Oei, ik groei!

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Oei, ik groei! is een boek uit 1992 van het echtpaar dr. Frans Plooij en dr. Hetty van de Rijt dat de theorie beschrijft dat de ontwikkeling van een kind met voorspelbare sprongen gebeurt.

Oei ik groei! is vertaald in meer dan twintig talen, waaronder in het Engels als "The Wonder Weeks".[bron?] De eerste ideeën voor deze sprongentheorie kregen Plooij en van de Rijt begin jaren '70 bij onderzoek naar het gedrag van jonge chimpansees in Tanzania waar hij in 1980 en zij in 1982 op promoveerde.[bron?] Daarna deden zij in Nederland een studie naar baby’s in de thuissituatie en vonden 10 sprongen in de eerste 20 levensmaanden.[1]

Naast het Oei, ik groei! Basisboek schreef Plooij verschillende boeken en publicaties, waaronder Oei, ik groei! – Weetjes en mijlpalen, Oei, ik groei! – Speel- en doe boek en Oei, ik groei! – Wie ben ik?.

De theorie van voorspelbare groeisprongen is omstreden en niet teruggevonden in andere studies. Er is tevens geen wetenschappelijk onderbouwd bewijs gevonden voor het plaatsvinden van de groeisprongen zoals genoemd door Plooij op de vastgestelde weken (De Weerth, 1995). In een replicatieonderzoek zijn maximaal vier sprongsgewijze ontwikkelingen gevonden en de sprongen hangen niet samen met huilgedrag (De Weerth, 1995).

Opbouw[bewerken | brontekst bewerken]

Het in 1992 geschreven Oei, ik groei! beschrijft de theorie dat de mentale vermogens van baby's zich in sprongen ontwikkelen. In de eerste anderhalf jaar maakt een baby volgens Oei, ik groei! tien van zulke sprongen door. Dergelijke sprongen gebeuren in twee stappen:

  1. De lastige periode: hierin is een kind huileriger, hangeriger en humeuriger dan normaal. De vooruitgang kan stilstaan of zelfs een achteruitgang worden.
  2. Een periode van nieuwe dingen ontdekken of oude dingen anders doen: het kind heeft hele nieuwe interesses en is zelfstandiger.

De eerste sprong, bijvoorbeeld, vindt rond 4 à 5 weken plaats. Baby's maken op dit moment, volgens Oei, ik groei!, een snelle rijping door van stofwisseling en ingewanden tot zintuigen. Ook neemt rond die periode de hoofdomtrek van baby's drastisch toe. Daarnaast treedt er een mentale groeisprong op. De baby kijkt en luistert vaker en langer naar dingen, reageert duidelijker op aanrakingen en geuren en laat vaker merken of hij/zij iets leuk vindt en dat hij/zij weet wat er gaat gebeuren. Ook zijn er lichamelijke veranderingen zoals regelmatiger ademen, minder schrikken en sidderen, meer tranen, minder verslikken, overgeven en boeren, maar ook vaker lachen. Nadat de sprong met zes weken genomen is breekt volgens Plooij's theorie een makkelijke periode aan, waarin baby's vrolijker en wakkerder zijn.

Controverse[bewerken | brontekst bewerken]

Een half jaar voordat Plooij zijn boek publiceerde nam hij Carolina de Weerth aan als promovenda om zijn theorie met nieuw wetenschappelijk onderzoek te staven.[2] Tijdens haar onderzoek stelde De Weerth vast dat de ontwikkeling van baby's veel grilliger en chaotischer is dan Plooij beschrijft. De Weerth vond verschillen tussen kinderen in de ontwikkeling. Ze kon de sprongen niet als zodanig terugvinden bij haar observaties van ouders en baby's.[3][4]

Dit leidde tot een conflict tussen Plooij, wiens boek inmiddels populair aan het worden was onder ouders, en De Weerth. Uiteindelijk promoveerde De Weerth bij een andere begeleider, professor Paul van Geert. Die zegt over het onderzoek van De Weerth: “Eigenlijk was die uitkomst niet zo verwonderlijk. Het boek van Plooij wijkt extreem af van eerder gedaan onderzoek naar de ontwikkeling van baby's. In de literatuur zijn veel vaker versnellingen, sprongetjes beschreven. Maar niet zoveel sprongen als Plooij beweert en zeker geen sprongen die zo precies zijn te voorspellen. Niet alle adviezen in het boek zijn omstreden. Maar de adviezen die ingaan op al die sprongen, daaraan kunnen ouders beter geen waarde hechten. Wanneer ze geloven dat het sprongenmodel een normale ontwikkeling beschrijft, zullen ze zich al gauw zorgen maken. Als een kind aan het patroon voldoet, is dat een pure toevalstreffer."[2]

Toen De Weerth haar bevindingen in het Britse wetenschappelijk tijdschrift British Journal of Developmental Psychology ging publiceren, werd Plooij woedend en bracht daarover een zeer negatief persbericht uit. Hierdoor laaiden conflicten tussen Plooij en zijn collega's op, waardoor hij uit zijn leerstoel werd ontheven en zijn dienstverband uiteindelijk in 1998 werd ontbonden.[5][2]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]