Niet-confessionele zedenleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Niet-confessionele zedenleer, ook vaak kortweg zedenleer genoemd, is in België een schoolvak dat sinds de tweede schoolstrijd (1959) bestaat[1]. Het is één van de zeven erkende levensbeschouwingen (naast katholieke godsdienst, islamitische godsdienst, israëlitische godsdienst, orthodoxe godsdienst, anglicaanse godsdienst en protestantse godsdienst) in België en de enige die zich niet baseert op het bestaan van god. Vrijzinnig humanistische organisaties, onder leiding van de RIBZ houden zich bezig met het uitschrijven van de leerinhouden.

Geschiedenis[bewerken]

Bij het ontstaan van België in 1830 had de Katholieke Kerk haast een monopolie op het onderwijs. In 1831 werd art.17 in het leven geroepen. In dit artikel stond dat: het is grondwettelijk bepaald dat iedereen recht heeft om onderwijs in te richten en dat ouders vrij zijn om zelf het onderwijs voor hun kind te kiezen. De twee belangrijkste politieke groeperingen op dat moment in België, de Katholieken en de Liberalen, interpreteerde deze wet op hun eigen manier. De Liberalen wilde een overheidsnet dat seculier zou zijn[2].

In 1848 kwam de wet op het lager onderwijs die ervoor zorgde dat alle scholen Katholieke zedenleer moesten geven. De wet op het middelbaar onderwijs van juni 1850 brak hier echter mee. Geestelijken mochten les gaan geven op de scholen, maar hadden geen zeggenschap over het onderwijs. Deze wet had dus een liberale stempel.[2]

De wet-Van Humbeeck van 1879 (gestemd door een liberale regering) wilde de kerk buiten het onderwijs houden en wilde een zedenleer creëren die wel Christelijk moest zijn, maar die los stond van de kerk. De eerste schoolstrijd barst los en bij de volgende verkiezingen winnen de Katholieken waardoor de Katholieke kerk terug meer greep krijgt op het religieus onderwijs binnen de scholen[1].

Tijdens de tweede schoolstrijd wordt het vak NCZ officieel ingericht. Alle leerlingen moeten een keuze maken tussen één van de confessionele vakken of NCZ. Bij de inrichting van het vak in 1959 is het echter niet helemaal duidelijk wat de inhoud van het vak is. De voorstanders van het vak willen dat de inhoud duidelijk niet - confessioneel is en zich baseert op wetenschap, vrij denken, menselijk denken en ervaren. Toch wordt het op dat moment eerder een zogenaamd 'restvak'. Alle leerlingen die niet in één van de ingerichte confessionele vakken past zou naar NCZ moeten gaan. De leerkrachten moesten dus neutraal zijn.

Pas na de grondwetswijziging van 1993 wordt de niet-confessionele levensbeschouwing erkend. De RIBZ (Raad voor Inspectie en Begeleiding niet-confessionele Zedenleer[3]) brengt heel wat organisaties samen die meewerken aan de leerlplannen en leerinhouden.

Heden[bewerken]

De Fakkel[bewerken]

Het symbool van het vak is de fakkel. Het is al sinds de vroege jaren ‘70 in gebruik van de vrijzinnig humanistische levensovertuiging. De symboliek achter de fakkel is de volgende:

'De cirkel symboliseert de aarde; de fakkel staat voor het licht, de verlichting en de rede; de menselijke silhouetten zijn het zinnebeeld van de universele broederlijkheid, verbondenheid en solidariteit. Rechts staan de figuren hoger dan links. Dit verwijst naar de mogelijkheid om te groeien naar wijsheid en inzicht.'[4]

Het Lentefeest[bewerken]

Dit is een feest waarin kinderen uit het eerste leerjaar kunnen deelnemen. Er wordt gevierd dat de leerlingen niet langer kleuter zijn, maar reeds jongens en meisjes die naar de grote school gaan en geconfronteerd worden met een hoop leerstof en de eerste levensvragen.[5]

Feest Vrijzinnige Jeugd[bewerken]

Wanneer kinderen twaalf jaar worden zitten ze op het einde van hun kindertijd en het einde van de lagere school. Tijdens dit feest wordt er gevierd dat ze een nieuw hoofdstuk ingaan, één richting de volwassenheid en het middelbaar.

Vakinhoud[bewerken]

Er zijn twee belangrijke elementen die de inhoud van het vak mee bepalen, namelijk: niet-confessioneel en het vrij zelfstandig denken. Een citaat die deze twee elementen ondersteunt en die door de vrijzinnige humanisten vaak gebruikt wordt is van Poincaré:

Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan een hartstocht, noch aan een belang, noch aan een vooroordeel, noch aan om het even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf, want zich onderwerpen betekent het einde van alle denken.

Externe link[bewerken]

  • a b Eddy Borms, Officieel onderwijs en niet-confessionele zedenleer. Geraadpleegd op 10 augustus 2018.
  • a b Sampol. Geraadpleegd op 10 augustus 2018.
  • RIBZ. Geraadpleegd op 10 augustus 2018.
  • De fakkel. Geraadpleegd op 11 augustus 2010.
  • Vrijzinnige feesten. Geraadpleegd op 11 augustus 2018.