Merkenrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Merkenrecht is van toepassing op merk. Het kan daarbij gaan om:

Inleiding[bewerken]

Een merk is pas beschermd nadat het geregistreerd is, dit in tegenstelling tot het auteursrecht dat meestal eveneens van toepassing zal zijn. Registreren kan afhankelijk van het beoogde gebied voor:

Merkenrecht wordt verkregen na depot voor tien jaar en is onbeperkt verlengbaar.

Merkenrecht in de Benelux[bewerken]

Het merkenrecht werd in nationale recht geregeld door de Benelux Merkenwet (BMW). Deze is thans vervangen door het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE). Inhoudelijk zijn de verschillen niet erg groot.

Een merk is een teken van waren om het te onderscheiden van andere (art. 1 lid 1 BMW). Het kan hier zowel gaan om woordmerken als om beeldmerken.

Het merkrecht wordt verkregen door het in te schrijven bij het Benelux-depot (art. 3 BMW): dit is bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Een merk wordt niet ingeschreven door het merkenbureau, wanneer het merk onvoldoende onderscheidend vermogen heeft (art. 6bis lid 1 sub b BMW), wanneer het merk in strijd is met de openbare orde of goede zeden (art. 6 bis lid 1 sub e en art. 4 lid 1 BMW) en wanneer het merk tot misleiding bij het publiek zou kunnen leiden (art. 6 bis lid 1 sub e en art. 4 lid 2 BMW).

Daarna kan de inschrijving (het depot) nog nietig worden verklaard op grond van art. 14A lid 1 BMW en op grond van art. 4 BMW, in de gevallen dat:

  • wanneer het merk onvoldoende kan worden onderscheiden van een ander merk (art. 14A lid 1 sub b BMW).
  • het merk in strijd is met de openbare orde of goede zeden (art. 14A lid 1 sub e en art. 4 lid 1 BMW)
  • het merk een nationale vlag of wapen vormt (art. 14A lid 1 sub e en art. 4 lid 1 BMW). Dit vloeit voort uit art. 6ter van het Unieverdrag van Parijs (UVP).
  • er sprake is van een mogelijkheid tot misleiding bij het publiek door het merk (art. 14A lid 1 sub e en art. 4 lid 2 BMW).
  • het merk toebehoort aan een wijnsoort of spiritualie en een geografische oorsprong aanduidt, terwijl dit product niet afkomstig is uit dat gebied (art. 14A lid 1 sub e en art. 4 lid 7 BMW).

Als een merk in het depot nietig wordt verklaard, wordt het daaruit doorgehaald. Na doorhaling mag de oude merkhouder het merk nog wel gebruiken, maar kan hij zich niet meer verzetten tegen het gebruik van zijn merk door een ander (art. 12A lid 1 BMW).

Een voorgebruiker die het merk al drie jaren in de Benelux te goeder trouw en rechtmatig heeft gebruikt, kan zich verzetten tegen een inschrijving van eenzelfde merk door een ander, die het pas later is gaan gebruiken (art. 4 lid 6 en art. 14B lid 1 BMW).

Verder kan het merk ook vervallen op grond van art. 5 BMW en dit kan in de volgende situaties:

  • Het merk wordt vrijwillig doorgehaald uit het depot (art. 5 lid 1 sub a) en dit betreft de hele Benelux (België, Nederland en Luxemburg).
  • Wanneer een nationale inschrijving in het merkenregister binnen de eerste vijf jaren vervalt, vervalt ook de internationale inschrijving in de hele Benelux (art. 5 lid 1 sub b).
  • Wanneer het merk gedurende vijf jaren niet wordt gebruikt in de Benelux (art. 5 lid 2 sub a). Dit verval wordt weer teruggedraaid, wanneer het merk, tussen het moment van verval en de instelling van de vordering tot verval van het merk, alsnog wordt gebruikt (art. 14C lid 1 BMW).
  • Woordmerken kunnen na verloop van tijd ook een naam van een soort worden en is dit de schuld van de merkhouder, dan vervalt zijn merkrecht (art. 5 lid 2 sub b).
  • Wanneer het merk misleidend kan zijn voor het publiek (art. 5 lid 2 sub c).

