Samenstelling Tweede Kamer 1875-1879

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1875-1879 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van 8 juni 1875. De zittingsperiode ging in op 20 september 1875.

Nederland was verdeeld in 41 kiesdistricten.[1] Om een district te winnen moest een kandidaat de absolute meerderheid van uitgebrachte stemmen verwerven. Indien nodig werd een tweede verkiezingsronde gehouden tussen de twee hoogstgeplaatste kandidaten uit de eerste ronde. Om de twee jaar werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd, om die reden werd op 8 juni 1875 slechts een tweede van de leden van de Tweede Kamer verkozen, de andere helft was immers verkozen bij de Tweede Kamerverkiezingen van 10 juni 1873. Op 12 juni 1877 werden periodieke verkiezingen gehouden om de andere helft van de Tweede Kamer te vernieuwen.

Samenstelling na de verkiezingen van 8 en 22 juni 1875[bewerken | brontekst bewerken]

Liberaal (42 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Katholiek (14 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Antirevolutionairen (11 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatieven (10 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Conservatief-Liberaal (2 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Katholieken (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • In 3 kiesdistricten was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. Deze tweede ronde werd op 22 juni 1875 gehouden.
  • Carel van Nispen tot Sevenaer (conservatief-katholieken) werd verkozen in twee kiesdistricten, Breda en Nijmegen. Hij opteerde voor Nijmegen, als gevolg hiervan vond op 29 juni 1875 een naverkiezing plaats in Breda, waarbij Herman Agatho des Amorie van der Hoeven (katholieken) werd verkozen.
  • De verkiezing van Frans Julius Johan van Heemstra (antirevolutionairen) in Haarlemmermeer werd ongeldig verklaard vanwege onregelmatigheden. Bij een nieuwe verkiezing op 3 november 1875 werd van Heemstra herkozen, waarna hij op 9 november dat jaar werd geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1875[bewerken | brontekst bewerken]

  • 12 december: Johannes Maria Benedictus Josephus van der Does de Willebois (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot president van het Gerechtshof in 's-Hertogenbosch. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 januari 1876 in 's-Hertogenbosch werd Pierre Guillaume Jean van der Schrieck verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 22 februari 1876 geïnstalleerd.
  • 22 december: Carel van Nispen tot Sevenaer (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot raadsheer aan het Gerechtshof in Arnhem. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 januari 1876 in Nijmegen werd van Nispen tot Sevenaer herkozen, waarna hij op 22 februari dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 23 december: Hendrik Anthon van Rappard (conservatieven) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot procureur-generaal van het Gerechtshof in Arnhem. Bij een tussentijdse verkiezing op 11 januari 1876 in Tiel werd van Rappard herkozen, waarna hij op 22 februari dat jaar werd geïnstalleerd.

1876[bewerken | brontekst bewerken]

  • 10 februari: François Willem Cornelis Blom (liberalen) nam ontslag om gezondheidsredenen. Bij een tussentijdse verkiezing op 7 maart dat jaar in Rotterdam werd Herman Cornelis Verniers van der Loeff verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 15 maart dat jaar geïnstalleerd.
  • 7 maart: Jan Willem van Loon (antirevolutionairen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 4 april dat jaar in Amersfoort werd Æneas Mackay jr. verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 2 mei 1876 geïnstalleerd.
  • 8 maart: Antonius van Baar (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Oirschot. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 maart dat jaar in Eindhoven werd van Baar herkozen, waarna hij op 28 maart 1876 werd geïnstalleerd.

1877[bewerken | brontekst bewerken]

