Fin de siècle

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een kunstwerk van Alfons Mucha in de Art-nouveau stijl, die vaak het het fin de siècle geassocieerd wordt

Het fin de siècle (Frans voor 'eind van de eeuw'), ook wel belle époque genoemd, is een periode in de West-Europese cultuur die doorgaans gesitueerd wordt tussen circa 1880 en 1914. Over het precieze begin van deze periode bestaat vrij veel speculatie. Over het algemeen is men het er over eens dat de periode van het einde van de negentiende eeuw en het begin van de 20e eeuw liep. Hoewel het begrip in Frankrijk bedacht werd en voor een typisch Frans levensgevoel staat, bedoelt men er de gehele hele Europese cultuur mee.

De Parijse wereldtentoonstelling van 1889 wordt vaak als begin van de belle époque gezien, al kan men bepaalde typische elementen ook verder terug in de tijd plaatsen. Sommige gaan zelfs terug tot 1870, maar over het algemeen ziet men het begin van de Belle époque tussen 1880 en 1890. Men duidt ermee vooral de economische en maatschappelijke stabiliteit aan het einde van de 19de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw mee aan. De term zou voor het eerst in deze betekenis gebruikt zijn in het Franse tijdschrift Le Décadent in 1886. De periode vond zijn einde bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en werd gekenmerkt door tweeduidigheid; enerzijds het goede leven van toegenomen welvaart bij sommigen, het feestelijke en frivole van de belle époque, het geloof in een toekomst die alleen maar beter kan worden door de sterke ontwikkeling van wetenschap en techniek, en anderzijds angst voor wat komen gaat, fascinatie voor verval en dood, de neiging tot decadentisme en weltschmerz.

Maatschappij[bewerken]

Het maatschappelijke leven kent een hoop veranderingen in deze periode, zowel op economisch, politiek als technologisch vlak.

Economie[bewerken]

Een hele hoop sociale ontwikkelingen deden zich voor gedurende de Belle époque, wat resulteert in een afname van kinderarbeid en vrouwenarbeid, algemeen stemrecht (voor mannen), betere arbeidsomstandigheden, meer koopkracht en over het algemeen dus erg gunstige economische omstandigheden. Dit ging gepaard met een erg grote groei van de middenstand en een economische stabiliteit (al is die ook maar relatief, extreme armoede en onderdrukking waren nog steeds zichtbaar aanwezig in het maatschappelijke leven. Men was ook net bekomen van een economische crisis die reeds vanaf 1870 woedde over de gehele wereld. De nieuwe middenstand kende een nieuw soort koopkracht, waarbij zij ook oog kregen op kunst en luxeproducten. Ook de ongelijkheid tussen man en vrouw werd nu gaandeweg kleiner. Al waren er er een aantal activiteiten in het openbare leven die specifiek voorbehouden bleven voor vrouwen.

Toerisme[bewerken]

Postkaart van de Chateau Royale d'ardenne 1900

Een nieuwe trend was het toerisme. Dit bestond natuurlijk reeds langer, al was het eerder voorbehouden aan de maatschappelijke elite. In de belle époque maakte het grote publiek, door de hierboven beschreven groei van de middenstand, echter meer en meer kennis met deze activiteit. Vele landen en steden prezen zichzelf aan met behulp van reclamecampagnes, ansichtkaarten en het organiseren van wereldtentoonstellingen en andere grootschalige culturele activiteiten. Om de nieuwe toestroom aan toeristen aan te kunnen werden over heel Europa, zowel in de steden als meer bosrijke gebieden en bergketens nieuwe hotels en spoorlijnen aangelegd. Ook voor de elite evolueerde het toerisme. Staatshoofden gingen investeren in grote buitenhuizen en kastelen, waar ze ook regelmatig gasten ontvingen. België is een goed voorbeeld van de vernieuwde toeristische activiteit. Onder koning Leopold II werden over heel het land toeristische faciliteiten georganiseerd. Hij wilde vooral de Belgische kust, Brussel en de Ardennen in de verf zetten. Naast de verschillende nieuwe musea kwamen er nieuwe stations, spoorlijnen, theaters en hotels bij, waaronder het Chateau Royal d'Ardenne te Houyet. Daarnaast werden er in die periode vele ansichtkaarten uit heel België gemaakt.

