Landgraafschap Hessen-Homburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Landgrafschaft Hessen-Homburg
Tot 1806 deel van het Heilige Roomse Rijk
Van 1816 tot 1866 lid van de Duitse Bond
 Landgraafschap Hessen-Darmstadt 1622 – 1806
1815 — 1866
Landgraafschap Hessen-Homburg-Bingenheim 
Landgraafschap Hessen-Darmstadt 
Groothertogdom Hessen 
Hessen HG flag.svg Wappen-HH (1736–1866).svg
(Details)
Kaart
Hessen-Homburg 1816-1866 (roodgekleurd)
Hessen-Homburg 1816-1866 (roodgekleurd)
Algemene gegevens
Hoofdstad Bad Homburg vor der Höhe
Oppervlakte 275 km²
Bevolking 27.374 (1864)
Talen Duits
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Huis Brabant
Staatshoofd Landgraaf

Hessen-Homburg was een landgraafschap in het huidige Duitsland dat bestond van 1622 tot 1866. De staat bestond uit het district Homburg aan de voet van de Taunus en (sinds 1815) het los daarvan liggende district Meisenheim in het huidige Rijnland-Palts. De hoofdstad was Bad Homburg vor der Höhe.

Geschiedenis[bewerken]

Hessen-Homburg werd als zijlinie van Hessen-Darmstadt gesticht door Frederik I, jongste zoon van George I van Hessen-Darmstadt, die in 1622 van zijn oudere broer Lodewijk V volgens een bepaling van zijn vader de heerlijkheid Homburg ontving. Dit landgraafschap was niet soeverein, maar viel nog altijd onder het gezag van Hessen-Darmstadt. Daar Darmstadt echter meestal niet in staat was de verplichte jaarlijkse 15.000 gulden af te staan, kwam het al snel tot een roep om onafhankelijkheid.

Na de dood van Frederik I in 1638 werd het land onder zijn zoons George Christiaan en Willem Christoffel opgedeeld in de linies Hessen-Homburg en Hessen-Homburg-Bingenheim. Daar zij beide geen zoons nalieten kwam het gehele land in 1681 weer toe aan hun broer Frederik II. Deze, de held uit Heinrich von Kleists drama Prinz Friedrich von Homburg, bevorderde door het binnenhalen van vele verdreven Franse protestanten de industrie van zijn land en werd in 1708 opgevolgd door zijn zoon Frederik III.

Frederik III verkreeg door een regeling met Darmstadt enige soevereiniteit en werd in 1746 opgevolgd door zijn neef Frederik IV, op wie reeds in 1751 diens minderjarige zoon Frederik V volgde.

Onder Frederik V werd Hessen-Homburg bij het tot stand komen van de Rijnbond in 1806 gemediatiseerd ten gunste van Hessen-Darmstadt. Als enige gemediatiseerde vorst werd op het Congres van Wenen in 1815 echter zijn soevereiniteit hersteld en werd zijn territorium zelfs uitgebreid met de heerlijkheid Meisenheim aan de linker Rijnoever. Hij trad op 7 juli 1817 toe tot de Duitse Bond en werd na zijn dood in 1820 opgevolgd door achtereenvolgens zijn vijf zoons.

De oudste zoon Frederik VI stierf in 1829, zodat zijn broer Lodewijk aan de macht kwam, op wie in 1839 de derde broer Filips volgde. Deze beloofde op 4 februari 1845 een constitutie die voorzag in een landdag in te voeren, maar stierf in 1846 voor hij dit voornemen tot uitvoer kon brengen kinderloos. Nu was het de beurt aan zijn broer Gustaaf, die in het revolutiejaar 1848 het bijeenroepen van een grondwetgevende landdag toestond.

Dit geschiedde pas onder zijn broer en opvolger Ferdinand, zodat uiteindelijk in 1850 de constitutie werd gepubliceerd. Ferdinand herriep in 1851 echter alle in 1848 gedane concessies en hief in 1852 de grondwet van 1850 weer op. Hij stierf in 1866 kinderloos, zodat Hessen-Homburg toekwam aan Lodewijk III van Hessen-Darmstadt, die het na de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van datzelfde jaar echter moest afstaan aan Pruisen. Het district Homburg maakte hierna deel uit van de provincie Hessen-Nassau, Meisenheim van de Rijnprovincie.

Landgraven van Hessen-Homburg[bewerken]