Landelijke suite (Boedijn)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Landelijke suite
Pastoral Suite
Componist Gerard Boedijn
Soort compositie Suite
Gecomponeerd voor harmonieorkest, fanfareorkest
Opusnummer 123
Compositiedatum 1951
Première 1951
Duur ± 12 minuten
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Landelijke suite - Pastoral Suite, op. 123 is een compositie voor harmonieorkest of fanfareorkest van de Nederlandse componist en blaasmuziekpionier Gerard Boedijn.

Geschiedenis[bewerken]

Dit werk werd gecomponeerd in opdracht der Nederlandse regering. Het vormde het begin van een reeks werken in opdracht van de regering, provincie, radio en andere instellingen. Deze compositie was tijdens het Wereld Muziek Concours te Kerkrade in 1958 verplicht gesteld in de sectie fanfareorkesten uitkomend in de superieure afdeling.

Muziek[bewerken]

Het werk is als absolute muziek bedoeld, dus niet gecomponeerd naar tevoren bepaalde programmatische gegevens of tendensen. De verschillende delen zijn naar het zogenoemde cyclische principe geconcipieerd, dus niet een en hetzelfde korte motief, dat in de onderscheiden delen steeds verschillend optreedt en dan verder wordt ontwikkeld. Dit kiemmotief is genomen uit het middenfragment van deel II Meidans, naar een oude Vlaamse melodie: Die Mei plezant. De Landelijke suite bestaat uit drie delen:

Scherzo: Allegretto burlesco[bewerken]

In het 1e deel Allegretto burlesco, dus bedoeld als muzikale scherts, wordt het kiemmotief tot een beknopte driedelige liedvorm ontwikkeld. In het laatste deel groeit uit ditzelfde kiemmotief een leutige mars, afwijkend van het geijkte stramien door toepassing van de oude Franse rondovorm, dat wil zeggen een vorm, waarin het rondothema (refrein) enige keren, afgewisseld door verschillende tussenfragmenten die opgebouwd zijn uit reeds in vorige delen gehoorde motieven, terugkeert.

Pastorale I - Meidans - Pastorale II[bewerken]

In het tweede deel (Pastorale I) treedt een nieuwe landelijke melodie op (in het harmonieorkest voor dwarsfluit, in het fanfareorkest voor sopraansaxofoon), afgewisseld met de altsaxofoon, die wederom in driedelige liedvorm naar de gelijkvormige Meidans voert en van deze Meidans vormt het middenfragment Die Mei plezant, die versterkt door een carillonnetje een vreugdevolle toon aangeeft en verder nog het thematische materiaal voor de Pastorale II levert. Deze tweede pastorale is een hymne aan de natuur, een thema dat in het hele oeuvre van Boedijn veelvuldig voorkomt.

Boertige Mars[bewerken]

Ten slotte weerklinkt een kluchtige mars, onderbroken door een rustige brede melodie waarboven korte zestienden noten spottend lachen. Het geheel eindigt in een heftige chromatische daling in zestienden noten, waarna de pauken het slotakkoord inleiden.

Door de melodische verwantschappen vormen dus de drie opzichzelfstaande hoofddelen dezer Suite toch een duidelijk gestileerde eenheid (drie-eenheid), waardoor de muzikale versie van elk der delen op zichzelf zowel als van het werk in z'n geheel, bij uitvoering duidelijk aanhoorbaar en aanvoelbaar moge worden. Inherent aan deze muziek zijn de (gematigde) harmonische vernieuwingen, die de West-Europese muziek in de vorige eeuw heeft ondergaan.

Orkestratie[bewerken]

Harmonieorkest[bewerken]

Houtinstrumenten Koperinstrumenten Slagwerk (Percussie)
piccolo in c kornetten I+II pauken
dwarsfluiten I+II trompetten I+II grote trom, kleine trom I+II
hobo's I+II hoorns I+II+III+IV crashbekkens, hangende bekkens
fagotten I+II trombones I+II+III triangel, glockenspiel
esklarinet bariton (vioolsleutel) I+II+III
klarinetten in bes solo+I+II+III eufonium
altklarinet tuba's I+II
basklarinet
altsaxofoons I+II
tenorsaxofoon
baritonsaxofoon

Fanfareorkest[bewerken]

Houtinstrumenten Koperinstrumenten Slagwerk (Percussie)
sopraansaxofoons I+II flügelhorn in es pauken
altsaxofoons I+II flügelhorn in bes solo grote trom, kleine trom I+II
tenorsaxofoon trompetten I+II+III crashbekkens, hangende bekkens
baritonsaxofoon hoorns I+II+III+IV triangel, glockenspiel
trombones I+II+III
bariton (vioolsleutel) I+II+III
eufonium
tuba I in es
tuba II in bes