Wordt het merkenrecht niet vernietigd of vervallen verklaard, dan is het tien jaren geldig (art. 10 BMW).

Rechtsmiddelen van de merkhouder[bewerken]

Op grond van art. 13A lid 1 BMW kan de merkhouder zich verzetten tegen inbreuk op zijn merkenrecht door een ander, wanneer hierdoor verwarringsgevaar bij het publiek ontstaat (arrest Sabel/Puma, Hof van Justitie, 11-11-1997, NJ 1998, 523). Het moet dan wel gaan om gebruik van het merk “in het economisch verkeer”: dit houdt in het gebruik in beroep of bedrijf, “waarmee economisch voordeel wordt beoogd” (arrest Tanderil, Benelux Gerechtshof 9-7-1984, NJ 1985, 101).

Bij de beoordeling of er sprake is van verwarringsgevaar zijn van belang:

  • Lijken de beide merken op elkaar, qua tekst, kleur (arrest Lloyds/Loints, HvJ 22-6-1999, NJ 2000, 375). Hierbij is vooral het oordeel van de gemiddelde consument van belang.
  • In hoeverre kan het merk van een bepaalde onderneming worden onderscheiden van het merk van een andere onderneming? Bekende merken zullen eerder van een ander merk kunnen worden onderscheiden.
  • In hoeverre lijken de betrokken waren of waren of diensten, waarvoor het merk dient, op elkaar? Hoe meer ze op elkaar lijken, hoe groter het verwarringsgevaar is.

Zelfs wanneer er sprake is van niet-soortgelijke waren, dan kan de merkhouder zich er nog tegen verzetten op grond van art. 13A lid 1 sub c en d BMW. Er moet dan een negatieve of belachelijke indruk van in de Benelux bekend merk worden gewekt, er moet verwarringsgevaar zijn, er moet geen geldige reden voor het gebruik door een ander zijn en er moet ongerechtvaardigd voordeel uitgetrokken worden (arrest Klarein/Claeryn).

Vorderingen merkhouder[bewerken]

De merkhouder kan, wanneer er inbreuk op zijn merkrecht wordt gemaakt door een ander, schadevergoeding met dwangsom instellen (art. 13A lid 4 BMW). Daarnaast kan hij een vordering tot afdracht van winst + rekening en verantwoording daarover instellen (art. 13A lid 5 BMW).

Verder kan hij de roerende zaken, waarmee inbreuk is gemaakt op zijn merkenrecht en gelden opeisen die door het inbreuk zijn verkregen (art. 13 bis lid 1 BMW). Ook kan hij vorderen, dat degene die inbreuk heeft gemaakt op zijn merkenrecht, vertelt waar hij die roerende zaken vandaan heeft waarmee hij de inbreuk gepleegd heeft.

Uitzonderingen op het merkenrecht[bewerken]

De merkhouder kan ten eerste een licentie-overeenkomst sluiten met een ander. Dit maakt vaak deel uit van een franchise-contract.

Ten tweede kan hij het complete merkenrecht overdragen aan een ander: dit moet altijd schriftelijk, eventueel door middel van een akte (art. 11A BMW). Derden zijn pas gebonden aan deze overdracht vanaf het moment dat deze schriftelijke verklaring in het merkenregister is ingeschreven (art. 11C BMW).

Verder kan een ander ook beslag leggen of een pandrecht vestigen op een merkenrecht (art. 11C BMW).

Uitputting van het merkenrecht (geoorloofd merkgebruik). Het merkenrecht kan uitgeput raken en kan de merkhouder zich niet meer verzetten tegen het gebruik van zijn merk in de Europese Economische Ruimte (EER), als het daar door hem zelf of met zijn toestemming (dus via licentiehouder en/of dealer) op de Europese markt is gebracht (art. 2.23 lid 3 BVIE).

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]