Naar inhoud springen

Pro Archia Poeta

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Pro Archia Poeta ("Ter verdediging van de dichter Archias") is een redevoering van Cicero, gehouden in 62 v.Chr. Hierin verdedigt hij de Griekse dichter Aulus Licinius Archias die ervan werd beschuldigd geen Romeins burgerschap te bezitten. Archias, oorspronkelijk uit Antiochië, woonde al geruime tijd in Rome en genoot de steun van invloedrijke Romeinen, waaronder Lucullus. Het is niet bekend hoe de zaak voor Archias is afgelopen. In 1333 herontdekte Petrarca de rede in Luik, waarschijnlijk in de bibliotheek van de Sint-Jacobsabdij.[1]

Aulus Licinius Archias werd rond 120 v.Chr. geboren in Antiochië en vestigde zich rond 102 v.Chr. in Rome. Daar verdiende hij de kost als dichter en verwierf hij de bescherming van de Romeinse generaal en politicus Lucullus. Archias schreef gedichten over de militaire campagnes van Lucullus, die hem in 93 v.Chr. hielp het burgerschap van Heraclea te verkrijgen, een stad met Romeins burgerrecht. Archias woonde vervolgens in Rome, waar hij als mentor en leraar fungeerde voor Cicero in diens vroege opleiding in de retoriek.

Archias kon aanspraak maken op het Romeinse burgerschap op basis van twee wetten:

  • De Lex Iulia de Civitate Latinis Danda (90 v.Chr.), die het Romeins burgerschap verleende aan alle burgers van municipia op het Italische schiereiland, mits zij niet tegen Rome hadden gevochten tijdens de Bondgenotenoorlog.
  • De Lex Plautia Papiria de Civitate Sociis Danda (89 v.Chr.), die burgerrecht verleende aan individuen die burger waren van een stad die verbonden was met Rome, een vast verblijf in Rome hadden, en zich binnen zestig dagen na de invoering van de wet hadden gemeld bij een praetor.

De vervolging en verdediging

[bewerken | brontekst bewerken]

Archias werd waarschijnlijk vervolgd op grond van de Lex Papia de Peregrinis (65 v.Chr.), die vals burgerschap en de aanwezigheid van buitenlanders in Rome strafbaar stelde. Cicero trad op als zijn verdediger tijdens het proces in 62 v.Chr., kort na zijn beroemde Catilinarische redevoeringen.

De aanklacht bestond uit vier punten:

  1. Er was geen officieel bewijs van Archias' burgerschap in Heraclea.
  2. Archias had geen vast verblijf in Rome.
  3. De lijsten van de praetors uit 89 v.Chr., waarop Archias' naam wel stond, werden als onbetrouwbaar beschouwd.
  4. Archias stond niet ingeschreven in de Romeinse volkstellingen tijdens de periode dat hij beweerde in Rome te wonen.

Cicero weerlegde deze punten als volgt:

  • De administratie van Heraclea was verwoest tijdens de Bondgenotenoorlog, maar getuigen uit Heraclea bevestigden Archias' burgerschap.
  • Archias had wel degelijk een vaste woonplaats in Rome.
  • De lijsten van de praetor Metellus waren zeer betrouwbaar.
  • Archias stond niet ingeschreven in de volkstellingen omdat hij telkens op veldtocht was met Lucullus.

De zaak tegen Archias was waarschijnlijk politiek gemotiveerd, gericht tegen Lucullus, een van diens belangrijkste vijanden was Pompeius de Grote.

Structuur van de speech

[bewerken | brontekst bewerken]

Cicero volgde de klassieke structuur van de dispositio:

  • Exordium (1–41): Cicero opent met een oproep aan de jury om zijn "nieuwe wijze van spreken" te accepteren, en benadrukt de waarde van literatuur en poëzie.
  • Narratio (42–89): Cicero schetst Archias' levensloop en zijn banden met invloedrijke Romeinen.
  • Refutatio (90–143): Cicero weerlegt de aanklachten punt voor punt.
  • Confirmatio (144–375): Cicero betoogt waarom Archias' burgerschap en zijn waarde als dichter erkend moeten worden.
  • Peroratio (376–397): Cicero sluit af met een emotioneel appèl aan de jury.

