Malorix en Verritus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Malorix)
Ga naar: navigatie, zoeken

Malorix en Verritus waren twee Friese vorsten in de eerste eeuw na Christus. Hun optreden is gedocumenteerd door Tacitus in zijn Annales.

In het jaar 58 vestigden zich Friezen op braakliggende gronden aan de Rijnoever. De grond behoorde, volgens de afspraken zoals geformuleerd door Corbulo na de opstand van de Friezen in 28, toe aan het Romeinse Rijk. De Friezen beginnen de grond te bewerken en te bebouwen ' alsof het hun erfdeel is ', schrijft Tacitus. Als het zaaigoed al in de grond zit sommeren de Romeinen de Friezen het gebied te verlaten. Daarop besluiten Mallorix en Verritus naar Rome te reizen om hun zaak bij de Romeinse keizer, Nero, te bepleiten.

Rome had in de keizertijd zo'n miljoen inwoners, die boven op elkaar woonden in villa's en flatgebouwen. In het hele gebied van de Rijndelta, waar de twee vorsten vandaan kwamen, woonden alles bij elkaar misschien enkele tienduizenden mensen, in dorpjes, hutten en hoeven die ver uit elkaar lagen. De Romeinen hadden er tien jaar eerder het legerkampje Traiectum opgetrokken op de plaats waar later Utrecht zou ontstaan, er was het grote kamp Noviomagus (het latere Nijmegen) waar tussen de 3000 en de 5000 mensen gewoond kunnen hebben. Dan was er nog een nederzetting aan de Maas die uit zou groeien tot het huidige Maastricht. Nauwelijks iets wat op een stad leek. De aanblik van Rome moet voor Malorix en Verritus dus gewoonweg verpletterend zijn geweest.

Keizer Nero had het te druk om de Friezen meteen te ontvangen en dus kregen ze een rondleiding langs ' de bezienswaardigheden die men aan barbaren pleegt te tonen om hen een idee te geven van de grootsheid van het Romeinse volk '. Zo kwamen ze bij het theater van Pompeius. Tacitus schrijft over het bezoek aan het theater:

Terwijl zij hier rondhingen -van het spektakel konden ze niet genieten omdat zij daar niets van begrepen, ontwetend als ze waren- stelden ze vragen over het publiek dat op de banken zat, over het onderscheid tussen de standen, wie de edelen waren, waar de senatoren zaten, toen zij plots mannen in buitenlandse klederdracht zagen die op de banken van de senaat zaten. Op hun vraag wie dat wel mochten zijn, kregen zij ten antwoord dat deze eer te beurt viel aan gezanten van volkeren die uitblonken in moed en vriendschap voor Rome. Zij riepen dat geen mens de Germanen overtrof in krijgskunst of in trouw. Daarop liepen zij naar beneden en gingen tussen de senatoren zitten. Het publiek moedigde hen hartelijk aan. Het herkende in hun handelwijze het enthousiasme en het eergevoel van een primitief volk.

Keizer Nero moet evenveel schik in Malorix en Verritus hebben gehad als het publiek. Hij verleende hun namelijk het Romeins burgerrecht. Maar intussen moest hun stam wel de Rijnoever verlaten. De diplomatieke onderneming van de twee vorsten had hen dus niet geholpen. De koningen en hun volk weigerden echter nog steeds het gebied te verlaten. Enige tijd later werden ze verjaagd door een ruiteraanval van door Tacitus niet nader aangeduide 'Romeinse bondgenoten'. Wie zich verzette werd gevangengenomen of gedood.

Bronnen[bewerken]

  • Tacitus, Annales XIII 54 (parallelle Latijnse en Nederlandse text)
  • Jan Blokker, Jan Blokker Jr. en Bas Blokker, ' Het voorouder gevoel '
  • Bas Blokker, Gijsbert van Es, Hendrik Spiering, ' Nederland in een handomdraai, de vaderlandse geschiedenis in jaartallen '