Onschuldpresumptie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

De onschuldpresumptie oftewel het vermoeden van onschuld (Latijn: praesumptio innocentiae) is een grondbeginsel van het strafrecht, dat bepaalt dat eenieder voor onschuldig dient te worden gehouden tot het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie wordt voorts uitdrukkelijk vermeld in artikel 6, lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

De onschuldpresumptie is in het EVRM geformuleerd als een recht van de verdachte, maar is in feite een procesrechtelijk beginsel dat normen stelt aan hoe de vervolgende instantie zich dient te gedragen.[1]

Noot[bewerken]

  1. P.A.M. Mevis, Capita Strafrecht: een thematische inleiding, zesde druk, Ars Aequi Libri, Nijmegen, 2009, p. 322[dode link]