  • 22 maart: Donald Jacob Mackay (liberalen) nam ontslag omdat hij zich in Groot-Brittannië vestigde. Bij een tussentijdse verkiezing op 17 april dat jaar in Tiel werd Willem Hendrik de Beaufort verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 23 april 1877 geïnstalleerd.
  • 1 april: Gerrit de Vries Azn. (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van State. Bij een tussentijdse verkiezing op 17 april dat jaar werd Cornelis van Heukelom verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 23 april 1877 geïnstalleerd.
  • 15 mei: Willem van der Kaay (liberalen) nam ontslag vanwege zijn herbenoeming tot kantonrechter in Leiden. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juni dat jaar in Alkmaar werd van der Kaay herkozen, waarna hij op 16 juni 1877 werd geïnstalleerd.
  • 15 mei: Derk de Ruiter Zijlker (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot kantonrechter in Winschoten. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juni dat jaar in Appingedam werd de Ruiter Zijlker herkozen, waarna hij op 15 juni 1877 werd geïnstalleerd.
  • 15 mei: Petrus Johannes Antonius Smitz (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot kantonrechter in Eindhoven. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juni dat jaar in Eindhoven werd Smitz herkozen, waarna hij op 15 juni 1877 werd geïnstalleerd.
  • 1 juni: Abraham Kuyper (antirevolutionairen) verliet de Tweede Kamer. Bij een tussentijdse verkiezing op 12 juni dat jaar in Gouda werd Jacob Gerard Patijn (liberalen) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 16 juni 1877 geïnstalleerd.
  • 12 juni: bij periodieke verkiezingen werd de helft van de Tweede Kamer vernieuwd. In respectievelijk Amsterdam, Tiel en Utrecht waren Michiel Johan de Lange (liberalen), Hendrik Anthon van Rappard (conservatieven) en Jan Messchert van Vollenhoven (conservatieven) geen kandidaat meer, in hun plaats werden respectievelijk Jan Willem Hendrik Rutgers van Rozenburg, Herman Jacob Dijckmeester en Joan Roëll (allen liberalen) verkozen. In respectievelijk Amsterdam en Deventer werden Gerhardus Fabius (conservatieven) en Alex Schimmelpenninck van der Oye (antirevolutionairen) dan weer verslagen door respectievelijk Petrus Hendrik Holtzman (liberalen) en Albertus van Delden (liberalen). Roëll werd op 18 september 1877 geïnstalleerd, de andere nieuwe Kamerleden op 17 september.
  • 26 juni: in de kiesdistricten Almelo en Delft was een herverkiezing nodig vanwege het niet-behalen van de absolute meerderheid door de hoogst geëindigde kandidaat. In Delft werd Adriaan Marius Schagen van Leeuwen (liberalen) verkozen ter vervanging van Johannes Leonardus Nierstrasz C.Jzn., die geen kandidaat meer was. Schagen van Leeuwen werd op 18 september 1877 geïnstalleerd.
  • 17 september: Petrus Johannes Antonius Smitz (conservatief-katholieken) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Bij een tussentijdse verkiezing op 25 september 1877 in Eindhoven werd Harry Barge (katholieken) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 5 oktober dat jaar geïnstalleerd.
  • 24 september: Willem Jonckbloet (liberalen) nam ontslag om hoogleraar Nederlandse letteren te worden aan de Hogeschool van Leiden. Bij een tussentijdse verkiezing op 16 oktober dat jaar in Winschoten werd Hendrik Goeman Borgesius verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 19 november 1877 geïnstalleerd.
  • 1 oktober: Petrus van den Heuvel (conservatief-katholieken) verliet de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 oktober dat jaar in Boxmeer werd Hubert Joachim Brouwers verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 19 november 1877 geïnstalleerd.
  • 2 november: Jan Kappeyne van de Coppello (liberalen) nam ontslag om minister van Binnenlandse Zaken te worden in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Bij een tussentijdse verkiezing op 27 november dat jaar in Haarlem werd Willem de Meijier verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 10 december 1877 geïnstalleerd.
  • 3 november: Hendrik Jan Smidt (liberalen) nam ontslag om minister van Justitie te worden in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Daarom werden op 27 november en 12 december dat jaar tussentijdse verkiezingen gehouden in Assen. In de tweede stemronde werd Warmold Albertinus van der Feltz verkozen, die op 17 december dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 3 november: Jan Karel Hendrik de Roo van Alderwerelt (liberalen) nam ontslag om minister van Oorlog te worden in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Bij een tussentijdse verkiezing op 27 november dat jaar in Leeuwarden werd de Roo van Alderwerelt opnieuw verkozen, waarna hij op 4 december 1877 werd geïnstalleerd.
  • 7 november: Johannes Tak van Poortvliet (liberalen) nam ontslag om minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te worden in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Bij een tussentijdse verkiezingen op 27 november dat jaar in Zutphen werd Cornelis Jacob Sickesz verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 4 december 1877 geïnstalleerd.

