Palestijnse Bevrijdingsorganisatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf PLO)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, meer bekend onder de Engelse afkorting PLO (Palestine Liberation Organization; Arabisch: منظمة التحرير الفلسطينية; Munazzamat al-Tahrir al-Filastiniyyah), werd op 28 mei 1964 opgericht door de Arabische Liga , zodat het Palestijns-Arabische volk een stem kreeg. Gamal Abd-el Nasser en Daoud Mikhail, vader van politica Hanan Ashrawi, speelden een hoofdrol in de stichting van deze organisatie. Zo kreeg het Palestijnse volk voor het eerst na de Nakba weer politieke vertegenwoordigers en leiders. Men wilde aanvankelijk geheel Palestina terug, waaruit een groot deel van de Palestijns-Arabische bevolking was gevlucht/verdreven/niet terug toegelaten[1][2] (in 1947/48 en nog eens in 1967). Na 1988 ging het om een eigen staat in de in 1967 door Israël bezette gebieden[3]. Tot de Oslo-akkoorden vond het verzet voornamelijk plaats in een gewapende strijd (in de jaren '60 en '70 werden ook terreurdaden gepleegd), maar daarna ging het via een politieke dialoog. De PLO werd in 1991 of 1994 van de lijst terroristische organisaties van het Amerikaanse State Department gehaald. Sinds die tijd staat ook de Palestijnse Autoriteit veel meer op de voorgrond dan de PLO.

Rabin, Clinton en Arafat in 1993
Het voormalige Orient House van de PLO in Oost-Jerusalem met diplomatieke, economische en sociaal-culturele functies, door Israël definitief gesloten in 2001[4]

Doelstelling en geschiedenis[bewerken]

Doelstelling[bewerken]

Volgens het oorspronkelijke Handvest van 1964 is het doel van de organisatie het "bevrijden" van Palestina en het komen tot een Palestijnse Staat met gelijkberechtiging van al haar inwoners – Joden, moslims en christenen – en met terugkeer naar de grenzen zoals die voor het Britse Mandaatgebied Palestina ten westen van de Jordaan golden (tot het eind van het Brits mandaat mei 1948). Hoewel de PLO later parlementair en diplomatiek politiek actief was, zag zij tot 1993 volgens haar Handvest (1964, herziene versie in 1968 ) gewapende strijd als enige mogelijkheid om die bevrijding te realiseren. In april 1996 werd een aantal artikelen, die in strijd waren met de Oslo-akkoorden, geheel of gedeeltelijk nietig verklaard.

1969[bewerken]

Terwijl aanvankelijk Arabische landen zoals Egypte (Nasser) de PLO domineerden, wisten in 1969, twee jaar na de Arabische nederlaag in de Zesdaagse oorlog, Palestijnse verzetsorganisaties de PLO over te nemen. Fatah met Yasser Arafat als leider was de grootste van deze organisaties. Verder waren er nog het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (het PFLP), en het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina ( het DFLP). Beiden waren marxistisch en pleegden terreurdaden. Tenslotte nog het nationalistische PFLP-GC en al-Saiqa (aan Syrië gelieerd). De communistische partij van Palestina, aan Moskou gelieerd, deed niet mee, omdat zij voor een tweestaten-oplossing was: een Palestijnse staat in de in 1967 veroverde Palestijnse gebieden.[5]

1974[bewerken]

De Jom Kipoeroorlog van 1973 had Israël verrast. Met veel hulp van haar bondgenoten wist zij het tij te keren en een overwinning te behalen. Haar aura van onoverwinnelijkheid was sterk verminderd. Hierdoor veranderde het politieke krachtenveld: ook voor de Palestijnen en hun PLO. Hun eer was gered, openingen waren mogelijk. Daarom was er in de Palestijnse Nationale Raad, het parlement van de PLO, op 19 februari 1974 een meerderheid voor het afschaffen van enkele onderdelen van het programma van 1968: men ging vanaf nu voor een tweestatenoplossing met een Palestijnse staat, die gevestigd moest worden in de Palestijnse gebieden die in 1967 door Israël veroverd waren.

