Schuit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De veerhengst, een type schuit dat eeuwenlang in gebruik was

De term schuit duidt van oorsprong een eenvoudig open vaartuig aan zonder vaste dekken, gangboorden of opbouwen. Het begrip is voor het eerst aangetroffen in een 12e eeuw document. Dat jaagschuiten zoals de trekschuit, de pakschuit en de dekschuit, toch schuit genoemd worden komt doordat zij voortgekomen zijn uit normale, dus open, schuiten.

Een schuit met vaste dekken, eventueel gangboorden en een kleine opbouw werd vroeger door schippers soms een schipschuit genoemd. En een, meestal klein, vrachtscheepje dat grotendeels open was noemde men een schuiteschip.

Scheepstypes[bewerken]

In sommige streken is een schuit bijna altijd van een bepaald scheepstype, bijvoorbeeld in Friesland; de Friese praam. In die gebieden (en soms ook daar buiten) is de naam van het scheepstype (praam in dit geval) min of meer synoniem met schuit en omgekeerd. Andere scheepstypes die als schuit beschouwd worden zijn onder meer: de snik, de bok en de schouw.

Gebruik[bewerken]

Schuiten werden voor vele doeleinden gebruikt; voor het vervoer van lading of vee, voor passagiersvervoer en voor de visserij. Schuiten werden vaak geboomd, gewogen of gejaagd. Soms was de schuit voorzien van een (eenvoudige) tuigage. Het verschil tussen de kleine schuiten en een boot zit hem alleen in het gebruik. Het verschil tussen grote schuiten en kleine (open) scheepjes zit hem vaak meer in het scheepstype en of er aan boord een ruimte is, die voor kortere of langere tijd voor bewoning gebruikt kan worden.

Tot het begin van de twintigste eeuw was de rol van de schuit een zeer belangrijke. Ze verzorgden het vervoer over wateren die voor de gewone binnenvaartschepen niet of moeilijk bevaarbaar waren. De opkomst van het gemotoriseerde wegverkeer zorgde er voor dat de schuit als vervoermiddel na 1950 grotendeels overbodig werd.