Samenstelling Tweede Kamer 1856-1860

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1856-1860 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 10 juni 1856. De zittingsperiode ging in op 17 september 1856.

Nederland was verdeeld in 38 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde. Om de twee jaar werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd, om die reden werd op 10 juni 1856 slechts een tweede van de leden van de Tweede Kamer verkozen, de andere helft was immers verkozen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 13 juni 1854. Op 8 juni 1858 werden periodieke verkiezingen gehouden om de andere helft van de Tweede Kamer te vernieuwen.

Samenstelling na de verkiezingen van 10 en 24 juni 1856[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (22 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Thorbeckianen (19 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (10 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (5 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Katholieken (4 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Liberalen (4 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Protestants (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Gematigde liberalen (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 7 kieskringen was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 24 juni 1856 gehouden.
  • Daniël Théodore Gevers van Endegeest (conservatieven) werd bij de verkiezingen van 10 juni 1856 verkozen in de kieskring Leiden. Hij besloot zijn verkiezing echter niet aan te nemen, omdat hij op 1 juli 1856 benoemd was tot minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Van der Brugghen. Op 15 juli en 29 juli werden daarom herverkiezingen gehouden in Leiden. In de tweede stemronde behaalden de twee overgebleven kandidaten, Gerlach Cornelis Joannes van Reenen (conservatieven) en Willem Groen van Prinsterer (antirevolutionairen) evenveel stemmen. Op 12 augustus 1856 werden nieuwe verkiezingen gehouden, waarbij Groen van Prinsterer werd verkozen.
  • Albertus Jacobus Duymaer van Twist (liberalen) werd bij de verkiezingen van 10 juni 1856 verkozen in de kieskring Steenwijk. Hij besloot zijn verkiezingen om gezondheidsredenen echter niet aan te nemen. Bij een herverkiezing op 31 oktober dat jaar werd Carel Marius Storm van 's Gravesande (conservatief-liberalen) verkozen, die op 10 november 1856 werd geïnstalleerd.
  • Johan Rudolf Thorbecke (thorbeckianen) werd op 10 juni 1856 verkozen in twee kiesdistricten, Maastricht en Deventer. Hij opteerde voor Deventer, als gevolg hiervan vonden op 17 juli 1856 herverkiezingen plaats in Maastricht, waarbij Edmond van Wintershoven (thorbeckianen) werd verkozen.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1857[bewerken | brontekst bewerken]

  • 28 januari: Jan Jacob Rochussen (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer omdat hij niet in conflict wenste te komen met de door hem gesteunde minister van Koloniën Pieter Mijer. Daarom werden op 17 en 31 maart 1857 tussentijdse verkiezingen gehouden in Alkmaar. In de tweede stemronde werd Karel Arnold Poortman (thorbeckianen) verkozen, die op 21 april 1857 werd geïnstalleerd.
  • 20 juli: Willem Groen van Prinsterer (antirevolutionairen) nam ontslag uit de Tweede Kamer uit onvrede met de Onderwijswet van 1857. Bij tussentijdse verkiezingen op 18 augustus en 2 september 1857 in Leiden werd Rutger Jan Schimmelpenninck van Nijenhuis (conservatieven) verkozen, die op 22 september 1857 werd geïnstalleerd.
  • 21 september: Frederik van Rappard (conservatieven) vertrok uit de Tweede Kamer om persoonlijke redenen. Als gevolg hiervan vonden op 22 september en 6 oktober 1857 tussentijdse verkiezingen plaats in Amersfoort. In de tweede stemronde werd Hubert Alexander Maurits van Asch van Wijck (antirevolutionairen) verkozen, die op 12 oktober 1857 werd geïnstalleerd.

1858[bewerken | brontekst bewerken]

