Niet-confessionele zedenleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Niet-confessionele zedenleer, ook vaak kortweg zedenleer genoemd, is in België een schoolvak dat in 1879 door de wet op het lager onderwijs van minister Pierre Van Humbeeck is ingevoerd in alle gemeentelijke overheidsscholen en tegenwoordig in Vlaanderen in het hele secundair onderwijs verplicht geprogrammeerd staat in het overheidsonderwijs. Dit onderwijs, ingericht door staat, gemeente of provincie, geeft de ouders en de leerling de keuze tussen een van de erkende godsdiensten (anglicaanse, islamitische, joodse, katholieke, orthodoxe of protestants-evangelische godsdienst) of niet-confessionele zedenleer. De personen die het ouderlijk gezag uitoefenen moeten in de keuze tussen levensbeschouwelijke vakken volledig vrijgelaten worden. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de keuze voor het onderricht in niet-confessionele zedenleer of een van de erkende godsdiensten, evenals de eventuele aanvraag tot vrijstelling in samenspraak met de leerling. Dit alles is een gevolg van het Belgische schoolpact van 1959.

Oorspronkelijk werd het bedacht als tegenhanger van godsdienstonderricht, was het atheïstisch en had het een anti-klerikale bijklank. Het invoeren van het vak was dan ook een van de oorzaken van de eerste schoolstrijd (1878-1884). Later is het vak geëvolueerd naar een algemeen maatschappijkritisch reflectievak met onderwerpen als moraal, burgerzin, mensenrechten en vrije meningsuiting.[bron?] Zelfs een beschrijving van het fenomeen religie als antwoord op levensvragen, en een vergelijkende studie tussen wereldgodsdiensten worden nu opgenomen in het programma.

Externe link[bewerken]