Technologie[bewerken]

Gedurende het fin de ciècle vonden er enorm veel technologische innovaties plaats. Naast vele nieuwe industriële ontwikkelingen was dit ook het tijdperk van de luchtvaart, met onder andere de uitvinding van het vliegtuig, en de zeppelin. In de steden zag men de opkomst van de elektrische tram, die een efficiënter alternatief vormden voor de paardentram of de stoomtram. Ook de auto vormde een vernieuwing in het straatbeeld. De populariteit ervan groeide spectaculair op korte tijd. In 1895 was het zien van een auto nog iets zeer bijzonders, in 1912 werden er geproduceerd op grote schaal en begon ze aan het veroveren van de straat. Onder het straatbeeld vormde de metro het nieuwe transportmiddel in de grootste wereldsteden als Londen en Parijs. De elektriciteit vond ook meer en meer de weg naar de gemiddelde burger. Naast tal van nieuwe vindingen ondervonden reeds bestaande vindingen een sterke golf van innovaties. De fotografie evolueerde van een moeilijk en gebruiksonvriendelijk proces naar een eenvoudig medium dat weldra ook zijn weg vond naar de particulier. Hetzelfde geld voor de schrijfmachine en vele productietechnieken in de industrie.

Politiek[bewerken]

Het fin de siècle valt samen met de periode die bekend staat als de 'gewapende vrede'. Naast de economische kent men dus ook een relatieve militaire stabiliteit. (al dan niet latente) Conflicten waren dan wel niet uitgesloten, vanaf de jaren 1870, kende Europa tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog geen grote conflicten meer. Van volledige politieke stabiliteit kan men echter niet spreken. De opkomst van nieuwe politieke stromingen als het socialisme, Marxisme en het anarchisme baarden de elite (vaak terecht) grote zorgen. Anderzijds zag men ook de groei van eerder nationalistische groeperingen.

Kunst en cultuur[bewerken]

De maatschappelijke stabiliteit aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zorgde voor een gunstig milieu voor de ontwikkeling van de kunst. Een bijkomende factor is ook het toerisme dat nu goed op gang kwam, waardoor vele steden en landen zichzelf ook uitdrukkelijk gingen aanprijzen, door grootschalige kunsttentoonstellingen, opvallende architectuur en het benadrukken van landschappelijke troeven. Op vele kunstvlakken gingen kunstenaars echter ook op zeer eigenzinnige wijze nieuwe kunstvormen ontwikkelen, die ook steeds abstracter werden, en zich distantieerden van de bestaande of gangbare stijlen. De meest bekende voorbeelden hiervan zijn de jugendstil, Het impressionisme en het kubisme.

Architectuur[bewerken]

Algemeen[bewerken]

De architectuur uit deze periode wordt gekenmerkt door de bouw van vele monumentale gebouwen in verschillende steden over heel Europa. Veel van deze gebouwen werden gebouwd als prestigeproject van de stad of staat waarin ze zich bevonden, niet zelden onder invloed van politici of staatshoofden. Het gaat hier dan om gebouwen als musea, theaters, treinstations, paleizen, ravissante luxehotels, monumenten en tentoonstellingsgebouwen. Onder meer het Station Antwerpen-Centraal, de Eiffeltoren, het Jubelpark te Brussel, de Basilique du Sacré-Cœur (Parijs) op Montmartre ,het koninklijk museum voor midden Afrika in Brussel, Het Hongaarse Parlementsgebouw te Budapest en vele andere gebouwen in verschillende Europese steden zijn hier bekende voorbeelden van. Anderzijds werden ook oudere gebouwen gerestaureerd en/of gemoderniseerd om de authenticiteit en het pittoreske gehalte ervan in de verf te zetten. Keerzijde van de medaille is natuurlijk dat de aanzienlijke kapitalen die hiervoor nodig waren vaak in de koloniale gebieden gezocht werden.