Op deze koerswijziging volgde op 14 oktober 1974 een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin deze de PLO erkende als de enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. In november van dat jaar herbevestigde de Algemene Vergadering haar resolutie van 1970 (o.a. recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk) en kreeg de PLO een waarnemersstatus binnen de VN.[6] Het is in deze periode dat Yasser Arafat zijn bekende redevoering hield voor de Algemene Vergadering van de VN: "In mijn ene hand heb ik de olijftak van de vrede, in mijn andere hand het pistool van de vrijheidsstrijder. Maak dat ik de olijftak niet uit mijn handen moet laten vallen."

Ook de Arabische Liga bevestigde – op 28 oktober 1974 – dat de PLO de enige wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk is "in elk deel van het grondgebied van Palestina dat is bevrijd."

Tijdens de Jom Kipoeroorlog hadden een aantal olieproducerende Arabische staten een olie-embargo ingesteld tegen een aantal Europese staten, waaronder Nederland. Dit maakte dat men daar "gevoeliger" werd voor Arabische pijnpunten, waaronder de zaak Palestina.

Sadat, Begin en Carter[bewerken]
Vaste Kamercommissie Bui Za spreekt met vertegenwoordigers PLO: Naïm Khader (PLO-Brussel) geflankeerd door Harry van den Bergh (links) en Piet Dankert (rechts) (8 september 1977).

De beroemde geste van Egyptische president Anwar Sadat, die in 1977 afreisde naar Israël, de hand van premier Menachem Begin schudde en zijn beroemde redevoering hield in de Knesset, waarin hij vrede in het vooruitzicht stelde, leidde tot de Camp Davidakkoorden. Dit was een met hulp van president Carter (VS) gesloten bilateraal akkoord, waarin Egypte en Israël vrede met elkaar sloten. Israël gaf daarbij de rest van de veroverde Sinaï terug aan Egypte. Met de Palestijnen zou worden onderhandeld over een vorm van autonomie.

Door deze Pax Americana werd Egypte losgemaakt uit de Arabische eenheid en werden de VN en Europa omzeild. Met betrekking tot de Palestijnen (PLO) was het parool "over u, zonder u". De PLO schoot er dan ook niets mee op.

De EEG erkende niet lang daarna (Verklaring van Venetië, 13 juni 1980) de "legitieme rechten van het Palestijnse volk", waar men rekening mee moest houden bij het zoeken naar vrede met de Palestijnen en hun PLO. De bouw van illegale Israëlische nederzettingen werd beschouwd "als een ernstig obstakel op de weg naar de vrede".

1982[bewerken]

De Libanonoorlog van 1982 was een grote en diepe invasie van het Israëlische defensieleger in Libanon bedoeld om de PLO, die na de verdrijving uit Jordanië in 1970 zijn hoofdkwartier in Beiroet had opgeslagen, uit te schakelen. Dat lukte. In het kader van een staakt-het-vuren moesten de leiders (Arafat) en zo'n 8000 strijders Libanon verlaten. Tunis werd hun volgende verbanningsoord. De Palestijnse vluchtelingen/verdrevenen in Libanon bleven kwetsbaar achter. Het bloedbad in Sabra en Shatila was een van de gevolgen.

Op 1 oktober 1985, in Operatie Houten Been (Wooden Leg), bombardeerden F-15 's van de Israelische luchtmacht het PLO-hoofdkwartier in Hammam Chott bij Tunis. Meer dan 60 mensen werden gedood.Dit was een represaille voor het gijzelen en doodschieten van 3 Israelische touristen op een jacht bij Cyprus enkele dagen eerder door Force 17 een elite-eenheid van de PLO. Volgens de PLO waren de touristen Mossad-agenten en was het een represaille voor een gijzeling - ook op zee - en ontvoering naar Israel - 2 weken daarvoor - van Faisal Abu Sharah , een commandant van Force 17.

