Roelantslied

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De dode Roelant met zijn zwaard Durandal en zijn olifanthoorn

Het Roelantslied (ook: Roeland(s)lied) is een van de oudste Middelnederlandse ridderromans. Het is een anonieme bewerking van het Franse Chanson de Roland. De vertaling dateert uit de 13e eeuw, het Franse origineel uit de periode 1050—1150. De Middelnederlandse vertaling is slechts fragmentarisch overgeleverd. Een Nederlandse bewerking van de tekst, gedeeltelijk in proza, verscheen aan het begin van de 16de eeuw in Antwerpen onder de titel Den droeflijken strijt opten berch van Roncevale, gedrukt door Willem Vorsterman. Het prozagedeelte is gebaseerd op de 12e-eeuwse kroniek Historia Karoli magni et Rotholandi.

Ridderroman[bewerken]

Hoewel er van een roman sprake is, dient dit woord niet in de moderne zin te worden opgevat: het oorspronkelijke Roelantslied is in dichtvorm geschreven. Het Roelantslied maakt deel uit van de groep der Frankische of Karelromans, die van gebeurtenissen verhalen die aan Karel de Grote worden toegeschreven. De werkelijkheid zal anders zijn geweest: van de ongeveer zeventig ons bekende Frankische romans bezitten wij er nog een dozijn. De heldendaden zijn, bij elkaar opgeteld, zo talrijk dat ze onmogelijk voor rekening van een enkele vorst en zijn gevolg kunnen komen. In feite zijn de verhalen dan ook gebaseerd op de volksliteratuur over Karel de Grote en de dynastie der Merovingers.

Stof[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.
Acht fases van het Roelantslied in één tekening

Het Roelantslied is een verhaal van verraad en heldendom.

Karel de Grote is in oorlog met de Saracenen, maar na jarenlange strijd zal de vrede worden getekend met koning Marsilio (Marcelijs, Marsilje) van Zaragoza (stad). Ganelon, Roelants stiefvader, wordt op aanraden van Roelant, als boodschapper naar koning Marsilio en zijn raadsman Blancandrin gestuurd, maar Ganelon vertelt de Saracenen hoe ze de achterhoede van het Frankische leger tijdens de terugtocht kunnen aanvallen. Karel keert na het tekenen van de vrede aan het hoofd van zijn leger uit Spanje terug naar Frankrijk, waarbij de ridder Roelant en zijn manschappen de achterhoede vormen. Onder hen Olivier, bisschop Tulpijn, Eggherijn, Samson, Antorine, Gautier, Anceus, Engeler en graaf Jelijs, welke laatste dit geschiedverhaal heeft opgesteld.[1]

Dan komt het verraad. Roelant wordt in een hinderlaag gelokt in het dal van Roncevaux. Zijn zwager Oliver vraagt hem op zijn hoorn Oliphant te blazen, opdat Karel zal terugkeren om hem bij te staan. Roelant weigert dit uit “heldhaftige dwaasheid” (het Franse origineel, zie beneden, spreekt van “folie héroïque”).

Als Roelant merkt dat hij de strijd niet kan winnen blaast hij toch drie maal op zijn hoorn Olifant. Karel keert daarop terug. Koning Marsilio vlucht, maar dan verschijnt zijn zwarte oom Galiver met twintigduizend man! Olivier doodt Galiver met zijn zwaard Hautecleer, maar raakt ook zelf dodelijk gewond. Ten slotte blijft in de ongelijke strijd alleen Roelant over met twee van zijn medestanders, bisschop Tulpijn en Gautiers. Dan blaast Roelant voor de vierde maal op zijn hoorn. Roelants paard Valentijf wordt ook gedood. Het is te laat: Karel treft uiteindelijk de ontzielde lichamen van de krijgers aan, dat van Roelant ter aarde liggend, de hoorn onder het lichaam, het gezicht naar Spanje gewend. Zo had Roelant in zijn laatste ogenblikken het tafereel van zijn dood vormgegeven:

Doe leide hij onder hem wale [Toen legde Roelant onder zich wel (nauwgezet)]
den horen ende Durendale [zijn hoorn Olifant en zijn zwaard Durendal]
Hij bad Gode met zoeter bede
dat hijne ten paradijs gelede. [dat hij hem naar het paradijs geleidde]
Te Spanien wert keerde hij hem weder [Spanjewaarts keerde hij zich weer]
ende viel ruggelinge neder
dat niemand en zeggen mochte, [opdat niemand zou kunnen zeggen]
Roelant en hadde den strijd volvochten. [dat Roelant de strijd niet ten einde had gevochten]

Karel achtervolgt het vijandige leger, waarvan velen in de rivier de Ebro verdronken tijdens hun vlucht naar Zaragossa. Koning Marsilio weet de stad en zijn koningin Braimonde (Bramimonde) wel te bereiken, zij het zonder rechterhand. Zij hoopt dat de emir Baligant zijn belofte waarmaakt om met een machtig leger het land te redden. Maar Karel overwint Baligant, neemt Zaragossa in en keert terug naar Aix (Aken). Bramimonde wordt er gedoopt en heet voortaan Juliana.