1878[bewerken | brontekst bewerken]

  • 19 februari: Frans Julius Johan van Heemstra (liberalen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 19 maart dat jaar in Haarlemmermeer werd Frederic Joseph Maria Anton Reekers verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 26 maart 1878 geïnstalleerd.
  • 26 februari: naar aanleiding van de uitbreiding van het aantal Tweede Kamerleden van 80 naar 86 werden zes nieuwe parlementsleden verkozen. In geen enkel kiesdistrict haalde een kandidaat een absolute meerderheid. Daarom werd op 12 maart dat jaar in de kiesdistricten Amsterdam, Goes, Hilversum, Rotterdam, Winschoten en Zevenbergen een tweede stemronde gehouden, waarbij respectievelijk Gijsbert van Tienhoven (liberalen), Jan Pieter Bredius (1841-1886) (liberalen), Alex Schimmelpenninck van der Oye (antirevolutionairen), Jan van Stolk Jzn. (liberalen), Jan Willem Jacobus de Vos van Steenwijk (liberalen) en J.H.A. Diepen (katholieken) werden verkozen. Van Tienhoven, Bredius, van Stolk en de Vos van Steenwijk werden op 18 maart 1878 geïnstalleerd, Schimmelpenninck van der Oye op 26 maart.
  • 27 maart: J.H.A. Diepen (katholieken) werd niet toegelaten tot Tweede Kamerlid vanwege onregelmatigheden bij zijn verkiezing. Daarom werden op 23 april en 7 mei 1878 nieuwe verkiezingen gehouden in Zevenbergen. In de tweede stemronde werd Roeland van de Werk (liberalen) verkozen, die op 13 mei dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 1 mei: Johan Herman Geertsema Czn. (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot Commissaris des Konings in Overijssel. Daarom werden op 28 mei en 11 juni 1878 tussentijdse verkiezingen gehouden in Arnhem. In de tweede stemronde werd Otto van Rees verkozen, die op 17 juni dat jaar werd geïnstalleerd.
  • 23 juni: Thomas Joannes Stieltjes (liberalen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 23 juli dat jaar in Amsterdam werd Willem Anthony Froger verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 19 september 1878 geïnstalleerd.
  • 22 augustus: Binnert Philip van Harinxma thoe Slooten (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot Commissaris des Konings in Friesland. Bij een tussentijdse verkiezing op 17 september dat jaar in Dokkum werd Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 8 oktober 1878 geïnstalleerd.
  • 10 september: Herman Cornelis Verniers van der Loeff (liberalen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot lid van de Raad van State. Bij een tussentijdse verkiezing op 8 oktober dat jaar in Rotterdam werd Jan van Gennep verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 19 november 1878 geïnstalleerd.
  • 13 september: Jan Pieter Bredius (1811-1878) (liberalen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 8 oktober 1878 in Dordrecht werd Gijsbertus Martinus van der Linden verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 20 november dat jaar geïnstalleerd.
  • 29 december: Jan Karel Hendrik de Roo van Alderwerelt (liberalen) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 28 januari 1879 in Leeuwarden werd Franciscus Lieftinck verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 18 februari dat jaar geïnstalleerd.

1879[bewerken | brontekst bewerken]

  • 1 januari: Matthias Margarethus van Asch van Wijck (antirevolutionairen) nam ontslag vanwege zijn benoeming tot voorzitter van het Muntcollege. Bij een tussentijdse verkiezing op 28 januari dat jaar in Amersfoort werd van Asch van Wijck herkozen, waarna hij op 18 februari 1879 werd geïnstalleerd.
  • 25 februari: Franciscus Johannes Emilius van Zinnicq Bergmann (conservatief-katholieken) overleed. Bij een tussentijdse verkiezing op 25 maart dat jaar in 's-Hertogenbosch werd Jacobus Gerardus de Bruijn (katholieken) verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 3 april 1879 geïnstalleerd.
  • 12 maart: Otto van Rees (liberalen) nam ontslag om minister van Koloniën te worden in het kabinet-Kappeyne van de Coppello. Bij een tussentijdse verkiezing op 8 april dat jaar in Arnhem werd Arthur Kool verkozen als zijn opvolger. Hij werd op 28 april 1879 geïnstalleerd.
  • 25 maart: Willem Theodore Gevers Deynoot (liberalen) overleed. Daarom vonden op 22 april en 6 mei 1879 tussentijdse verkiezingen plaats in Dordrecht. In de tweede stemronde werd Joannes Barendinus van Osenbruggen verkozen, die op 13 mei dat jaar werd geïnstalleerd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]