Herman Hollerith

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herman Hollerith

Herman Hollerith (Buffalo (New York), 29 februari 1860Washington D.C., 17 november 1929) was een Amerikaans uitvinder van onder andere de ponskaart.

Biografie[bewerken]

Hollerith was de zoon van Duitse immigranten, en ging op 15-jarige leeftijd naar het City College of New York. Hij studeerde op 19-jarige leeftijd af van de Columbia School of Mines.

De eerste baan van Hollerith was bij de U.S. Census effort, het bureau dat de volkstelling in de VS van 1880 moest uitvoeren. Later heeft Hollerith werktuigbouwkunde gedoceerd op het Massachusetts Institute of Technology en heeft hij voor het U.S. Patent Office gewerkt. In 1896 heeft Hollerith de Tabulating Machine Company opgericht, de voorloper van Computer Tabulating Recording Company (CTR). Tot zijn pensionering in 1921 heeft hij nog als adviseur voor CTR gewerkt. In 1924 veranderde CTR haar naam in IBM - the International Business Machines Corporation.

Ontwikkeling ponskaart[bewerken]

In de tijd dat Hollerith voor het censusbureau werkte werd dit bureau voor de opgave gesteld de volkstellingen in een aanvaardbare tijd uit te werken. De uitwerking van de volkstelling van 1880 duurde zeven jaar, en de bevolking van de VS nam explosief toe. De gegevens van de volkstellingen waren grondwettelijk noodzakelijke basisdata voor het samenstellen van bijvoorbeeld het Huis van Afgevaardigden.

Via het censusbureau kwam Hollerith in contact met Dr. John Shaw Billings, die Hollerith mede inspireerde tot zijn uitvinding. Billings heeft hem gewezen op het weefgetouw van Joseph Jacquard, dat ingewikkelder patronen in het weven introduceerde met behulp van kartonnen platen met gaten daarin. Billings heeft het idee geleverd van het werken met kaarten met gaten in de rand die dan voor bepaalde eigenschappen van een individu moesten staan.

Op basis van dit idee is Hollerith aan de gang gegaan. Zijn eerste ontwerp was een machine die werkte op basis van een papieren band met gaten. De band liep over een trommel, en wanneer er een gat in de band zat kon middels een elektrisch contact geteld worden. Per individu gaf een rij van gaten, een record, een aantal eigenschappen aan.

Een groot voordeel van deze machine was het gebruik van elektriciteit, dat maakte de machine veel betrouwbaarder dan vergelijkbare machines. Nadeel was het gebruik van een continue strook van papier. De gegevens per individu stonden dan op een vaste plaats op de band, konden niet gesorteerd worden. Daarnaast was bandbreuk veelvoorkomend, waardoor gegevens kwijt konden raken.

Het tweede ontwerp ging uit van ponskaarten. De trommel werd vervangen door een pers die in één keer alle 135 gaten van de kaart kon lezen. Dit "lezen" werd gerealiseerd door een lezer met uitstekende draden op elke plaats waar een gat kon zitten. Wanneer er een gat in de kaart zat, stak de draad door de kaart heen in de onderliggende bak met kwik, waardoor elektrisch contact gemaakt werd. Op deze wijze werd ook het binaire systeem dat als basis voor de computer dient geïntroduceerd. Een gat is een 1 en geen gat is een 0.

Voordeel van de kaarten waren de hanteerbaarheid en sorteerbaarheid, nadeel was de opslag. De grootte van de kaart werd identiek gemaakt aan de grootte van het dollarbiljet, zodat kasten die gebruikt werden voor de opslag van biljetten ook gebruikt konden gaan worden voor de opslag van ponskaarten.

In 1884 diende Hollerith zijn eerste patentaanvragen in en begon hij met de veldtesten voor zijn machine. Een eerste doorbraak was de aankoop van een machine door de Marine in 1885.

Terwijl de verwerking van de volkstelling van 1880 nog niet eens afgerond was, begon het Census Bureau met de voorbereidingen voor de volgende telling. Het schreef een wedstrijd uit met als doel het vinden van een efficiënte manier van verwerking van de telling. Zijn twee belangrijkste concurrenten waren William Hunt and Charles Pidgin. Beiden maakten gebruik van een systeem van kleuren om de gegevens te coderen, Hunt had zijn "slip"-systeem en Pidgin zijn "chip"-systeem.

In de wedstrijd duurde het coderen via de methode van Hunt 144 uur, van Pidgin 100 uur en van Hollerith 72 uur. De verwerking van de gegevens daarna duurde bij Hunt 55 uur, bij Pidgin 44 uur en bij Hollerith 5 uur. De uitkomst was duidelijk.

Hollerith heeft zijn machine steeds verder ontwikkeld. In de eerste plaats door een sorteermachine toe te voegen, na lezen kon de kaart dan naar de relevante stapel gesorteerd worden. Vervolgens heeft hij ook een systeem ontworpen op basis van relais waarmee het mogelijk was om bepaalde combinaties van gegevens te tellen.

Het censusbureau zette in 1890 50.000 man in om de data te verzamelen en op kaarten te zetten. 235 gegevens werden opgeslagen, in plaats van de zes van de telling van 1880. Bij de start van de telling had Hollerith nog de Pantograaf ontworpen, een machine die het ponsen van de kaarten moest verzorgen. Dit apparaat verving de handponser die eerder gebruikt werd, maar die voor de enorme hoeveelheden niet meer kon voldoen. Met de pantograaf konden 700 kaarten per persoon per dag aangemaakt worden. Samen met de machines van Hollerith konden zo 6.000.000 personen per dag geteld worden.

Het resultaat van het gebruik van de machines van Hollerith voor de volkstelling was enorm, de besparing was 5 miljoen dollar, tien keer zoveel als begroot. De tellling werd in zes weken afgerond, heel wat minder dan de begrote twee jaar.

Het enorme succes van de machines stelde Hollerith in staat deze commercieel te verkopen over de hele wereld. Holleriths bedrijf is de voorganger van een van de grootste in de tegenwoordige computerbusiness: Big Blue (IBM).