Kruisjassen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Kruisjassen is een kaartspel.

Spelregels (tegenwoordig)[bewerken]

Het spel moet gespeeld worden met vier spelers. Je hebt een vaste partner en dat is degene die schuin tegenover je zit. Het spel wordt gespeeld met 32 kaarten (de 7, 8 ,9, 10, boer, vrouw, heer, aas van elke kleur). Voor een spel wordt er altijd afgesproken tot hoeveel punten je gaat, meestal is dit tot elf punten.

De gever geeft iedereen acht kaarten, hij geeft zichzelf ook acht kaarten maar hiervan legt hij de laatste kaart omgedraaid op tafel. Zodra iedere speler deze kaart heeft kunnen zien pakt hij ook deze kaart op. De kaart die omgedraaid is, is de troefkaart. De soort van deze kaart is dus troef.

Bij kruisjassen krijg je het volgende aantal punten bij een kaart. Als je de laatste slag pakt krijg je 5 punten erbij.

Kaart Waarde als troefkaart Waarde zonder troefkaart
Aas 11 11
Heer 3 3
Vrouw 2 2
Boer 20 1
10 10 10
9 (als troef "nel" genoemd) 14 0
8 0 0
7 0 0

Na het delen van de kaarten komt de persoon die links van de gever zit op met een bepaalde kaart, het spel draait met de klok mee. Bij kruisjassen is het de bedoeling dat je van de 146 punten (141 in het spel en 5 bij de laatste slag) die in een spel zitten je er ten minste 100 pakt bij een potje. De boer en de negen van de troef zijn dus de meeste punten waard. Bij elke slag zitten vier kaarten. Degene die van de soort die op tafel wordt gegooid de hoogste kaart bijgooit (volgorde is van hoog naar laag: aas, heer, vrouw, boer, 10, 9, 8, 7) krijgt de slag, tenzij er een kaart van de troef bijgegooid wordt. Als je van de troef de boer opgooit is de slag altijd voor jou, en als je de negen opgooit ook, tenzij de boer van de troef erbij ligt, verder geldt ook hierbij de normale volgorde. Je moet echter bij een slag altijd wel bedienen van de soort, tenzij je deze niet hebt of als je een troefkaart erbij gooit.

Na een slag gaat de slag naar één van de twee personen in het team dat de slag gewonnen heeft, deze persoon telt het hele potje door het aantal punten van zichzelf en zijn medespeler. Nadat alle slagen verdeeld zijn telt hij en één van de twee tegenspelers die geteld heeft het aantal punten wat bij zijn pakje kaarten zit, als je samen met je medespeler 100 punten of meer gehaald hebt krijg je twee punten in de stand erbij. Als je alle slagen hebt gehaald krijg je vijf punten erbij in de stand. Heb je minder dan krijg je geen punten. Wie het eerste het vooraf afgesproken aantal punten haalt in de stand heeft gewonnen.

Met tik[bewerken]

Bij kruisjassen met tik gelden dezelfde spelregels als bij het gewone kruisjassen, alleen mag degene die de punten telt van je team op de tafel tikken nadat je 50 punten hebt gehaald, bijvoorbeeld als je waarschijnlijk toch geen 100 punten kunt halen met z’n tweeën. Degene die het eerste getikt heeft, je tegenspeler of jijzelf krijgt dan krijgt dan 1 punt. Als je alle slagen hebt gehaald en je hebt getikt dan krijg je zes punten extra in de stand.

Spelregels (oud)[bewerken]

De hier volgende oude spelregels komen uit het boekje Nieuwe Beschrijving der meest gebruikelijke Kaartspelen, in 1836 uitgegeven door H. Moolenijzer te Amsterdam. Deze oude spelregels zijn interessant om de veranderingen van het spel in de tijd te volgen.

§ 1[bewerken]

Dit spel wordt gespeeld door vier personen, men begint met de kaart om te leggen, hetwelk men omboeren noemt. Dit bestaat hierin, dat men voor elken speler eene kaart omkeere, totdat daarbij voor eenen hunner een boer gevallen is; deze is dan de eerste gever. Degeen, voor wien reeds een boer ligt, wordt overgeslagen, en men gaat met omboeren voort, totdat de tweede roode of twee zwarte boeren zijn gevallen; de spelers, die de twee gelijke boeren hebben, zijn maats; zo insgelijks de twee andere.