Ganelon wordt voor zijn verraad gevierendeeld en dertig van zijn familieleden worden opgehangen. Griffoen, Alloreyt, Fortsier en Galerant waren raadsheren van Karel en leden van het 'verradersgeslacht', die medeplichtig waren aan de ramp bij Roncevaux.[2]

Franse wortels[bewerken]

Scène uit het Roelantslied, veertiende eeuw

In werkelijkheid had Karel de Grote voorafgaand aan de schermutselingen bij Roncevaux elders in Spanje vruchteloos strijd geleverd en was hij op de terugtocht. In die tijd was Soleiman ibn al-Arabi (Sulayman ibn Yokdan al-Arabi al-Kelbi), wali van Barcelona en Girona ook de zelfbenoemde gouverneur van Zaragossa. al-Husayn ibn Yahiya was zijn vertrouwensman. Samen met Abu Taur van Huesca steunden zij het Kalifaat van de Abbasiden en stonden zij tegenover de Omajjade emir van Cordoba Abd ar-Rahman I en zijn generaal Thalaba ibn Ubayd. Eerstgenoemden zochten militaire steun bij Karel de Grote tegen deze emir van Cordoba. Zij vertelden Karel de Grote dat Muhammad bin Abdullah al-Mahdi (al-Mahdi bin 'llah), de derde kalief van Bagdad (775-785) en vader van Harun al-Rashid, een invasiemacht voorbereidde tegen Abd ar-Rahman I. De Karolingen werkten samen met de Abassiden tegen de Omajjaden. Uiteindelijk hield Sulayman of al-Husayn de poorten van Zaragossa echter voor Karel de Grote gesloten. Na een maand de stad te hebben belegerd, trok Karel de Grote zich met Sulayman als gijzelaar terug. In Centraal Navarra werd hij aangevallen door Basken en Karel de Grote nam Pamplona in. Toen hij terugging naar het noorden werd zijn achterhoede aangevallen bij Roncesvalles. Sulayman's kinderen Aysun al-Arabi en Matruh al-Arabi deden mee aan de Baskische aanval en bevrijdden hun vader. Sulayman keerde terug naar Zaragossa. Sulayman werd door al-Husayn vermoord (780) en Zaragozza werd door Abd ar-Rahman I ingenomen (783).

In 778 had er bij Roncevaux (tegenwoordig Roncesvalles in Spanje) werkelijk een slag plaatsgevonden (Slag van Roncevaux-Pas), waarin een zekere Roland onder Karel tegen een legertje Basken had gevochten en het leven verloren had. Over die gebeurtenis ontstond in de loop der tijd een aantal liederen en verhalen; uiteindelijk werden die in het Franse Chanson de Roland samengevoegd, waarin het groepje Basken is vervangen door een leger van enkele honderdduizenden "Saracenen" — voor die tijd een duizelingwekkend aantal. De term "Saracenen" is weinig precies: sinds de Kruistochten werd het woord, dat van schrijvers uit de klassieke Oudheid afkomstig was, in veel literatuur als algemene aanduiding gebruikt voor "moslims".

De auteur Turold presenteert Roland als Karels neef (oomzegger), en schildert zijn held af als de typische ridder zonder vrees of blaam. Daarbij wordt in dit gedicht voor het eerst “la douce France” als nationale eenheid, als vaderland voorgesteld.

Naar verluidt zongen de Franse soldaten van Willem de Veroveraar het voor de Slag bij Hastings in 1066. Dit epische gedicht moet dan voor 1066 ontstaan zijn.

Uitgaven[bewerken]

  • Fieuws, Jacques & Boedt, Michel, Het Roelandslied, Brugge, 1977
  • Dijk, H. van, Het Roelantslied, 2 dln. (1981, diss. met tekst en bibliografie)
  • Posthuma, Ard, vertaling uit het Oudfrans onder de titel Het lied van Roeland, Amsterdam 1990 (tweetalige editie) en 2004.

Trivia[bewerken]

  • De verhalen van het Roelantslied worden opgevoerd in de Opera dei Pupi.
  • In sommige verhalen uit de Baskische mythologie wordt verteld dat de Jentil verantwoordelijk zijn voor de dood van Orlando of Roland.

Externe link[bewerken]