Exordium ofwel de introductie

[bewerken | brontekst bewerken]

In het exordium (regels 1–41) tracht Cicero de welwillendheid (benevolentia) van de jury te winnen. Hij opent met een typische periodische zin, waarin hij zijn eigen talent, ervaring en strategie benadrukt, maar tegelijkertijd bescheidenheid toont ten opzichte van de verdiensten van zijn cliënt, Archias. Cicero vraagt de jury om zijn novum genus dicendi ("nieuwe wijze van spreken") te accepteren, die lijkt op de stijl van een dichter. Dit deel van de rede bevat veel retorische stijlmiddelen, zoals hendiadys, chiasme en de gouden regel. Cicero’s doel is om de aandacht te vestigen op Archias’ beroep als dichter en diens waarde voor de Romeinse cultuur. Hij formuleert hierbij zijn stelling:

Etenim omnes artes quae ad humanitatem pertinent habent quoddam commune vinculum et quasi cognatione quadam inter se continentur. — Cicero, Pro Archia Poeta 7

"Alle kunsten die betrekking hebben op de menselijke beschaving hebben immers een zekere gemeenschappelijke band en zijn met elkaar verbonden door een soort van bloedverwantschap."

Narratio ofwel de beschrijving van de zaak

[bewerken | brontekst bewerken]

In de narratio (regels 42–89) schetst Cicero het levensverhaal van Archias, vanaf zijn vroege carrière in Azië en Griekenland, tot zijn aankomst in Rome. Archias trok al op jonge leeftijd de aandacht van invloedrijke Romeinen, waaronder Lucullus, die hem steunde en hielp bij het verkrijgen van het burgerschap van Heraclea in 93 v.Chr. Cicero benadrukt de status van Archias’ beschermheren door de gebruikelijke zinsbouw te wijzigen, bijvoorbeeld door het woord cum ("sinds") naar het einde van de zin te verplaatsen, om zo de nadruk te leggen op de belangrijke namen die hij noemt. Hij vermeldt ook de wetten die Archias’ burgerschap mogelijk maakten, met name de Lex Plautia Papiria de Civitate Sociis Danda (89 v.Chr.).

Refutatio ofwel de weerlegging van de aanklachten

[bewerken | brontekst bewerken]

In de refutatio (regels 90–143) weerlegt Cicero de vier punten die door de aanklager, Grattius, tegen Archias zijn ingebracht:

  1. Er was geen officieel bewijs van Archias’ burgerschap in Heraclea.
  2. Archias had geen vast verblijf in Rome.
  3. De lijsten van de praetors uit 89 v.Chr., waarop Archias’ naam stond, waren onbetrouwbaar.
  4. Archias stond niet ingeschreven in de Romeinse volkstellingen.

Cicero weerlegt deze punten door:

  • Te wijzen op de verwoesting van de administratie van Heraclea tijdens de Bondgenotenoorlog, en te benadrukken dat getuigen uit Heraclea Archias’ burgerschap bevestigden.
  • Te stellen dat Archias wel degelijk een vaste woonplaats in Rome had.
  • Te verwijzen naar de betrouwbare lijsten van de praetor Metellus.
  • Uit te leggen dat Archias niet in de volkstellingen stond omdat hij telkens op veldtocht was met Lucullus.

Cicero gebruikt hierbij retorische middelen om de aanklager te diskwalificeren, zoals een tricolon en chiasme. Hij stelt:

Est ridiculum ad ea, quae habemus, nihil dicere, quaerere quae habere non possumus; et de hominum memoria tacere, litterarum memoriam flagitare, et, cum habeas amplissimi viri religionem, integerrimi municipi ius iurandum fidemque, ea, quae depravari nullo modo possunt, repudiare, tabulas, quas idem dicis solere corrumpi, desiderare. — Cicero, Pro Archia Poeta 8

"Het is belachelijk om niets te zeggen over wat we wel hebben, maar te vragen naar wat we niet kunnen hebben; om te zwijgen over de herinnering van mensen, maar geschreven bewijs te eisen; en, terwijl je de eerbiedwaardige getuigenis van een vooraanstaand man en de eed en het vertrouwen van een respectabele gemeente hebt, die dingen die op geen enkele manier kunnen worden vervalst af te wijzen, en om documenten te eisen waarvan je zelf zegt dat ze vaak worden vervalst."

Confirmatio ofwel Cicero's pleidooi

[bewerken | brontekst bewerken]

In de confirmatio (regels 144–375) beantwoordt Cicero de vraag waarom hij zo veel waarde hecht aan Archias. Hij bespreekt de voordelen van literatuur, de intrinsieke waardigheid van dichters, en de relatie tussen dichters en de staat. Volgens Cicero biedt literatuur:

  • Verfrissing voor de geest en ontspanning voor de zintuigen.
  • Inspiratie en voorbeelden voor zijn eigen redevoeringen, wat zijn welsprekendheid versterkt.
  • Morele lessen en voorbeelden om na te volgen.

