Bloedbad van Banda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Genocide op Banda)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bloedbad van Banda
Onderdeel van de Nederlandse verovering van de Banda-eilanden
Het dorp en eiland Lontor (Banda Besar) op een foto in de 20e eeuw.
Datum 7 maart – eind 1621
Locatie Lontor (Banda Besar)
Resultaat Nederlandse overwinning
Strijdende partijen
Flag of the Dutch East India Company.svg Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) Bandanese strijders
Leiders en commandanten
Jan Pieterszoon Coen Onbekend
Troepensterkte
  • 1905 Europese troepen
  • 286 Aziatische hulptroepen
  • 45 schepen
2000 verdedigers[1]

2500–3000 burgers[2]

Verliezen
  • 7+ dood
  • 31+ gewond
  • 2500–2800 dood[2]
  • 1700 slaaf gemaakt[2]

Het bloedbad van Banda was de ontvolking van het Banda-eiland Lontor (heden Banda Besar) in 1621 door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen van de VOC als onderdeel van de Nederlandse verovering van de Banda-eilanden.

Coen oordeelde dat de Engelse bemoeienis en inheemse weerstand tegen de Nederlandse commerciële suprematie van nootmuskaat in de Bandanese archipel voor eens en altijd verpletterd diende te worden. Daarom schreef hij op 16 oktober 1620 een brief naar de Heren XVII waarin hij verklaarde: 'Om hierin naar behoren te voorzien is het nodig dat Banda opnieuw overmeesterd en met andere mensen bevolkt gaat worden.'[2] Zoals voorgesteld instrueerden de Heren XVII hem om de Bandanezen te onderwerpen en hun leiders uit het land te verdrijven.[3]

Invasie[bewerken | brontekst bewerken]

De VOC-vloot van Batavia vertrok aan het eind van 1620.[1] Hij kwam eerst aan op Ambon, waar hij versterkt werd door extra soldaten en boten voordat hij verder ging naar Banda.[3] De vloot bestond uit 19 schepen, 1655 Europese soldaten en 286 Aziatische hulptroepen onder het persoonlijk bevel van Jan Pieterszoon Coen.[1] Op 21 februari 1621 arriveerde de vloot in Fort Nassau op Banda Neira, waar het aangevuld werd door het 250 man sterke garnizoen en 36 inheemse boten.[4]

Nadat hij zonder succes op de eilanden Run en Ai had geprobeerd om Engelsen te rekruteren, zond Coen verkenners naar de kustlijn van Lontor (heden Banda Besar), het grootste eiland van Banda. De verkenningsmissie duurde twee dagen; tijdens de missie kwamen sommige VOC-boten onder kanonsvuur van de inheemse verdedigers. De verkenners ontdekten versterkte posities aan de zuidkust en op de heuvels, maar konden nergens een geschikt bruggenhoofd vinden voor een amfibische aanval. Op 7 maart landde er een VOC-verkenningseenheid op het eiland, maar deze werd aangevallen en teruggedreven nadat zij een dode en vier gewonden leed.[5]

Op 11 maart beval Coen een beslissende aanval. Hij verdeelde zijn strijdkrachten in verschillende groepen die meerdere punten op het eiland tegelijk binnenvielen. De indringers namen in korte tijd strategische punten in en tegen het einde van de dag de noordelijke laaglanden en de zuidelijke voorgebergten. De verdedigers en lokale bevolking vluchtten naar de heuvels in het midden van het eiland, achtervolgd door de Nederlanders. Aan het einde van 12 maart hadden de Nederlanders het hele eiland bezet, waarbij ze 6 doden en 27 gewonden opliepen.[6]

Tijdelijke vrede[bewerken | brontekst bewerken]

Na dit aanvankelijke Nederlandse succes wenste de Lontorese aristocratie (de orang kaya) vrede. Ze boden Coen geschenken aan en accepteerden alle eisen van de VOC. Ze zegden toe om hun wapens over te geven, hun vestingen te ontmantelen en gijzelaars over te dragen. Ze aanvaardden de soevereiniteit van de VOC, de bouw van een aantal VOC-forten op het eiland, beloofden een deel van hun oogst af te dragen en de rest uitsluitend aan de VOC te verkopen voor een vaste prijs. In ruil hiervoor zegden de Nederlanders de Lontorezen toe dat ze persoonlijke vrijheid, autonomie en het recht om de islam te blijven belijden zouden krijgen.[7][8][2]

Hervatting van de vijandelijkheden[bewerken | brontekst bewerken]

"De gevluchte Bandanezen zouden graag vrede sluiten, maar omdat zij hun wapens niet eerst willen overgeven, vinden wij het niet geraden met hen een verdrag te sluiten," schrijft Coen op 6 mei 1621 in een verslag.

Terwijl de orang kaya en de VOC vrede sloten, vluchtten de meeste eilanders naar de heuvels en begonnen schermutselingen met de Nederlanders uit te voeren. Coen reageerde hierop door dorpen plat te branden en de inwoners te dwingen om voor de VOC te werken.[7]

Op 21 april dwongen de Nederlanders door middel van marteling de orang kaya om bekentenissen af te leggen dat zij hadden samengezworen tegen de Nederlanders.[9] Coen wist tenminste 789 orang kaya en hun familieleden gevangen te nemen en liet hen naar Batavia deporteren, waar sommigen slaaf werden gemaakt.[10][8] Op grond van de beschuldigingen dat zij verdragen hadden geschonden en een samenzwering hadden gesmeed, werden 24 orang kaya ter dood veroordeeld en op 8 mei door Japanse huurlingen onthoofd.[2] De executies slaagden er echter niet in om het inheemse verzet te smoren,[2] dus Coen beval zijn troepen om het eiland schoon te vegen en alle dorpen te verwoesten om de bevolking tot overgave te dwingen.[10]

De daaropvolgende maanden waren de Nederlanders en Lontorezen in een verwoede strijd verwikkeld. Vele inheemsen die de verwoesting door de Nederlanders zagen, besloten liever te sterven van de honger of door van de rotsen te springen dan zich over te geven.[8]

Slachtoffers[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Coen stierven er "ongeveer 2500" inwoners "door honger en ellende of het zwaard", "een goed stel vrouwen en kinderen" werden gevangengenomen en hooguit 300 wisten te ontsnappen.[10] Straver (2018) concludeerde dat de Lontorese bevolking ongeveer 4500 à 5000 mensen zou hebben geteld, waarvan er 50 tot 100 tijdens de gevechten sneuvelden, 1700 tot slaaf werden gemaakt en 2500 omkwamen door honger en ziekte, terwijl een onbekend aantal inheemsen vanaf de rotsen hun dood tegemoet sprong; enkele honderden ontsnapten naar naburige eilanden zoals de Kei-eilanden en Oost-Seram, hun regionale handelspartners, die de overlevenden verwelkomden.[2]