Jakov Dzjoegasjvili

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jakov Dzjoegasjvili in 1941

Jakov Dzjoegasjvili (18 maart 1907 - 14 april 1943) was de zoon van Jozef Stalin, die toentertijd Ioseb dze Besarionis Dzjoegasjvili heette.[1] Hij overleed in 1943 in een Duits concentratiekamp.

Biografie[bewerken | bron bewerken]

Jonge jaren[bewerken | bron bewerken]

Jakov Dzjoegasjvili werd op 18 maart 1907 geboren. Hij was de zoon van de Sovjet-leider Jozef Stalin en diens vrouw Jekaterina Svanidze. Hij verloor zijn moeder op 5 december 1907, omdat zij besmet was met vlektyfus. Jakov had een uitermate slechte band met zijn vader. Nadat Jakov in bed werd betrapt met de 16-jarige dochter van een priester, schold Stalin hem flink uit, waarna Dzjoegasjvili een zelfmoordpoging deed door zichzelf in het hart te schieten. Die zelfmoordpoging mislukte. Stalin reageerde: "Hij kan niet eens goed schieten."

Tweede Wereldoorlog[bewerken | bron bewerken]

In 1941 werd Dzjoegasjvili als luitenant van het Rode Leger naar het front gestuurd. Hij werd daar krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. In 1943 weigerde Stalin een gevangenenruil omdat hij vermoedde dat zijn zoon hem verraden had. Op 14 april 1943 overleed Dzjoegasjvili in concentratiekamp Sachenhausen. Hij werd doodgeschoten toen hij het elektrische hek om het kamp beklom.