frölich op het laatste moment toch naar een mogelijkheid om de jongens voor het ergste te behoeden. Zijn bataljonscommandant, Oberstleutnant Bütov, houdt hij voor dat deze veel te jonge en slecht opgeleide soldaten bij het eerste schot op de vlucht zullen slaan en daarmee een hele compagnie in paniek kunnen brengen. Na enige aarzeling laat Bütov zich door deze argumenten overtuigen en geeft hij opdracht om de jongens in te zetten bij de verdediging van een onbelangrijke brug in hun eigen stadje. Zelf zijn zij daar niet blij mee, omdat ze veel liever in de voorste linies zouden meestrijden. Ze worden onder bevel van de ervaren onderofficier Heilmann geplaatst, die ervoor moet zorgen dat ze de brug verlaten voordat de vijand aanvalt, aangezien die sowieso opgeblazen zal worden en de Amerikanen iets noordelijker al een bruggenhoofd veroverd hebben. Wanneer Heilmann die nacht even koffie gaat halen zonder zijn geweer mee te nemen, wordt hij echter door de militaire politie voor een deserteur aangezien en op de vlucht doodgeschoten.

Hoewel ze zowel door een oudere man als door zich terugtrekkende soldaten gewaarschuwd worden, beschouwen de ongewild aan hun lot overgelaten jongens hun opdracht als een "verplichting tegenover het vaderland". Ze blijven daarom op hun post, aanvankelijk nog in de hoop dat hun onderofficier zal terugkeren. Wanneer Hans uiteindelijk voorstelt om toch maar naar huis te gaan, komt Jürgen daar fel tegen in verzet. Op gebiedende toon haalt hij zijn vrienden over zich niet als "lafaards" te gedragen en dus bij de brug te blijven.

Al snel worden ze met de harde werkelijkheid van de oorlog geconfronteerd. Wanneer in de verte een vijandelijke jager voorbij vliegt, werpt Siegfried, (bijnaam "Sigi", omdat hij de jongste en de kleinste van de groep is), zich op de grond, waarop zijn vrienden hem uitlachen. De jager keert echter terug en voert een aanval op de brug uit. Ditmaal zoekt de hele groep dekking, terwijl Siegfried met wijd opengesperde ogen blijft staan kijken en dodelijk wordt getroffen. Kort daarna raken ze in gevecht met een vooruitgeschoven eenheid van de oprukkende Amerikaanse troepen. Jürgen wordt gedood door een scherpschutter en Walter komt om bij de explosie van een door hem afgevuurde pantsergranaat.

Een gewonde Amerikaanse soldaat roept naar de jongens: "Give up, stop shooting! We don't fight kids! Go home or go to kindergarten!". Al eerder hadden de jongens van hun medesoldaten en officieren allerlei toespelingen op hun jonge leeftijd moeten aanhoren. Gekrenkt door de term "kindergarten" vuurt Karl daarom met zijn machinegeweer op de gewonde Amerikaan. Diens buik wordt opengereten en in zijn doodsstrijd schreeuwt hij het uit van de pijn. Karl kan echter geen gehoor geven aan de vertwijfelde smeekbede van zijn kameraad Klaus om de Amerikaan een genadeschot te geven, omdat hij op dat moment zelf door een schot in het hoofd wordt gedood. Klaus krijgt hierdoor een zenuwinzinking die hem fataal wordt: volledig in de war loopt hij het vijandelijke vuur tegemoet. De Amerikanen trekken zich ten slotte vanwege de felle tegenstand terug, zij het niet voor lang.

Wanneer de brug, die de jongens met zulke grote offers verdedigd hebben, uiteindelijk toch volgens plan opgeblazen dreigt te worden, stellen Hans en Albert, de laatste overlevenden, zich te weer tegen de geniesoldaten die de springladingen komen plaatsen. Na een korte woordenwisseling schiet Albert een van de drie soldaten in de rug omdat hij Hans met een wapen bedreigt. De andere twee vluchten, maar weten Hans nog wel met een salvo uit een pistoolmitrailleur te raken. Ook Hans sterft, en zo blijft er op de verlaten brug één jongen achter, gewond en mentaal een wrak. De film eindigt in stilte, met een shot vanuit de lucht op het apocalyptische strijdtoneel. Dan verschijnt de volgende tekst in beeld: "Dit gebeurde op 27 april 1945. Het was zo onbeduidend dat geen enkel legerbericht er melding van maakte".