Cicero stelt dat dichters een goddelijke gave bezitten en dat literatuur de prestaties van mensen vereeuwigt. Het persoonlijke motief van Cicero om Archias te verdedigen, komt naar voren in het volgende citaat:

Nam quas res nos in consulatu nostro vobiscum simul pro salute huius urbis atque imperii et pro vita civium proque universa re publica gessimus, attigit hic versibus atque inchoavit: quibus auditis, quod mihi magna res et iucunda visa est, hunc ad perficiendum adhortatus sum. — Cicero, Pro Archia Poeta 28

"Want de daden die ik, samen met jullie, tijdens mijn consulaat voor het welzijn van deze stad en het rijk, voor het leven van de burgers en voor de hele republiek heb verricht, heeft hij [Archias] in verzen gevangen en is hij begonnen uit te werken. Toen ik dit hoorde, leek het me een groot en aangenaam werk, en heb ik hem aangemoedigd om het af te maken."

Peroratio ofwel de afsluiting

[bewerken | brontekst bewerken]

In de peroratio (regels 376–397) sluit Cicero af met een emotioneel appèl aan de jury. Hij herhaalt dat zijn redevoering afwijkt van de traditionele procespraktijk, maar hoopt dat de jury zijn betoog met welwillendheid heeft ontvangen:

... quae a foro aliena iudicialique consuetudine et de hominis ingenio et communiter de ipsius studio locutus sum, ea, iudices, a vobis spero esse in bonam partem accepta, ab eo, qui iudicium exercet, certo scio. — Cicero, Pro Archia Poeta 32

"... wat ik heb gezegd over het talent van deze man en over zijn vak, wat ongebruikelijk is in een rechtszaal, hoop ik, heren juryleden, door jullie in goede zin te zijn ontvangen, en ik weet zeker dat dit ook geldt voor de rechter die deze zitting leidt."

Belangrijke citaten

[bewerken | brontekst bewerken]

Cicero's redevoering bevat enkele beroemde citaten, waaronder:

Etenim omnes artes quae ad humanitatem pertinent habent quoddam commune vinculum et quasi cognatione quadam inter se continentur. — Cicero, Pro Archia Poeta 7

"Alle kunsten die betrekking hebben op de menselijke cultuur hebben immers een zekere gemeenschappelijke band en zijn met elkaar verbonden door een soort van bloedverband."

Est ridiculum ad ea, quae habemus, nihil dicere, quaerere quae habere non possumus; et de hominum memoria tacere, litterarum memoriam flagitare. — Cicero, Pro Archia Poeta 8

"Het is belachelijk om niets te zeggen over wat we wel hebben, maar te vragen naar wat we niet kunnen hebben; om te zwijgen over de herinnering van mensen, maar geschreven bewijs te eisen."

  • Reid, James S: M. Tulli Ciceronis pro A. Licinio Archia poeta ad iudices: edited for schools and colleges (Cambridge University Press, 1897)
  • Clark, Albert Curtis: in Oxford Classical Texts, M. Tulli Ciceronis Orationes vol.VI (Oxford University Press, 1911)
  • Steven M. Cerutti (1998), "Cicero Pro Archia Poeta Oratio", Bolchazy-Caarducci Publishers, paper back, 125 pages, ISBN 0-86516-402-9
  • Gotoff, H C: Cicero's Elegant Style: an Analysis of the Pro Archia, (Urbana, 1979)
  • Bellemore, Jane: "The Date of Cicero's Pro Archia", Antichthon 36 (2002[2003]), 41–53
  • Dugan, J. (2001) ‘How to Make (and Break) a Cicero: Epideixis, Textuality, and Self-fashioning in the Pro Archia and In Pisonem’, Classical Antiquity, 20, 1, 35-77.
  • Nesholm, E.J. (2010) ‘Language and Artistry in Cicero’s “Pro Archia”’, The Classical World, 103, 4, 477-490.
  • Panoussi, V. (2009) ‘Roman Cultural Identity in Cicero’s Pro Archia’, in Karamalengou, E. and Makrygianni, E.D., eds., Antiphilesis: Studies on Classical, Byzantine and Modern Greek Literature and Culture in Honour of John Theophanes A. Papademetriou. Stuttgart. 516-523.
  • Porter, W.M. (1990) ‘Cicero’s Pro Archia and the Responsibilities of Reading’, A Journal of the History of Rhetoric, 8, 2, 137-152.