  • 12 maart: Pieter Philip van Bosse (liberalen) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot minister van Financiën in het kabinet-Rochussen. Bij tussentijdse verkiezingen op 7 april 1858 in Rotterdam werd Nicolaas Olivier (thorbeckianen) verkozen, die op 13 april dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 12 maart: Jan Karel van Goltstein (conservatief-liberalen) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Rochussen. Bij tussentijdse verkiezingen op 7 april 1858 in Utrecht werd Evert du Marchie van Voorthuysen (liberalen) verkozen, die op 13 april dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 3 april: Johannes Bosscha (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot minister van Hervormde en andere Erediensten in het kabinet-Rochussen. Bij tussentijdse verkiezingen op 27 april 1858 in Amsterdam werd Gerlach Cornelis Joannes van Reenen verkozen, die op 3 mei dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 3 april: Isaac Paul Delprat (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn bevordering tot generaal-majoor. Bij tussentijdse verkiezingen op 4 en 18 juni 1858 in 's-Gravenhage werd Delprat herkozen en ook bij de periodieke verkiezingen van 8 juni 1858 werd hij opnieuw naar de Tweede Kamer gestuurd. Delprat werd op 21 september 1858 geïnstalleerd.
  • 15 april: Jan Bieruma Oosting (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot kantonrechter in Heerenveen. Bij tussentijdse verkiezingen op 11 en 25 mei 1858 werd Bieruma Oosting verslagen door Wieger Hendrikus Idzerda (thorbeckianen), die bij de periodieke verkiezingen van 8 juni 1858 opnieuw verkozen moest worden. Idzerda werd op 20 september 1858 geïnstalleerd.
  • 8 juni: bij periodieke verkiezingen werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd. Bij deze verkiezingen waren de zittende Tweede Kamerleden Jean Chrétien Baud (conservatieven), Charles de Limpens (thorbeckianen) en Pieter Benjamin Johan Vegilin van Claerbergen (conservatieven) geen kandidaat meer in respectievelijk Amsterdam, Maastricht en Sneek. In hun plaats werden respectievelijk Albertus Jacobus Duymaer van Twist (liberalen), Charles Antoine de Bieberstein Rogalla Zawadsky (thorbeckianen) en Wilco Holdinga Lycklama à Nijeholt (liberalen) verkozen, die alle drie op 20 september 1858 werden geïnstalleerd.
  • 1 juli: Peter Marius Tutein Nolthenius (conservatieven) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot burgemeester van Haarlem. Om die reden vonden op 30 juli en 11 augustus 1858 tussentijdse verkiezingen plaats in Hoorn. In de tweede stemronde werd Floris Adriaan van Hall (conservatief-liberalen) verkozen, die op 20 september dat jaar geïnstalleerd werd.
  • 1 oktober: Louis van Heiden Reinestein (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Assen. Bij tussentijdse verkiezingen op 26 oktober dat jaar in Assen werd van Heiden Reinestein herkozen, waarna hij op 15 november 1858 werd geïnstalleerd.

1859[bewerken | brontekst bewerken]

  • 13 januari: Carolus Cornelius Aloysius Beens (thorbeckianen) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Oosterhout. Bij tussentijdse verkiezingen op 8 en 22 februari dat jaar werd Beens herkozen en op 26 februari 1859 werd hij opnieuw geïnstalleerd.
  • 25 januari: de Tweede Kamer werd uitgebreid van 68 naar 72 leden. Om die reden vonden die dag in Amsterdam, Dokkum, Gorinchem en Rotterdam tussentijdse verkiezingen plaats. In Dokkum en Rotterdam werden respectievelijk Marten Kingma Hzn. (liberalen) en Gerardus Henri Betz (thorbeckianen) verkozen. In Amsterdam en Gorinchem behaalde geen enkele kandidaat een absolute meerderheid van de stemmen, waardoor daar op 8 februari dat jaar een tweede stemronde plaatsvond, waarbij respectievelijk Cornelis van Heukelom (liberalen) en Warnardus Cornelis Mathildus Begram (conservatieven) werden verkozen. Drie verkozenen werden op 15 februari 1859 geïnstalleerd, Kingma Hzn. op 22 februari.
  • 3 juni: Lambertus Dominicus Storm (thorbeckianen) overleed tijdens een zitting van de Tweede Kamer. Daarom werden op 28 juni en 12 juli 1859 tussentijdse verkiezingen gehouden in Breda, waarbij Cornelis Wilhelmus Oomen (liberalen) werd verkozen. Hij werd op 24 juli 1859 geïnstalleerd.
  • 12 juli: Joannes Jacobus van Deinse (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer om president van de Arrondissementsrechtbank van Goes te worden. Bij tussentijdse verkiezingen op 31 augustus 1859 in Goes werd Bernard Pieter Gesinus van Diggelen (liberalen) verkozen, die op 20 september 1859 werd geïnstalleerd.
  • 6 augustus: Steven Blaupot ten Cate (liberalen) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot inspecteur van het lager onderwijs in de provincie Groningen. Bij tussentijdse verkiezingen op 30 augustus 1859 in Groningen werd Berend Wichers (thorbeckianen) verkozen, die op 20 september 1859 werd geïnstalleerd.
  • 18 september: Johannes Luyben (conservatief-katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 oktober 1859 in 's-Hertogenbosch werd Aloysius Franciscus Xaverius Luyben verkozen, die op 31 oktober dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 30 november: Harm Stolte (conservatieven) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 27 december 1859 in Amsterdam werd Jan Heemskerk Azn. (liberalen) verkozen, die op 24 maart 1860 werd geïnstalleerd.
  • 1 december: Pieter Adriaan Sander (conservatieven) nam ontslag uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot raadsheer bij het Provinciaal Gerechtshof van 's-Gravenhage. Bij tussentijdse verkiezingen op 27 december 1859 en 10 januari 1860 in Dordrecht werd Sander herkozen, maar hij besloot zijn zetel niet op te nemen, na verzet van de vicepresident van het gerechtshof. Op 13 en 28 februari 1860 werden daarom opnieuw verkiezingen gehouden in Dordrecht. In de tweede stemronde werd Gerrit Adrianus de Raadt (liberalen) verkozen, die op 25 april dat jaar werd geïnstalleerd.

1860[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]