Art Nouveau[bewerken]

Ook de eerder 'kleinschalige' architectuur kende grote vernieuwing vanaf de jaren '90 van de 19de eeuw. Vooral de komst van de Art nouveau, een stijl die men kan rekenen tot de jugendstil, valt enorm op. Deze stijl wordt gekenmerkt door een organische, niet zelden asymmetrische architectuur, waarbij veel gebruik wordt gemaakt van metalen elementen. Ook in het interieur van deze huizen komen de typische art-nouveau structuren vaak terug. Deze stijl vindt men niet enkel in de huizenbouw, maar ook in meubels, vazen en andere kunstvoorwerpen. De art-nouveau kent zijn hoogtepunt rond de eeuwwisseling, wanneer de stijl ook in de openbare architectuur erg populair wordt en zich massaal verspreid over heel Europa. Brussel, en met uitbreiding België, vormde het centrum van deze stijl, met enkele wereldbefaamde architecten als Victor Horta en Henry Van de Velde. Ook Wenen, Barcelona en Parijs vond men vele architecten en kunstenaars die zich bij deze stijl aansloten. De Art-nouveau was helaas geen erg lang leven beschoren. Na de eerste wereldoorlog werden er haast geen gebouwen in deze stijl meer gebouwd. Een andere stijl, de Art-déco, begon nu aan zijn opmars. Vooral in Brussel zijn er nog zeer veel art-nouveau gebouwen bewaard gebleven, waaronder het atelier van Victor Horta. Een ander bekend voorbeeld van deze stijl zijn de trappenhallen van de Parijse metro.

Beeldende kunst[bewerken]

Fotografie en cinema[bewerken]

Georges Méliès, pionier in de filmgeschiedenis

De meest opvallende innovatie op vlak van beeldende kunsten is de ontwikkeling van de film. De cinematograaf van de Gebroeders Lumière wordt vaak gezien als de start van dit nieuwe medium, hoewel ze niet de uitvinders van de film zijn. Thomas Alva Edison bedacht namelijk eerder de kinetoscoop. De Lumières waren echter de eersten die met een technisch superieur toestel de film aan het brede publiek voor te stellen, waardoor de film immens populair werd. De eerste films waren echter slechts banale fragmentjes, zonder verhaal, die meer als kermisspektakel bedoeld waren. Goochelaar Gorges Méliès, net als de Lumières een Fransman, bracht hierin verandering. Eveneens rond de eeuwwisseling begon hij met het maken van korte films, waarbij hij als eerste gebruik maakte van verhaallijnen, indrukwekkende decors, montage en speciale effecten. Ook hij werd hiermee erg populair, al moest hij later het onderspit delven voor de concurrentie van de Amerikaanse Film. Vele regisseurs volgden zijn voorbeeld en betekenden de opmars van de cinema in de wereld.

Ook de fotografie als kunstvorm kwam op in de belle époque. Daarnaast werden er rond de eeuwwisseling massaal postkaarten gedrukt met daarop afbeeldingen van bekende stadsgezichten, landschappen, en monumenten, bedoeld als souvenir voor toeristen en om de stad ook in het buitenland aan te prijzen.

Schilderkunst[bewerken]

Het fin de siècle wordt natuurlijk onlosmakelijk geassocieerd et het impressionisme. Vele kunstenaars gingen zich in deze periode distantiëren van de meer gangbare schilderstijlen en vooral van de romantiek, die in de 19de eeuw erg populair was. Kunstenaars als Renoir en Monet lieten de impressie primeren op de realistische weergave.

De Jugendstil is ook eigen aan de belle époque. Naast kunstwerken op doek, vindt men de jugendstil ook vaak terug in de reclame en publiciteit. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de publiciteitsposters van Mucha, die echter ook gewone werken maakte, in dezelfde stijl.

Enkele bekende schilders uit het Fin de siècle zijn:

Literatuur[bewerken]

Bekende namen in de literatuur en het theatergebeuren in de belle époque zijn onder meer:

Muziek[bewerken]

De verspreiding van de muziek kende door Edisons Fonograaf een grote opmars. Het werd namelijk mogelijk om muziek te verspreiden via cilindervormige dragers die op de fonograaf konden afgespeeld worden. De grammofoonplaat ontstond pas later in zijn huidige vorm.

Enkele bekende componisten zijn:

Externe link[bewerken]