§ 2[bewerken]

De kaart, derzelver volgorde, roem, enz. zijn dezelfde als in het vijf honderden, met dit onderscheid, dat slechts eenmaal, eer men de eerste maal opspele, geroemd kan worden. Troefboer of jas behoeft niet te worden opgehaald, wanneer men zulks niet verkiest.

§ 3[bewerken]

Elke speler bekomt acht kaarten, die, twee aan twee naar de linkerhand omgegeven worden, terwijl de gever zijne laatste kaart troef keert. (Ook speelt men het met zeven kaarten, in welk geval vier op stok blijven liggen, en de troefkaart met de zeven van troef kan geroofd worden, mits, niet vóór dat men geroemd of gespeeld hebbe. Die alsdan met eene andere kaart dan de zeven mogt rooven, verliest onder jan.)

§ 4[bewerken]

Men speelt om 100 oogen te bekomen, doch wint de partij eerst, wanneer dit vijfmaal, naar goedvinden ook zevenmaal, geschied is. Op de lei worden dus vijf, of zeven lijnen of streepjes getrokken door eene lange streep, welke de beide partijen afzondert, hetgeen men den boom noemt. Die honderd heeft gespeeld, wischt daarvan, aan zijne zijde, ééne uit; doch twee, wanneer de partij geene vijftig heeft behaald, of onder jan is. Roem van eene vijfde, of van de boeren, maakt de partij onder jan, zelfs wanneer men, in een tweede spel, meer dan vijftig heeft. Die den geheelen boom heeft uitgewischt, wint de partij.

§ 5[bewerken]

Wanneer een spel door geene van beide partijen in eens tot 100 gebragt wordt, schrijft van elke zijde een der tegen elkander overzittende maats de behaalde oogen met cijferletters.
Die zijne behaalde oogen of roem niet schrijft, of de gewonnen streepjes niet wischt, voor dat de troef van de volgende gift gekeerd is, mag naderhand die oogen of roem niet schrijven, noch die streepjes wisschen, of straf van onder jan te verliezen.

§ 6[bewerken]

De roem goedgekeurd zijnde, wordt vertoond. Die zijnen roem niet vertoond heeft, eer hij speelt, mag denzelven naderhand niet schrijven; zulks doende, verliest hij onder jan. De achterhand, of die gegeven heeft, vertoont zijnen roem zonder vragen. De overigen wachten af, totdat de na hen zittende denzelven heeft goedgekeurd.

De roem van den eenen maat goed zijnde, is ook die van den anderen maat goed, doch mag niet gemeld worden, eer het diens beurt is op te spelen.

Men kan ook, 80 oogen hebbende, zich met het nederleggen van stuk uithouden.

  1. Wanneer men den vorigen trek gehaald heeft, en dus aan het uitspelen is,
  2. Wanneer een ander troef heeft opgespeeld, mits de alsdan eerst uitgespeelde kaart geene hoogere zij dan de tien.
  3. Wanneer eene andere kleur is aangespeeld, waarvan men geene heeft; mits in dat geval, wanneer men de derde aan de hand is, de tweede speler er geene troef ingelegd hebbe, die hooger zij dan de tien.

In dit spel, namelijk, is het een regel, dat men niet mag ondertroeven, dat is, zoo lang men andere kaarten heeft, geene mindere troef mag bijspelen, wanneer eene kaart door eenen anderen speler is afgetroefd.

Wanneer de partij met roem van eene derde enz., uit is, gaat dit vóór het nederleggen van stuk.

§ 7[bewerken]

De kaart vergeven, doet boven jan verliezen; die met te veel of te weinig kaarten speelt, verliest onder jan. De eerste slag, gedekt zijnde, mag nog eens gezien worden, doch niet dan na eerst is rondgespeeld. Die naderhand eenen gedekten slag omkeert, verliest onder jan, tenzij het geschiedde, om de partij te bewijzen, dat zij verzaakt heeft. Doch dan moet men dezelve daarvoor onder jan gestraft hebben, en zulks onregelmatig bevonden wordende, verliest men onder jan, gelijk in elk ander geval, wanneer men zijne partij ons regelmatig straft. Een ieder verliest mede voor de fout van zijnen maat, en mogen de maats elkander geene inlichting geven, op straf van onder jan te verliezen.

Aanmerking[bewerken]

Dit spel kan ook met zes personen gespeeld worden, namelijk,in diervoege, dat telkens, bij het eindigen van elken boom, twee maats opstaan, en door anderen vervangen worden. Hieromtrent geldt volkomen hetzelfde, hetgeen omtrent het vijfhonderden, met drie personen gezegd is.

Zie ook[bewerken]