Intifada[bewerken]

De in 1987 begonnen Intifada was een verrassing voor alle partijen. Voor het gewone volk was de situatie uitzichtloos wat te maken had met de "eeuwige" dagelijkse repressie door de Israëlische bezetter, de vermenigvuldiging van Joodse nederzettingen en wegen, en politici die faalden in het bereiken van een oplossing. Er kwamen demonstraties, die uitliepen op een volksopstand, bedoeld om de bezetting "af te schudden" (Arabisch: intifadah). Deze intifada was een basisbeweging van gewone mannen, vrouwen en groepen, die probeerden -door niet meer mee te doen- de bezetting te beëindigen en tegelijk zelf een samenleving te vormen. Er waren volkscomité's en er kwam een Verenigd Nationaal Leiderschap dat contact had met "Tunis". Maar ook ontstonden er islamitische verzetsgroepen: Islamitische Jihad en Hamas. De eerste Intifada zou tot 1993 duren. Door de harde Israëlische repressie en het arresteren van de leiders ging allengs haar momentum verloren.

De Staat Palestina uitgeroepen[bewerken]

Deze blijk van nationaal Palestijns zelfbewustzijn was voor koning Hoessein van Jordanië reden om op 31 juli 1988 formeel afstand te doen van de Westelijke Jordaanoever. De PLO op haar beurt riep hier op 15 november 1988 eenzijdig de Staat Palestina uit met Yasser Arafat als president

1990[bewerken]

Tijdens de Tweede Golfoorlog verklaarde de PLO zich solidair met Irak, terwijl van alle Arabische staten alleen Jordanië uit pragmatische redenen enigszins pro-Irak was. Door deze opstelling verzwakte de positie van de PLO. televisiebeelden van Palestijnen die op daken stonden te juichen bij overvliegende scudraketten deden geen goed aan de Palestijnse zaak. Koeweit en Saoedi Arabië zetten hun financiële steun stop en Palestijnse werknemers werden uitgezet. De PLO kwam in financiële nood..

Madrid[bewerken]

Na afloop van deze Golfoorlog werd op 31 oktober 1991 de Conferentie van Madrid belegd. De VS wilden - na het winnen van de Golfoorlog - hiermee een definitieve regeling tussen de Arabische staten en Israël bereiken. Ook nu ging het weer buiten Europa en de VN om. Alleen Palestijnse leiders, die partijloos waren en niet uit Oost-Jeruzalem kwamen, mochten aanschuiven bij de Jordaanse delegatie.

Oslo-akkoorden[bewerken]

Op 13 september 1993, tijdens het eerste Akkoord van Oslo, erkenden de staat Israël en de PLO "elkaars legitieme en politieke rechten" en zeiden zij "te streven naar vreedzame co-existentie", "een duurzame, rechtvaardige en alomvattende vredesregeling" en een "historische verzoening na een politiek proces". .[7] Daaraan vooraf - op 9 en 10 september - gingen de "Brieven van wederzijdse erkenning". De PLO erkende het recht van de staat Israël om in vrede en veiligheid te bestaan. Ook erkende men de Resolutie 242 Veiligheidsraad Verenigde Naties en Resolutie 338 Veiligheidsraad Verenigde Naties. Israël erkende de PLO als enige en wettige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Hoewel dat winst was, moet tevens gezegd worden dat nergens sprake was van het erkennen van een Palestijnse staat, het hebben van een recht daarop of een in het vooruitzicht stellen ervan.

Op 28 september 1995 kwam Oslo-II tot stand. De Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook werden opgedeeld in A,B en C-gebieden. Er kwam een Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA of PA). In de A-gebieden had deze het civiel en het militair bestuur in handen, in het B-gebied alleen het civiel bestuur en in het C-gebied bleef civiel en militair bestuur in handen van Israel. President van de PNA werd eerst Yasser Arafat en na diens overlijden in 2004 Mahmoud Abbas. Daarop kreeg de organisatie een zetel toegewezen in de Verenigde Naties als wettelijke vertegenwoordiging van het Palestijnse volk.[8] Israël en de Verenigde Staten hadden dat tot die tijd geblokkeerd.