Rolverdeling[bewerken]

Prijzen[bewerken]

De film werd in 1960 vijfmaal met de Duitse filmprijs onderscheiden: "Gouden Schaal" (wisseltrofee)

  • Beste avondvullende film

"Gouden filmspoel"

  • Edith Schultze-Westrum, beste vrouwelijke bijrol
  • Cordula Trantow, beste jeugdige vrouwelijke rol
  • Bernhard Wicki, regie
  • Hans-Martin Majewski, beste filmmuziek

In 1989 kreeg Bernhard Wicki bij het veertigjarige bestaan van de Bondsrepubliek nog eens de bijzondere filmprijs van de Duitse Bondsrepubliek.

Daarnaast werd de film bekroond met een Oscar voor de beste buitenlandse film, genomineerd voor beste buitenlandstalige film, en nog op diverse andere manieren geprezen in binnen- en buitenland.

Achtergrond[bewerken]

  • De film werd gedraaid in het stadje Cham in Oberpfalz, in het bijzonder bij de oude Florian-Geyer-Brug over een zijarm van de rivier de Regen. Omdat Bernhard Wicki de film in juli moest draaien, terwijl het verhaal in april speelt, liet hij enkele bomen in het gezichtsveld van de camera ontdoen van hun blad. Het arbeidsbureau stelde hiervoor werkkrachten ter beschikking. De oorspronkelijke Florian-Geyer-Brug werd in 1991 om bouwtechnische redenen afgebroken. Bij de huidige brug zijn aan de bruggenhoofden koperen platen ingemetseld, waarin scènes uit de film gegraveerd zijn. Op de terreinen van het Chamer Joseph-von-Fraunhofer-Gymnasium werden tijdens de lesuren opnamen gemaakt, die speelden voor een Duitse kazerne.
  • Geen van de gebruikte tanks was echt, het was in die tijd onmogelijk een Amerikaanse tank voor een film beschikbaar te krijgen. Bernhard Wicki gebruikte modellen uit hout, waarvan er maar een gemotoriseerd was. Deze moesten na een treffer van een pantsergranaat zeer snel 90 graden draaien, wat gebeurde met lange lijnen en zwenkwielen onder de modellen. Daarvoor waren 30 tot 40 helpers nodig, het was moeilijk om de lijnen uit beeld te houden. Wanneer men goed oplet kan men onder de tankmodellen de dubbellucht wielen van een vrachtauto herkennen. Ook al bij de eerste nadering van een Sherman-tank zijn de iets naar binnen gelegen wielen goed te zien. Bij dichtbijopnamen wordt het zicht op de onderkant van de tank door een dekzeil weggenomen.
  • De geplande draaitijd was drie weken, het werden drie maanden. Steeds moest er opnieuw meer geld ingestoken worden. De film moest ook nog tegen hoge kosten opnieuw ingesproken worden, omdat Wicki de acteurs voor een lopende camera regie-aanwijzingen toeriep.
  • Wicki spaarde zijn jonge acteurs tijdens het draaien niet. Hij dreef ze bij moeilijke scènes tot geestelijke en fysieke uitputting, maar beloonde ze daarna wel met koffie en koek, of sloeg een arm om ze heen, omdat het het hem toch speet, en hij zich schaamde om zulke onorthodoxe middelen te gebruiken. Zo gooide hij zand in hun ogen, of gaf ze een draai om hun oren ze wanneer ze bij moeilijke gevechtsscènes moesten huilen.

Commentaren[bewerken]

Na de première op 22 oktober 1959 beschreef de Süddeutsche Zeitung Die Brücke als een van de hardste en bitterste anti-oorlogsfilms uit de geschiedenis. De volgens een andere krant, de Weser Kurier, "eerlijkste en meest schokkende Duitse film over de Tweede Wereldoorlog tot nu toe" werd echter door een groot gedeelte van het bioscooppubliek niet als een anti-oorlogsfilm ervaren. De journalist Klaus Norbert Scheffler wees Wicki er in een open brief in de Deutsche Woche op dat vooral jonge kijkers de film helemaal niet als een anti-oorlogsfilm zagen en juist genoten van de geweldscènes. Filmhistorica Lotte Eisner zag in Die Brücke zelfs een verheerlijking van de Hitlerjugend-ideologie. Maar volgens de recensent Enno Patalas was Die Brücke in vergelijking met soortgelijke films uit die tijd verreweg de duidelijkste aanklacht tegen de oorlog en werd het heroïsche beeld van de dood op het slagveld door middel van bikkelharde geweldscènes tot de grond toe afgebroken.