Margaretha van de Palts

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gravure van Margaretha van de Palts, gemaakt rond 1600.

Margaretha van de Palts (1376 - Einville-au-Jard, 26 augustus 1434) was van 1393 tot 1431 hertogin-gemalin van Opper-Lotharingen. Ze leidde naar het voorbeeld van de heilige Elisabeth van Thüringen een vroom en caritatief leven, maar werd nooit – hoewel ze dat vaak wenste – zalig- of heiligverklaard.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Familie en jeugd[bewerken | brontekst bewerken]

Margaretha behoorde tot het Huis Wittelsbach en was de oudste dochter van keurvorst Ruprecht III van de Palts, vanaf 1400 tevens Rooms-Duits koning, uit diens huwelijk met Elisabeth van Neurenberg, dochter van burggraaf Frederik V van Neurenberg. Over haar jeugd is weinig bekend.

Huwelijk[bewerken | brontekst bewerken]

Op 6 februari 1393 huwde de toen zestienjarige Margaretha met de twaalf jaar oudere hertog Karel II van Lotharingen (1364-1431). Omdat ze verwant waren aan elkaar, was er voor hun huwelijk pauselijke dispensatie nodig. Het echtpaar kreeg vier kinderen: twee jong gestorven zonen, Lodewijk en Rudolf, en twee dochters die de volwassen leeftijd bereikten. Dat waren Isabella (1400-1453), die haar vader in 1431 opvolgde als hertogin van Opper-Lotharingen en in 1420 huwde met hertog René I van Anjou, en Catharina (1407-1439), vanaf 1422 de echtgenote van markgraaf Jacob van Baden. Als haar echtgenoot deelnam aan oorlogen, nam Margaretha de regeringszaken in Lotharingen waar. Daarbuiten hield ze zich weinig bezig met politieke zaken.

Margaretha leidde al vanaf jonge leeftijd een religieuze, ascetische levensstijl, waarbij ze ook aan boetedoening deed. Ze werd daarin aangemoedigd door kartuizer Adolf von Essen, die ze in 1403 bij een van zijn talrijke bezoeken aan de Lotharingse gemeente Sierck leerde kennen en nadien haar biechtvader werd. Haar echtgenoot deelde haar vrome levensstijl niet en had talrijke buitenechtelijke affaires. Een van zijn minnaressen, Alison du May, slaagde erin om Karel volledig voor zich te winnen. Hij leefde openlijk samen met haar en hun vijf kinderen, terwijl Margaretha hem tevergeefs aan zijn huwelijkse trouw probeerde te herinneren. Ook droeg Alison du May er toe bij dat Karel zijn erfdochter Isabella in 1420 aan René van Anjou uithuwelijkte.

Ondertussen liet Margaretha het in de buurt van Sierck gelegen cisterciënzersklooster Marienfloss in 1415 in een kartuizerklooster veranderen. Haar biechtvader Adolf von Essen werd aangesteld als abt en vanaf 1419 leefde Margaretha haast uitsluitend in het klooster, waar ze een hospitaal oprichtte. Ze waste de voeten van armen en verpleegde persoonlijk zieken, verzorgde hun wonden en leverde hen psychische bijstand. Ook stond ze achter het voornemen van de in 1807 heiligverklaarde Nicolette Boëllet om een klooster in Nancy te stichten.

Laatste jaren[bewerken | brontekst bewerken]

Na het overlijden van haar echtgenoot Karel II in januari 1431 trok Margaretha zich terug in Einville-sur-Jard. Haar dochter Isabella en schoonzoon René I van Anjou namen de heerschappij over Lotharingen op zich. Een neef van Karel, graaf Anton van Vaudémont, liet echter ook zijn aanspraken op Lotharingen gelden en bevocht met Bourgondischesteun René van Anjou, die hij in juli 1431 gevangen kon nemen. Bij de onderhandelingen over de vrijlating van haar schoonzoon was ook Margaretha betrokken.

In Einville-sur-Jard leidde Margaretha een diepreligieuze levenswandel, waarbij ze caritatieve werken uitvoerde, en stichtte ze een tweede hospitaal. Ruim drie jaar later, in augustus 1434, stierf Margaretha op 58-jarige leeftijd. Ze werd door haar onderdanen herinnerd als een zeer geliefde, bijna heilige hertogin. Haar lichaam werd naar Nancy gevoerd en daar bijgezet in de Saint-Georgeskerk, aan de zijde van haar echtgenoot. In 1743 werd haar kist overgebracht naar de kapel aan de Saint-François-de-Cordeliers-kerk, waar de latere hertogen van Opper-Lotharingen werden bijgezet.