Een deel van de Palestijnen, onder wie de bekende schrijver Edward Said,[9] stond negatief tegenover deze akkoorden, als een uitverkoop van Palestijnse rechten. Ook islamistische organisaties als Islamitische Jihad en Hamas waren tegen.

De Europese Unie stond positief tegenover de akkoorden. Men erkende de PLO en werd zelfs de belangrijkste geldschieter van de PNA.[10]

Nietigverklaring 1996[bewerken]

In 1996 schreef president Yasser Arafat een brief aan president Bill Clinton naar aanleiding van het probleem m.b.t. artikelen in het Handvest van de Palestijnse Nationale Raad die strijdig waren of leken met de "Brief van Erkenning" (van de staat Israel) die hij in september 1993 namens de PLO had gestuurd aan hem en aan Yitzhak Rabin. Hij noemde nu in de brief van 1996 precies welke artikelen van dat Handvest geheel of gedeeltelijk nietig verklaard waren in een resolutie van een speciale bijeenkomst van de PNR in Gaza dat jaar.[11]

Vestigingsplaats[bewerken]

De beweging had eerst haar hoofdkwartier in Amman, de Jordaanse hoofdstad. In 1970 ontstond er een machtsstrijd tussen de Jordaanse koning Hoessein en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina dat niet accepteerde dat Hoessein via stille diplomatie tot een vergelijk met Israël hoopte te komen over de Westelijke Jordaanoever (exclusief Oost-Jeruzalem). De PLO raakte bij dit conflict betrokken, net als Syrië dat het land binnenviel maar werd teruggedreven. Daarop werden de PLO-aanhangers en Palestijnse vluchtelingen verdreven naar Libanon en werd Beiroet de plek van het hoofdkwartier van de PLO.

Vanuit Libanon pleegde de PLO regelmatig aanslagen in Noord-Israël. Dat gebied werd vervolgens beter afgegrendeld waarna generaal Aoun tijdens de Libanese Burgeroorlog een militaire christelijke republiek (de facto een Israëlisch protectoraat) in Zuid-Libanon stichtte.

Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en Beiroet binnentrok, werd de PLO één van de partijen in de Libanese Burgeroorlog. De organisatie werd gedwongen te verhuizen naar de Tunesische hoofdstad Tunis. Pas in 1993 kon zij haar intrek nemen in Ramallah, de facto de huidige hoofdstad van Palestina; in het Handvest staat Oost-Jeruzalem, waar het "Orient House" staat (in 2001 door Israël gesloten), genoemd als hoofdstad.

Aanhang en tegenstand[bewerken]

De PLO is gedeeltelijk voortgekomen uit oud-strijders van de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 die volgde op Resolutie 181 van de Verenigde Naties van november 1947 inzake de verdeling van het Brits Mandaatgebied Palestina in een Arabische en een Joodse staat en een internationale status voor Jeruzalem.

Yasser Arafat was van 1969 tot zijn overlijden op 11 november 2004, de leider van de PLO. Hij was medeoprichter van de panarabische beweging Fatah, opgericht in 1959 in Koeweit. Radicalere Palestijnen stichtten bewegingen als het marxistische Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (1967), en Zwarte September (1970-1973). Deze werden alle lid van de gematigder koepelorganisatie PLO en pleegden wereldwijd terroristische aanslagen; van deze bewegingen bestaat tegenwoordig alleen Fatah nog.[bron?] De Al-Aqsa Martelarenbrigade, opgericht in 2000 tijdens de Tweede Intifada, zou de militaire tak van Fatah zijn[12] en wordt zowel door de Europese Unie als de Verenigde Staten beschouwd als een terreurorganisatie.

In 1987 werd de Palestijnse islamistische verzetsbeweging, en later ook politieke partij, Hamas opgericht. Deze maakt geen deel uit van de PLO en is een belangrijke concurrent geworden van seculiere, bij de PLO aangesloten organisaties zoals Fatah, die in principe ook openstaan voor Palestijnse christenen en anderen.

Zie ook[bewerken]