Emeritaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Emeritus)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Emeritaat is het pensioen van een geestelijke, hoogleraar of magistraat. Emeritus is een Latijns woord dat letterlijk vertaald 'uitgediend' betekent; de gangbare betekenis in het Nederlands is 'rustend', zo spreekt men bijvoorbeeld van een emeritus-pastoor of pastoor-in-ruste.

Wetenschap[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Emeritus hoogleraar voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een hoogleraar met emeritaat kan de titel 'emeritus professor' (em. prof. of prof. em.) of 'emeritus hoogleraar' voeren. Dit geldt niet voor een hoogleraar die vóór het pensioen na een al dan niet tijdelijke aanstelling is gestopt. Veel hoogleraren blijven ook na hun pensioen wel actief in hun vakgebied, en ze blijven vaak ook verbonden aan hun instelling, vaak in de vorm van een nulaanstelling of gasthoogleraarschap. Gewoonlijk verrichten emeriti dan geen beheers- of bestuurstaken meer, en vaak geven ze ook geen onderwijs meer. Emeriti blijven vaak actief bezig met wetenschappelijk onderzoek, bezoeken congressen, en treden op als promotor, waarbij ze promovendi begeleiden bij het schrijven van hun proefschrift.

Geestelijkheid[bewerken | brontekst bewerken]

Een pastoor of bisschop met emeritaat kan de titel 'emeritus pastoor' (em. Bisschop. of past. em.) of 'emeritis bisschop' voeren. Bij priesters en bisschoppen betekent het emeritaat dat de geestelijke niet langer verplicht is zijn bisdom, parochie of missie te bedienen of besturen, en vervangen wordt. Emeriti geestelijken blijven echter veelal op kleinere schaal actief in de bedieningen van de sacramenten of in besturen; bisschoppen consacreren soms nog andere bisschoppen, priesters celebreren veelal nog de H. Mis of sluiten nog huwelijken.

Bij predikanten betekent emeritering dat iemand geen eigen gemeente meer heeft. Men behoudt echter het recht om in kerkdiensten voor te gaan en de sacramenten, doop en avondmaal, te bedienen.

Emeritaat kan ook wegens ziekte worden verleend, en in de praktijk vragen de meeste predikanten die iets anders gaan doen emeritaat aan, zij treden niet werkelijk af.

Op 26 februari 2013 werd duidelijk dat paus Benedictus XVI na zijn aftreden de titel van paus emeritus draagt.[1] Het aftreden van een paus was sinds 1415 niet meer voorgekomen.

Buitenland[bewerken | brontekst bewerken]

In het buitenland wordt het emeritaat ook toegekend, wanneer men zich uit een functie terugtrekt, bijvoorbeeld: een president of minister-president, of een organist met veelal een respectabel aantal dienstjaren, kan zich emeritus of emerita noemen.[2][3] Dit laatste valt ook in Nederland te constateren.[4]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]